Rechterlijke vrijheid van meningsuiting en reputatieschade

Hoe staat het eigenlijk met de vrijheid van meningsuiting van rechters? Vorige week donderdag heeft Ybo Buruma, kersvers lid van de Hoge Raad, afscheid genomen van het hoogleraarsvak in een rede getiteld: 'Geen blad voor de mond'. Nog één keer in het openbaar onverbloemd zijn standpunten ventileren, dat wilde hij.

De suggestie is dat daaraan een einde komt zodra je toetreedt tot de rechterlijke macht. Gebeurtenissen in de afgelopen zomer lijken dat te onderstrepen. Zo werd het Tom Schalken niet in dank afgenomen dat hij in een interview in NRC zijn behandeling door de Rechtbank Amsterdam in het Wildersproces bekritiseert. Leendert Verheij, president van het Amsterdamse hof, achtte het onaanvaardbaar dat rechters publiekelijk kritiek uitoefenen op het werk van hun collega’s. Daarmee zou het aanzien van de rechtspraak worden geschaad. Zelfs een empathische recensie van het boek Het Eetcomplot waarin Schalken zijn hart lucht, geschreven door Peter Kop, voormalig raadsheer in de Hoge Raad en het Hof Amsterdam, leidde tot een clash met Verheij. Kop was niet meer welkom als raadsheer-plaatsvervanger omdat hij volhield zelf uit te mogen maken wat hij zegt of schrijft. Dat was Verheij niet met hem eens. Volgens Verheij moet een rechter zich op grond van art. 43 lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens indien hierdoor naar het oordeel van de functionele autoriteit (lees Verheij) het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.1 Kan de president van een rechterlijke instantie haar rechters verbieden zich uit te spreken? Art. 43 lid 1 WRRA biedt hiervoor in ieder geval geen grondslag. Deze bepaling is namelijk helemaal niet van toepassing op rechters(-plaatsvervanger) die voor het leven zijn benoemd, maar geldt voor (niet voor het leven benoemde) leden van het OM, gerechtsauditeurs en raio’s. In de MvT bij de invoering van deze bepaling staat met zoveel woorden dat in verband met de rechterlijke onafhankelijkheid dergelijke beperkingen niet kunnen gelden voor de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren. Dus Reiner de Winter, vicepresident van het Hof Amsterdam die het in deze aflevering ook opneemt voor Schalken, hoeft zich geen zorgen te maken.

Dat betekent overigens niet dat er niet terecht ongerustheid is over de reputatie van de rechtspraak. Daarbij is misschien het meest zorgwekkende nog wel, dat sommige pogingen vanuit de rechterlijke macht hier iets aan te doen contraproductief zijn, zodat zij leiden tot nog meer reputatieschade. Ik vind bijvoorbeeld de kritiek van Schalken, dat de rechtbank in de Wilderszaak het voor de beeldvorming, onder het waakzame oog van de camera, zó goed heeft willen doen dat ze daarbij vergat hem te beschermen tegen de pogingen van de verdediging hem af te branden, niet helemaal uit de lucht gegrepen. We hebben allemaal live kunnen zien wat er op de zitting gebeurde. Waarom zou hierover niets gezegd mogen worden? Ook het wekken van de indruk bij het publiek dat in onze wet staat dat het rechters kan worden verboden zich kritisch uit te laten over hun eigen beroepsgroep lijkt mij niet goed voor het aanzien van de rechtspraak. De meest recente illustratie van zo’n averechts effect is de publieke bekendmaking door Ybo Buruma op 27 augustus jl. in de zaterdageditie van NRC dat hij vanwege zijn toetreding tot de Hoge Raad zijn lidmaatschap van de PvdA heeft opgezegd om te voorkomen dat PVV-aanhangers zouden kunnen denken “dat hij geen goed recht over ze spreekt”. Ik twijfel niet aan zijn goede bedoelingen, maar is het effect hiervan niet dat het lijkt alsof rechtspreken afhankelijk is van de politieke kleur van de rechter? Is dat niet een indruk die we juist willen voorkomen? Rechters mogen toch gewoon lid zijn van een politieke partij en nu wordt de indruk gewekt dat daar iets mis mee is. Beeldvorming is veel te veel een doel op zich geworden en daarbij komen belangrijke waarden van de rechtspraak zoals de rechterlijke onafhankelijkheid in het gedrang. Onafhankelijkheid veronderstelt juist dat recht gesproken moet kunnen worden zonder dat de rechter zich laat beïnvloeden door een mogelijke negatieve impact op de publieke opinie. Dát is hetgeen waar burgers op moeten kunnen vertrouwen. Rick Robroek bepleit in deze aflevering een minder krampachtige opstelling en stelt terecht de vraag aan de orde in hoeverre de zorgen over – overigens vaak slechts veronderstelde – negatieve beeldvorming, tanend gezag en afnemend vertrouwen wel een goede leidraad zijn voor hoe rechters zich moeten opstellen.

Wat de vrijheid van meningsuiting aangaat heeft het EHRM herhaaldelijk uitgemaakt dat dit recht ook aan rechters toekomt2, zij het dat daarbij steeds rekening moet worden gehouden met de speciale rol die de rechtspraak in de samenleving speelt als ‘the guarantor of justice’. Het publieke vertrouwen in de rechtspraak is een voorwaarde voor het succesvol functioneren ervan. Van leden van de rechterlijke macht mag verwacht worden dat zij zorgvuldig omgaan met hun recht op vrije meningsuiting. Maar dat betekent niet dat rechters moeten terugdeinzen als het gezag en de onpartijdigheid van de rechtspraak in het geding zijn. Het kan noodzakelijk zijn de reputatie van de rechtspraak tegen destructieve aanvallen te verdedigen, zeker als deze ongefundeerd zijn. Zwijgen is dan niet altijd de beste oplossing. Funest is in ieder geval als de rechtspraak zich uit angst voor negatieve beeldvorming in de hoek laat drukken.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2011/1534, afl. 29, p. 1941.

 

1. Folkert Jensma, Kritiek onder rechters is ongewenst, NRC Handelsblad 6 augustus 2011.
2. Zie voor een recente uitspraak EHRM 26 februari 2009, Kudeshkina v. Rusland, nr. 29492/05.

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 29 augustus 2011

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Gepke de leef schreef op :
Rechters doen sinds 1940 niet aan waarheidsvinding nemen de leugens van politie/OM klakkeloos over en hebben het dan over op ambtseed opgemaakt,zij hebben dus schijt aan wat de burgers melden,sterker hiermee is het bewijs dat Nederland een politiestaat is geleverd. De politie/OM zou de tussenpersoon zijn tussen burger en rechter maar dat is dus ook niet het geval het is de politie/OM die uitmaakt wat wel en niet voor de rechter komt en wie en niet vervolgd wordt.Nu de OvJ door stromen naar de rechterszetel en de inteelt elite genaamd de rechters buiten spel gaan worden gezet( betreft alleen hun riante inkomsten van de politiestaat gaan ze opeens roepen dat ze niet genoeg tijd hebben om recht te spreken. Zum kotsen deze nazi politiestaat der Nederlanden.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.