Smartengeld bij schending van mensenrechten

Op het terrein van het bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht is sprake van een heuse nieuwe trend: het toekennen van vergoeding van immateriële schade bij schending van fundamentele rechten.

Een belangrijke motor achter deze praktijk is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof is redelijk ruimhartig met de vergoeding van immateriële schade, zij het dat in veel gevallen de enkele vaststelling van de schending van het EVRM reeds als een toereikende genoegdoening geldt. Het Hof kent, bijvoorbeeld, vergoedingen toe voor de ongerustheid van ouders die in strijd met het recht op familieleven van artikel 8 EVRM van hun kinderen worden gescheiden. Schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in een rechterlijke procedure levert vanwege spanning en frustratie in Straatsburg tussen de 1200 en 1500 euro op per jaar dat een te lang durende procedure loopt.

Over de band van het vereiste van effectieve nationale rechtsbescherming ex artikel 13 EVRM verwacht het Europees Hof dat ook nationale rechters dergelijke compensatie kunnen toekennen. De nationale vergoeding mag in het licht van de Straatsburgse standaarden niet ‘manifestly inadequate’ zijn, waarmee er een bonus komt te staan op het bieden van nationale rechtsbescherming. Met name op het terrein van de redelijke termijn heeft het Hof de laatste jaren de druk op de lidstaten op dit punt opgevoerd.

Na jarenlang stilzwijgen van de Nederlandse wetgever heeft de bestuursrechter deze laatste handschoen opgepakt. Inmiddels is een uitgebreide jurisprudentie tot stand gekomen op basis waarvan een procedure bestaande uit bezwaar, beroep en hoger beroep in beginsel niet langer mag duren dan – daarover zijn de bestuursrechters het niet eens – vier of vijf jaar. Over de hoogte van de compensatie bestaat wel overeenstemming: 500 euro per half jaar dat een procedure te lang duurt. In boetezaken geldt een maximale duur van vier jaar en vindt compensatie plaats via boetereductie die is gemaximeerd tot 2500 euro voor standaardzaken.

Ook buiten de redelijke termijn is de bestuursrechter het afgelopen jaar actief geweest op het terrein van de vergoeding van immateriële schade. In aansluiting op artikel 6:106 lid 1 BW (aantasting van de persoon) zijn vergoedingen toegekend bij een ‘ernstige inbreuk’ op artikel 8 EVRM. Zo kennen de Centrale Raad en het Gerechtshof Amsterdam 200 euro toe vanwege schending van de integriteit en het zelfbeschikkingsrecht als gevolg van een onrechtmatig huisbezoek (LJN BM8044 en BL0984; vgl. ook BC5349). De rechtbank Amsterdam kent 500 euro toe vanwege schending van de persoonlijke levenssfeer door een onrechtmatig buurtonderzoek (LJN BO6456). Een ernstige inbreuk op het privéleven bij een onrechtmatige intrekking van een bijstandsuitkering voor drie maanden is voor de rechtbank Haarlem reden voor een vergoeding van 500 euro (LJN BN4040).

Er zijn echter ook grenzen. Zo oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat een onrechtmatige gebiedsontzegging geen daadwerkelijke aantasting van de eer en goede naam oplevert (LJN BN4952). Daarom is er geen grond voor compensatie, zij het dat de Afdeling wel procesbelang aanneemt bij het doorprocederen tegen een al opgeheven gebieds- of rijverbod om de (on)rechtmatigheid daarvan te laten vaststellen (LJN BM4973 en BN1903). Voor de rechtbank Den Haag zijn de spanning en frustratie als gevolg van het ten onrechte niet verlenen van een verblijfsvergunning evenmin voldoende om schadevergoeding te rechtvaardigen (LJN BO8362).

De bereidheid van bestuursrechters tot vergoeding van immateriële schade bij schending van fundamentele rechten verdient ondersteuning. Temeer omdat daarmee tegemoet wordt gekomen aan – hoewel op onderdelen best te bekritiseren maar inmiddels wel bestendige – EVRM-eisen en wordt bijgedragen aan de beperking van de werklast van het overbelaste Straatsburgse Hof. Bovendien leidt het risico van een dergelijke schadeveroordeling mogelijk tot het voorkomen van schendingen. In die zin ligt er een raakvlak met ‘punitive damages’.

Tegelijk vereist de compensatiepraktijk nadere doordenking en afstemming. Het is immers maar zeer de vraag of de huidige jurisprudentie – waaronder de Straatsburgse – voldoende overtuigend is waar het betreft de voor een vergoeding vereiste ernst van de belangenaantasting. Zo wordt wel een vergoeding toegekend bij een schending van de redelijke termijn, maar niet bij een onrechtmatige gebiedsontzegging. In het civiele recht is voorts een vergoedingsvoorwaarde de ernstige inbreuk op een zeer fundamenteel recht met ernstige gevolgen voor de benadeelde. Hoe is de verhouding daarvan met de huidige bestuursrechtpraktijk zoals ten aanzien van onrechtmatige huisbezoeken? Bestaat er in deze context nog wel ruimte om deze strenge civiele maatstaf te (blijven) volgen? De hoogte van de vergoedingen roept ook vragen op. Staat 200 euro voor een onrechtmatig huisbezoek werkelijk in goede verhouding met de 500 euro die wordt uitgekeerd voor elk half jaar dat een procedure te lang duurt? Hoe in dat licht de 500 euro te waarderen die wordt uitgekeerd voor de onterechte intrekking van de bijstandsuitkering? En is de boetematiging bij schending van de redelijke termijn niet te beperkt in relatie tot de 500 euro die per half jaar overschrijding in niet-punitieve zaken wordt uitgekeerd?

Er moet worden gekomen tot consistentere compensatie. Daarvoor is studie nodig naar de praktijken van de diverse betrokken (Europese) rechters en debat over de gewenste koers. Zolang de wetgever niet intervenieert, zal er niet aan ontkomen kunnen worden om via informele en formele mechanismen meer onderling af te stemmen. Als de wetgever wel optreedt – zoals aangekondigd bij de redelijke termijn – zal deze zich evenzeer van een en ander rekenschap moeten geven. Een inconsistente praktijk zal immers als onrechtvaardig worden beschouwd en kan alleen al daarom niet het beoogde hoofddoel bereiken, namelijk het waar nodig verzachten van de smart van de slachtoffers.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2011/566, afl. 11, p. 667.

Tom Barkhuysen

Naam auteur: Tom Barkhuysen
Geschreven op: 14 maart 2011

Advocaat-partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Anton Dutour Geerling schreef op :
Geachte heer Mr. T.Barkhuyzen,
Ik strijd voor een moeder van 3 uit huisgeplaatste kinderen. Onterecht , daar ben ik getuige van. De Rechtbank Almelo maakt er een potje van want ze hebben nog steeds geen beschikking van de laatste zitting in oktober 2011 opgestuurd, ook niet na vragen van de advocaat. Moeders pech is dat ze in de volwassen-educatie als begaafde allochtone les had van de Kinderrechter die zij later op haar weg trof.
Na 4 zittingen waarbij wij uitgebreide bewijzen hebben aangereikt is de moeder steeds niet ontdaan van de valse beschuldigingen. In 2008 is zij met de kinderen en ex-partner uit Duitsland terugverhuisd naar Enschede. Daar heeft zij hoogzwanger een schooldirecteur in verlegenheid gebracht omdat ze de 2 kinderen van school haalde en overschreef naar een andere verder gelegen school. Ondanks dat de kinderen slecht 3 weken opo die school les hebben gehad moest de oudste een Cito-toets doen terwijl algemeen bekend is dat Duits basisonderwijs geheel niet aansluit op het Nederlandse. Zelfs het Ministerie van Onderwijs weet dit. De schooldirecteur nam wraak door een melding van verwatlozing te doen! De volgende school , waar de kinderen nog 1.5 jaar heen gingen heeft NOOIT dergelijke klachten gehad.In tegendeel; in de prijzenkast bevindt zich een trofee van de oudste. Ondanks de later uitgesproken OTS .
De Rechter zegt telkens letterlijk dat het dossier te dik is om te lezen en weigert aan waarheidsvinding te doen. En dat terwijl de oudste UHP-geplaatste dochter binnenkort een schadevergoeding gaat ontvangen van Slachtofferhulp doordat ze publiek geslagen was door dezelfde gezinsvoogd die dus nog steeds mag vertellen hoe goed alles gaat met de kinderen in UHP. Detail is dat de kinderen in tegenspraak met het MO-handboek zelfs naar verre provincies zijn verplaats waar ook zij niet bevoegd is. De vorige TV-Oost advocaat Mr. Speijdel had per brief laten weten niets meer in de zaak te zien , echter pas NA de zitting. Hij was gewoon weggebleven zonder aankondiging ! Er is in deze zaak zoveel krom dat moeder niet weet waar ze moet beginnen. Zij zat bij de laatste zitting zonder Spaanse tolk (daarvoor had ze die wel) en zonder advocaat tegenover 3 rechters die niets hebben opgeschreven. En een lachende , kinderen slaande , gezinsvoogd... De gezinsvoogd gaat ons nu ZIJN copie toezenden van de beschikking... Ik heb als soort stiefvader bijna dagelijks een huilende 15- jarig meisje aan de telefoon die naar huis wil en er niets van begrijpt. En niet begrijpt waarom ze haar broertje en zusje nooit mag zien.
Deze zaak zou in het Bestuursrecht wel de aandacht krijgen die het verdiende.
Kunt U een moeder van 3 jonge kinderen helpen in haar ellende en machteloosheid?

Graag verneem ik van U.
Hoogachtend, A. Dutour Geerling.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.