Professorenprotest

Het zal een niet alledaags tafereel zijn, vrijdag 21 januari. Een cortège van tientallen, hopelijk honderden, vrouwen en mannen wandelend in toga door Den Haag. Op weg naar een bijzondere academische zitting. Cees Veerman spreekt hen toe over de toekomst van het hoger onderwijs. Een academische zitting als heus professorenprotest. Na de kunstsector uit nu ook de academische wereld het ongenoegen over de kabinetsplannen.

Een schreeuwerige bijeenkomst wordt het vast niet. Geen vlaggen, toeters en een scanderende menigte opgezweept door rectoren met pakkende oneliners. Wie die sfeer wil proeven moet verderop in Den Haag zijn bij de studentenmanifestatie. De ernst van de situatie is er niet minder om. Ook de academische wereld wordt de komende jaren hard door bezuinigingen getroffen. Behalve de reductie van 370 miljoen op het hoger onderwijs via strafkorting voor langstuderen, zal er – onder meer door het wegvallen van de FES-gelden (afkomstig van de aardgasbaten) – aanzienlijk minder geld beschikbaar zijn voor onderzoek.

Natuurlijk zijn we solidair in barre tijden, maar als rechtswetenschapper loop ik nog niet direct warm voor het protest. De gemiddelde rechtenstudie moet toch echt binnen de gestelde termijn te doen zijn, zeker nu het kabinet extra ruimte in studietijd lijkt te bieden. Het gevaar van strafkorting voor langstuderen zullen we daarom als juridische faculteiten in eerste instantie zelf hebben te adresseren. En van het wegvallen van de FES-gelden heb ik weinig te vrezen. Dit extra zakcentje was altijd al vrijwel uitsluitend weggelegd voor bètaonderzoek dat zich wenste te schikken naar de inhoudelijke wensen van departementen. Als het uitsluitend om de financiën gaat, heb ik als jurist meer te vrezen van de bezuinigingen die aan NWO en KNAW worden opgelegd. De laatste houdt rekening met een korting oplopend naar 10%.

Mijn echte zorgen zijn breder en fundamenteler. Het wetenschapsklimaat wordt niet alleen guur vanwege donkere wolken die zich samentrekken boven de budgetten van de universiteiten. Er is veel meer aan de hand. Fundamenteler, zeker voor rechtswetenschappelijk onderwijs en onderzoek, is de dreiging die schuilgaat achter het huidige politieke discours. In Den Haag zingt het adagium ‘innovatie’ rond. Vanuit een nogal naar binnen gekeerd technocratisch perspectief wordt wetenschap opeens sterk vereenzelvigd met innovatie. TNO is door het nieuwe ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatiebeleid (EL&I) ingelijfd, over de positie van NWO en KNAW wordt gesteggeld en alhoewel universiteiten blijven ressorteren onder OCW, krijgt EL&I een “doorzettingsmacht” als het om innovatiebeleid bij OCW gaat. Alleen al de term “doorzettingsmacht” doet het ergste vrezen. Dit nieuwe ‘denken’, overigens ondersteund door de VSNU, NWO en KNAW, is potentieel funest voor ons wetenschapsbeleid. Zeker als ‘innovatie’ op dezelfde beperkte en daarmee beschadigende wijze wordt opgevat als het innovatieplatform dat eerder deed. Als dit platform – maar overigens ook het ritueel rondom de FES-gelden - iets heeft laten zien, is het wel dat men in Den Haag geen ruimte weet te creëren voor creativiteit. Dat wetenschapsbeleid steeds sterker wordt geleid door departementale belangen. Dat Haagse systeemcontroleurs wars zijn van wetenschappelijke risico’s, omdat daarmee immers politieke risico’s worden gelopen. Mislukken valt (politiek) niet te verkopen. Onderzoekinvesteringen worden alleen dan gedaan als er garanties zijn voor valideren en ‘uitrollen’ van resultaten.

Maar eigenlijk staan de idealen en belangen van wetenschap en zeker wetenschapstradities van individuele disciplines al langer op de tocht. In vergelijking tot andere landen, zijn wetenschap en wetenschapsfinanciering in ons land uiterst afhankelijk van de overheid. Tegelijkertijd vindt besluitvorming over wetenschapsorganisatie en –financiering vrijwel volledig in Haagse circuits plaats. En die besluitvorming heeft steeds minder oog voor diversiteit en disciplinespecifieke eigenschappen in het kleurrijke wetenschapslandschap. De kwaliteit van onderzoek wordt afgemeten aan standaarden, scores en sterk internationaal georiënteerde prestatie-indicatoren. Ieder van mijn collega-wetenschappers die deel heeft uitgemaakt van een ‘ontschotte’ beoordelingscommissie, weet hoe moeilijk het is om collega-beoordelaars met een andere disciplinaire achtergrond ervan te overtuigen dat een jonge rechtswetenschapper die toevallig (nog) niet in de subsidieprijzen van NWO of Europa is gevallen toch echt een excellent onderzoeker is. Scores, subsidies, ‘grants’: steeds vaker worden ze gehanteerd als ogenschijnlijk objectieve en daarmee harde criteria, terwijl ze dat geenszins zijn. Welhaast ongemerkt groeien ze uit tot een zichzelf versterkend mechanisme. Steeds moeilijker is ook de bewijslast voor wie toevallig net een ander profiel heeft.

Ik ben ervan overtuigd dat het Nederlandse wetenschapssysteem de afgelopen decennia kwalitatief is verbeterd. Maar ik heb tegelijkertijd het gevoel dat we elkaar meer en meer blindelings opjutten met allerhande afrekenmechanismen en financiële ‘targets’ die hand in hand gaan met bureaucratie. Op het moment dat subsidietrajecten tot perverse reacties leiden en de hoeveelheid pagina’s van een visitatierapport met iedere volgende ronde verdubbelt, maar tegelijkertijd de uitkomst van dergelijke kwaliteitsmetingensystemen geen enkele positieve betekenis heeft omdat universiteiten niet langer over de vrije middelen lijken te beschikken om op bewezen kwaliteit te sturen, vraag ik me sterk af of de houdbaarheidsdatum van de beleidsassumpties niet is verstreken. Dat betekent niet dat het roer nu ineens radicaal om moet. Het betekent wel dat ons wetenschappers een grotere uitdaging te wachten staat dan een enkele tocht door Den Haag. Zoals de financiële crises de economische assumpties ter discussie stelde, moet het gure wetenschapsklimaat aanleiding zijn stil te staan bij de (ontsporende) effecten van het huidige wetenschapssysteem. Bovendien biedt het de kans onderwijs en wetenschap weer echt in relatie tot elkaar te bezien en bijvoorbeeld te doordenken wat de betekenis is van de uitdijende internationalisering van het juridisch onderwijs voor rechtswetenschappelijk onderzoek en rechtspraktijk.

Lees hier een brief van de organisatoren van het professorenprotest.

 

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2011/99, afl. 3, p. 141.



Bron afbeelding: lewishamdreamer

Corien Prins

Naam auteur: Corien Prins
Geschreven op: 17 januari 2011

Hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.