Spreken voor, niet over het kind

Minister Rouvoet sprak deze maand zijn waardering uit voor de nieuwe KNMG-meldcode Kindermishandeling. Een belangrijke stap bij de aanpak van kindermishandeling, aldus de minister. Onder de oude code prevaleerde het medisch beroepsgeheim en was het standpunt: ‘zwijgen, tenzij….’. De nieuwe code hanteert als norm: ‘spreken, tenzij….’. Voortaan zijn artsen bij een vermoeden van kindermishandeling verplicht te melden. Bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) of in acute situaties bij de Raad voor de Kinderbescherming of politie. Alleen in uitzonderlijke gevallen prevaleert het beroepsgeheim.

De aanpassing komt niet als verrassing. Het medisch beroepsgeheim staat al langer onder druk. In september 2005 pleitte VVD-kamerlid Schippers voor een herziening omdat het belang van de samenleving zwaarder moet kunnen wegen. De rechtbanken Rotterdam en Dordrecht lieten vorig jaar andere belangen dan het beroepsgeheim prevaleren. En ook in de beleidsboodschappen van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin – ketenbrede informatie-uitwisseling in de jeugdzorg, betrokkenheid tot achter de voordeur, iedereen spreekt met iedereen in het belang van het kind – is voor een strikt beroepsgeheim geen plaats meer. De tienduizenden slachtoffers van kindermishandeling, waarvan er jaarlijks minstens 50 overlijden, verlangen alle aandacht. Tijdige melding van mishandeling is daarom cruciaal. Opvallend is dan ook het relatief lage aantal meldingen afkomstig van artsen. De worsteling van artsen met hun beroepsgeheim lijkt een relevante factor bij de schroom te melden en de code moet hen daarom de benodigde duidelijkheid bieden.

Natuurlijk legitimeert de wet spreken door artsen al langer (art. 53, lid 3, Wet op de Jeugdzorg; art. 1: 240 BW). Het blijft echter bij een duidelijk in de wet omschreven situatie, met concreet benoemde instanties aan wie gegevens verstrekt kunnen worden. De nieuwe meldcode gooit dit strikte regime overboord: art. 9 zet de poort open voor verstrekking aan een niet-limitatief bereik van andere betrokken professionals. Een onbestemd scala aan instanties komt dan in beeld: school, kinderopvang, verslavingszorg, GGZ, jeugdmaatschappelijk werk, woningcorporaties, politie, gemeente, leerplichtambtenaar, sociale dienst, etc. De arts kan ze benaderen als hij een vermoeden verder wil (laten) onderzoeken of het noodzakelijk acht de benodigde hulp op elkaar af te stemmen. De tekst van art. 9 spreekt over verstrekking voor zover noodzakelijk om een vermoeden verder te (laten) onderzoeken. Het bij de code gepresenteerde stappenplan formuleert het daarentegen nogal losjes: “Overleg … kan zinvol of noodzakelijk zijn om een vermoeden…”. Uitgangspunt is dat dergelijk overleg plaatsvindt met toestemming van het kind en/of ouders. Maar soms is dat niet nodig: als ouders geen toestemming geven of de arts geen toestemming wil vragen (hij verwacht een dermate heftige reactie van ouders, dat de veiligheid van kind of hemzelf op het spel komt te staan).

We kunnen natuurlijk wel denken dat artsen niet snel zonder toestemming van ouders met andere betrokkenen over het kind zullen spreken. Maar als de arts volgens de regelen van de zorgvuldigheid wil handelen, kan hij zich gedwongen voelen te spreken met andere professionals. De arts weet dat, als hij eenmaal (een vermoeden van) kindermishandeling vaststelt, hij niet alleen formeel moet melden, maar ook alle informatie tot het 34e levensjaar van de betreffende persoon moet bewaren (art. 3 Code). Bovendien ondernemen andere instanties onherroepelijk actie op zijn melding, met mogelijk verregaande gevolgen (uithuisplaatsing) en belandt de melding in vele registraties en is verwijdering daaruit alles behalve eenvoudig. Kortom, een arts zal niet over één nacht ijs willen gaan. Aldus zal hij, na conform de code advies te hebben gevraagd aan het AMK of een collega, ook andere betrokkenen willen consulteren om zijn vermoeden te toetsen en meer zekerheid te krijgen. Hoeveel procent van de artsen zal in zo’n kwetsbare situatie de vertrouwensrelatie met zijn patiënten op het spel zetten en eerst toestemming vragen? Een opening creëren is het gebruik daarvan in feite verlangen. Oftewel: nu de code expliciet de mogelijkheid tot consultatie creëert, verlangt de zorgvuldigheid en professionaliteit van de arts dat hij daar indien gewenst, ook gebruik van maakt. Bovendien: de Code stelt expliciet dat de arts alle stappen – dus ook de check bij derden - moet ondernemen die nodig zijn om duidelijk te krijgen of van kindermishandeling sprake is (art. 2 Code). Artsen kunnen tuchtrechtelijk ter verantwoording worden geroepen als ze mishandeling niet melden. Maar andersom kunnen ouders een arts verwijten dat hij ten onrechte een vermoeden van mishandeling heeft gemeld en niet eerst alle stappen heeft ondernomen om voldoende zekerheid te krijgen. Alhoewel alleszins redelijk ten tijde van de melding, kan een vermoeden immers achteraf ongegrond blijken te zijn. Afgelopen mei nog, tikte het Regionaal Tuchtcollege Den Haag een arts op de vingers omdat zij te lichtvaardig haar beroepsgeheim had doorbroken door (mondeling) informatie over een moeder en haar kinderen te verstrekken aan de Raad voor de Kinderbescherming.

Hoe cruciaal ik spreken over kindermishandeling ook vind, de code gaat met spreken richting een onbestemde categorie ‘derden’ een stap te ver. Spreken in het belang van het kind is niet synoniem voor spreken over dat kind. Het risico op rondzingende geruchten is levensgroot. En juist ook omdat dit spreken zonder toestemming en wetenschap van ouders of kinderen kan, knaagt het aan de fundamenten van de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt en aan het maatschappelijke (gezondheids)belang van vertrouwelijkheid in de zorg. Vertrouwelijkheid is immers mede een waarborg voor de vrije toegang tot de zorg. Het effect van de nieuwe code kan wel eens contraproductief blijken te zijn.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/32.



Bron afbeelding: Thomas Hawk

Corien Prins

Naam auteur: Corien Prins
Geschreven op: 15 september 2008

Hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Komt een agent bij de dokter — NJBlog schreef op :
[...] over de KNMG-meldcode Kindermishandeling: C. Prins, Spreken voor, niet over het kind, NJB 2008/1616. [...]

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.