Spreekrecht

Vorige week maakte staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie bekend met spoed een wetsvoorstel in te zullen dienen om aan ouders van jonge minderjarige kinderen die slachtoffer zijn geworden van een misdrijf spreekrecht op de strafzitting toe te kennen.

De wetswijziging zou al op 1 april 2012 in werking moeten treden zodat de ouders in de Amsterdamse zedenzaak daarvan nog gebruik kunnen maken op het moment dat de zaken Robert M. en Richard van O. in het voorjaar van 2012 door de Amsterdamse rechtbank behandeld worden.

Het gaat in de Amsterdamse zedenzaak om misbruik van 52 jongens en 13 meisjes en om 6000 foto’s en 138 videobeelden, waarvan mag worden aangenomen dat een deel ervan via het internet verspreid is. Het gaat niet alleen om zeer traumatische ervaringen van heel jonge kinderen, maar mogelijk ook om zogenaamde revictimisatie: deze kinderen kunnen in de toekomst nog keer op keer geconfronteerd worden met de beelden van hun misbruik. Een nachtmerrie voor zowel de slachtoffers als hun ouders. Hoe moet je zoiets verwerken? De Nationaal Rapporteur Mensenhandel over Kinderpornografie rapporteerde op 4 november 2011 aan de Tweede Kamer dat er onderzoek zou moeten worden gedaan naar het effect van het verkrijgen van schadevergoeding in dit soort zaken en naar de vraag of ouders als zodanig ook als slachtoffers zouden moeten worden aangemerkt en in die hoedanigheid – dus niet als vertegenwoordiger van hun kind – ook spreekrecht zouden moeten krijgen. Volgens de rapporteur is er weinig kennis over de gevolgen van het verspreiden en bezitten van kinderpornografisch materiaal voor de kinderen die daarvan het slachtoffer zijn en voor hun ouders.

Op de regiezitting van de Amsterdamse zedenzaak op 25 november jl. hebben ouders om spreekrecht gevraagd namens hun kinderen en de advocaat van Robert M. Tjalling van der Goot heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank zal 15 december op het verzoek beslissen.

Wat te denken van het plan van Teeven om de beslissing van de rechtbank niet af te wachten en het spreekrecht van de ouders nu met de grootst mogelijke spoed te gaan regelen? Begrijpelijk is het wel, want het is een verschrikkelijke zaak die lynchgevoelens in de samenleving losmaakt. Het kantoor van de verdediger van Robert M., Anker & Anker Advocaten, heeft het al moeten ontgelden en is onder hatemail bedolven. Maar is het wel verstandig om in de stroom van de emoties rondom deze zaak wetgeving te initiëren waarvan we in de haast de gevolgen niet goed kunnen doordenken?

Bij de invoering van de Wet spreekrecht slachtoffers per 1 januari 2005 is expliciet gekozen voor een spreekrecht alleen voor het slachtoffer zelf of bij diens overlijden voor één nabestaande. De reden voor deze laatste beperking was een tamelijk triviale, namelijk dat men niet wilde dat de behandeling van de strafzaak door een grotere hoeveelheid spreekgerechtigden aanzienlijk zou worden vertraagd. Van een meer principiële aard is, dat het spreekrecht inhoudelijk beperkt is: het slachtoffer, of diens nabestaande, mag zich alleen uitlaten over de gevolgen die het strafbare feit voor hem of haar persoonlijk heeft gehad, niet meer en niet minder. Blijkens de parlementaire geschiedenis was het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het slachtoffer zich zou kunnen laten vertegenwoordigen, hetgeen ook wel begrijpelijk is gelet op de ratio van het spreekrecht: de mogelijkheid voor het slachtoffer persoonlijk het ervaren leed aan de rechter te kunnen overbrengen. De veronderstelling is dat hiermee het slachtoffer meer erkenning krijgt in het strafproces en dat dit positief werkt voor het verwerkingsproces. Zoiets kun je moeilijk uitbesteden aan een derde.

Uit het evaluatierapport “Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?”, dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden, blijkt dat van het spreekrecht relatief weinig gebruik wordt gemaakt. Zo’n 230-260 keer per jaar. Spreekgerechtigden maken meer gebruik van de mogelijkheid om de rechter schriftelijk te informeren. De meeste slachtoffers die van het spreekrecht gebruik maken zijn daarover tevreden, afgezien van het feit dat zij zich niet mogen uitlaten over de straf. Overigens blijkt dat met dat laatste in de praktijk door de rechter soepel wordt omgesprongen. Of het spreekrecht bijdraagt aan het herstel van emotionele schade valt volgens het rapport niet goed te zeggen.

Teeven stelde in 2010 dat hij aan de beperking van het spreekrecht niet wil tornen, maar dat hij wel uitvoering zou willen geven aan de motie van het Kamerlid Gerkens uit 2009 om het spreekrecht uit te breiden met wettelijke vertegenwoordigers van slachtoffers die zelf niet in staat zijn het spreekrecht uit te oefenen. Nu moet dat met het oog op de Amsterdamse zedenzaak dus stel op sprong gebeuren. Maar maakt deze zaak niet juist duidelijk dat we toch wat fundamenteler zouden moeten nadenken over de positie van het slachtoffer, of liever gezegd over de definitie van het slachtoffer? Het gaat hier om zeer jonge kinderen waarvan we niet goed weten of zij zich het misbruik nog wel bewust kunnen herinneren. Ik kan me het verschrikkelijke dilemma van de ouders voorstellen: moet je hierover (later) met je kinderen praten of juist niet? Hoe zwaar is je kind beschadigd? Kun je nog ooit onbevangen naar de ontwikkeling van je kind kijken? Zou het inderdaad niet veel zuiverder zijn, zoals de Nationaal Rapporteur Mensenhandel voorstelt, om ouders van kinderen die iets dergelijks is overkomen zelf als slachtoffers aan te merken? Dat zou ouders de kans geven te spreken over hun eigen leed. En wellicht dat dan ook nog eens nagedacht zou moeten worden over de fase waarin de slachtoffers een stem krijgen. Zolang dat gebeurt tijdens het proces waarin nog beslist moet worden over het bewijs, blijft het in een zaak als deze op eieren lopen. Is het niet beter om het proces in tweeën te hakken en eerst schuld of onschuld vast te stellen voordat slachtoffers gehoord worden? Stel je voor: in de Amsterdamse zedenzaak gaat het om 136 ouders die potentieel spreekrecht zouden moeten krijgen. Ik vind niet dat ze dat recht onthouden moet worden, maar laten we nog eens goed nadenken en onderzoeken hoe dat zinvol kan, zonder dat het proces ontaardt in een volksgericht.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2011/2196, afl. 43, p. 2911.

Bron afbeelding: yoshiffles

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 6 december 2011

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
De media-zuchtigheid van de huidige staatssecretaris en voormalige officier van justitie is mijns inziens inderdaad in het oog springend. Een soort van “media-geilheid” die eigen lijkt te zijn aan meerdere hedendaagse en “vergane” populisten.

Media-zuchtigheid en ook haastigheid van wetgevers gaat mijns inziens te vaak ten koste van de kwaliteit en daar zijn kostenverhogingen aan verbonden.

Nu volgens het aangehaalde rapport “Het spreekrecht in Nederland: een bijdrage aan het emotioneel herstel van slachtoffers?” niet veel bijdraagt aan het (begin van) herstel van emotionele schade door middel van erkenning moet mijns inziens de vraag worden gesteld en beantwoord, hoe het spreekrecht anderszins voor het slachtoffer schade-herstellend kan zijn.
Onderzoek is mijns inziens voor betrokken slachtoffers van meer waarde dan overhaasting is voor de staatssecretaris.
a.zecha
F. Onderheuvel schreef op :
Ik heb meerdere keren hier over de grens Duitse rechtszaken bijgewoond. Daar is zo nu en dan sprake van een slachtoffer (al dan niet met een advocaat) dat gewoon meeprocedeert. In de in Nederland meer bekende zaak van de kampbeul Boere was dat ook het geval.
Die slachtoffers mogen gewoon als partij meedoen. Ze vragen om schadevergoeding en dragen zelf soms ook bewijs aan (net zoals ze in een civiele zaak zouden kunnen doen). Ik heb nergens gezien dat dat voor problemen zorgde.
Met volksgerichten heeft dat helemaal niks van doen. Ik kan u ook verzekeren dat men in Duitsland daar allergisch voor is. Het gaat allemaal keurig netjes en de rechter beslist.
Mevrouw Spronken, waar bent u nou praktisch gezien bang voor?

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.