Recht en verzorgingsstaat

De huidige financieel-economische omstandigheden leiden tot een forse herijking van onze verzorgingsstaat. Er zal serieus worden gesneden in uitkeringen, pensioenen en – voor de Nederlandse verzorgingsstaat evenzeer belangrijk – hypotheekrenteaftrek. Dit met als doel onze staatshuishouding weer op orde te krijgen en bij te dragen aan economisch herstel.

Over nut en noodzaak van de beoogde maatregelen valt vanuit sociaaleconomisch perspectief het nodige te zeggen. En dat gebeurt in overvloedige mate. Ook is er ruime aandacht voor de vraag of de ingrepen op een meerderheid kunnen rekenen in de Eerste Kamer – de achilleshiel van het kabinet Rutte II. Minder aandacht is er tot nu toe voor de juridische randvoorwaarden ten aanzien van de beoogde herijking van de verzorgingsstaat. Toch bestaat daar alle aanleiding toe, omdat daaraan uiteindelijk toch zal moeten worden voldaan en het risico op de loer ligt van rechterlijke interventie. Wat zijn die randvoorwaarden?

Bij het denken over juridische randvoorwaarden voor de verzorgingsstaat komen als eerste de sociale grondrechten in beeld. Daarbij kan worden gedacht aan het recht op bestaanszekerheid, spreiding van welvaart (de zo betwiste ‘nivellering’ is in zekere zin grondrechtelijk verankerd!), sociale zekerheid en bijstand zoals opgenomen in artikel 20 van onze Grondwet en in diverse verdragen. Voorts zijn relevant de sociale grondrechten inzake de bevordering van volksgezondheid, woongelegenheid en onderwijs uit artikel 22 respectievelijk 23 Grondwet en hun verdragsrechtelijke pendanten. Op grond van diverse verdragen is daarbij steeds bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen voorgeschreven.

Uit recente preadviezen van Vanneste en Konijnenbelt (Preadviezen voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland 2012, Den Haag 2012, p. 13-60 en p. 61-88) blijkt echter dat de betekenis van deze sociale grondrechten met betrekking tot de beoogde maatregelen op de keper beschouwd (nog) beperkt is. Uiteindelijk dienen deze rechten om een ieder een menswaardig bestaan te bieden en zolang dat niet in het gedrang komt, laten ze aan de politiek veel ruimte voor een belangenafweging. Daar komt nog bij dat afdwinging van de naleving van deze rechten bij de rechter moeilijk is vanwege het verbod van artikel 120 Grondwet om formele wetten te toetsen aan de Grondwet. Omzeiling daarvan via toetsing aan verdragen is lastig gebleken omdat de rechter doorgaans aanneemt dat het niet gaat om een ieder verbindende verdragsbepalingen. Daaraan kan op grond van artikel 93 en 94 Grondwet niet worden getoetst. Wel ligt daarin een extra aansporing besloten aan de politiek om – mede op basis van overleg met betrokken belangenorganisaties – bij het maken van de vereiste belangenafweging ruim aandacht te besteden aan de relevante sociale grondrechten. De Afdeling advisering van de Raad van State zou dat in haar advisering eveneens dienen te doen, zoals ook preadviseur Konijnenbelt voorstelt.

Hardere juridische randvoorwaarden vloeien voort uit de klassieke grondrechten, vanwege het toetsingsverbod met name de verdragsrechtelijk gegarandeerde rechten. Nu het bij de beoogde maatregelen op de een of andere wijze vaak gaat om het wijzigen van (bestaande) aanspraken in de wetgeving, springt daarbij als eerste het eigendomsrecht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM in het oog. Vanwege het ruime toepassingsbereik van dit eigendomsrecht vormen de beoogde maatregelen al gauw een inmenging in dit recht. Daarom moet worden voldaan aan de eisen voor een rechtvaardiging daarvan. Dit impliceert dat alle betrokken belangen – in overleg met relevante organisaties – zorgvuldig in kaart moeten worden gebracht en dienen te worden afgewogen. In dat kader moet adequaat worden gemotiveerd waarom de bewuste maatregelen noodzakelijk zijn. Daarbinnen bestaat er voor de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Voorkomen moet wel worden dat er voor betrokkenen sprake is van een persoonlijke en onevenredig zware last. Daarvoor zijn factoren van belang als een tijdige aankondiging, eventuele compensatie, overgangsrecht en het zo nodig voorzien in individuele hardheidsclausules (vgl. de voorlichting van de Raad van State, nr. W12.12.0147/III). Tegelijk moeten de maatregelen ook voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit het gelijkheidsbeginsel zoals dat onder meer is neergelegd in het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Daarbij kan worden gedacht aan verschillen in effecten van maatregelen voor diverse leeftijdscategorieën. Kort en goed komen deze vereisten er op neer dat er voor relevante verschillen een toereikende rechtvaardiging moet kunnen worden gegeven en dat deze geen disproportionele effecten mogen hebben. Ook hier geldt weer een ruime beoordelingsvrijheid voor de wetgever tenzij het een ‘verdacht’ onderscheid betreft zoals op grond van geslacht. Bij de toepassing van het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel is verder van belang dat in de (Europese) jurisprudentie een tendens waarneembaar is om daarin bepaalde aspecten van de hiervoor besproken sociale grondrechten in te lezen en daarbij ook rekening te houden met niet bindende oordelen zoals die van het comité dat toezicht houdt op de naleving van het Europees Sociaal Handvest.

Toch geldt ook ten aanzien van deze meer klassieke grondrechten dat een rechter op basis daarvan de beoogde maatregelen in feite alleen op inhoudelijke gronden kan tegenhouden wanneer deze kennelijk onredelijk zijn. Dat lijkt mij ook juist. Het afwegen van belangen op financieel-economisch en sociaal terrein en het maken van keuzen terzake is primair aan de politiek voorbehouden. Dit gegeven schept echter tegelijkertijd wel extra verplichtingen voor die politiek die ten volle is gebonden aan deze rechten. De politiek moet zeer zorgvuldig opereren en de gemaakte keuzen adequaat motiveren. Belangrijker is nog dat voorkomen wordt dat individuele personen door het ijs zakken en onevenredig worden geraakt. In dat opzicht kan de recente koopkrachtplaatjeshype dan ook alleen maar positief worden beoordeeld.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/2412, afl. 42, p. 2945.

Tom Barkhuysen

Naam auteur: Tom Barkhuysen
Geschreven op: 27 november 2012

Advocaat-partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Reinier Bakels schreef op :
De hypotheekrenteaftrek hoort in dit verhaal niet thuis. Eén van de redenen waarom vermindering van deze aftrek weerstand ondervindt is dat deze - ook door Barkhuysen - als bezuinigingsmaatregel wordt beschouwd. En dat wellicht inderdaad kan worden, afhankelijk van de uiteindelijke invulling.

Maar in eerste instantie zou een vermindering van de hypotheekrenteaftrek "budget-neutraal" worden uitgevoerd teneinde de huizenmarkt weer gezond te krijgen. Het misverstand ligt voor de hand dat mensen in dure huizen kunnen worden dank zij de HRA, maar in werkelijkheid zijn huizen zo duur door de HRA. Dat geeft allerlei complicaties, wan problemen voor "starters" tot een "hypotheekbel" als de leningen niet meer gedekt worden door de dalende prijzen van onroerend goed, met alle gevaren voor onze hele economie van dien. De HRA leidt ook in zoverre onrechtvaardig dat onze belastingtarieven vooral als je wat meer verdient reeds verdisconteren dat veel mensen HRA hebben, en dus erg hoog zijn voor de ongelukkigen die geen hypotheek hebben.

Maar met "verzorgingsstaat" heeft dit dus allemaal weinig te maken.
a.zecha schreef op :
In de Haagse politieke gremia (en media) wordt nog steeds gesproken over de “verzorgingsstaat” in Nederland. In mijn visie wordt zulks gedaan om politieke redenen. Zonder deze visie wezenlijk te veranderen kunnen de woorden “politieke redenen” worden vervangen door woorden als demagogische, reclame-, “public relations”, verkoop- of mediadoeleinden.

Met enig historisch besef (i.e. een effectieve vorm van bewustzijn dat “panta rei” voor al het bestaande geldt) zal een ieder (kunnen) “weten” dat de sociale (let op: er is niet “socialistische” geschreven!) “Nederlandse verzorgingsstaat” door het ontstaan van de zich langzaam uitdijend politiek liberaal kapitalistisch marktgedachtegoed wordt verstikt.
Om zulk een politieke rechtsstaat nog steeds te verkopen als een “verzorgingsstaat” is daarom niet te begrijpen.
Bovendien wordt onze “verzorgingsstaat” m.i. feitelijk overwegend bestuurd en gedirigeerd door de behoeften van niet-behoeftige generaties “rupsjes-nooit-genoeg”.
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.