Prejudiciele vragen bij de Hoge Raad: ook iets voor strafzaken!

Sinds 1 juli 2012 is het mogelijk dat feitenrechters op grond van art. 392 Rv in civiele zaken prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen als het gaat om rechtsvragen die spelen bij een groot aantal zaken, zoals bijvoorbeeld ‘massaschade’-gevallen. De Hoge Raad kan zelf beslissen of de vraag zich leent voor een prejudiciële procedure. Dit is geen gewone cassatieprocedure omdat ook niet-partijen door de Hoge Raad in de gelegenheid kunnen worden gesteld hun standpunt in te brengen.

Na afronding van het partijdebat neemt de Procureur-Generaal een conclusie, waarop partijen weer kunnen reageren. Dan beslist de Hoge Raad, die ook nog de mogelijkheid heeft de vraag te herformuleren. Op 8 februari 2013 heeft de Hoge Raad zijn eerste prejudiciële beslissing genomen (LJN BY4889) waarbij het ging om de vraag of – heel kort samengevat – de grosse van een hypotheekakte ook een executoriale titel oplevert voor de inning van restantvorderingen, nadat het onderpand (het huis) executoriaal is verkocht en te weinig heeft opgeleverd voor de aflossing van alle door de hypotheekverlener (i.c. de Rabobank) verstrekte leningen. Kennelijk in de huidige economische crisis voor banken die tot executoriale verkoop moeten overgaan een veel voorkomende vraag, die door de Hoge Raad in één klap is beantwoord: executeren zonder rechterlijke tussenkomst op basis van de hypotheekakte kan alleen als de (omvang van de) vorderingen van de bank voldoende duidelijk in de akte zijn omschreven.

Het was de Commissie Hammerstein die in 2008 in haar rapport Versterking van de cassatierechtspraak het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad heeft aanbevolen. Maar waarom de beperking tot de civiele rechtspraak? Volgens de Commissie Hammerstein gebeurt het vooral in civiele zaken dat belangrijke rechtsvragen de cassatierechter niet of niet tijdig genoeg bereiken terwijl er wel een maatschappelijke behoefte bestaat aan een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad. Maar juist ook in de strafrechtspraak biedt de mogelijkheid van het stellen van prejudiciële vragen uitkomst, vooral daar waar het gaat om interpretatie van Straatsburgse uitspraken die een grote impact op de praktijk en feitenrechtspraak hebben, zoals de Salduz jurisprudentie over de rechtsbijstand in de fase van het politieverhoor. De Salduz uitspraak van het EHRM kwam op 27 november 2008 en het heeft tot 30 juni 2009 geduurd voordat de Hoge Raad een geschikte zaak kon aangrijpen om een richtinggevend arrest te wijzen, terwijl daaraan bij alle betrokkenen in feitelijke aanleg veel eerder behoefte bestond. Ook de wisselwerking tussen de Straatsburgse en Nederlandse jurisprudentie op het gebied van het horen van getuigen in strafzaken zou gebaat zijn bij de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen. Wat het recht op het horen van getuigen aangaat heeft de Hoge Raad onder invloed van Straatsburgse jurisprudentie vaak de koers moeten bijstellen en ook de Straatsburgse rechtspraak blijft zich ontwikkelen. In de zaken Al-Khawaja en Tahery (NJ 2012/283) heeft de Grote Kamer van het EHRM een nuancering aangebracht in de regel dat een veroordeling, die uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd is op een niet door de verdediging ondervraagde getuige, automatisch leidt tot een schending van art. 6 lid 1 en 3d EVRM. Over de gevolgen van die uitspraak wordt verschillend gedacht, met name waar het gaat om de invulling van de maatregelen die beperkingen op het ondervragingsrecht moeten compenseren en hoe sterk het steunbewijs moet zijn.1 Ook de eisen die gesteld mogen worden aan de inhoud van het ondervragingsrecht zijn aangescherpt nu het EHRM in de Vidgen-zaak (NJ 2012/649) een streep heeft gehaald door de standaardoverweging van de Hoge Raad, dat als een op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige weigert vragen te beantwoorden (bijvoorbeeld omdat hij zich op zijn verschoningsrecht beroept) dit op zichzelf geen schending oplevert van art. 6 lid 3d EVRM. De ratio achter de redenering van de Hoge Raad was dat art. 6 lid 3d EVRM niet méér inhoudt dan de verplichting de verdediging in de gelegenheid te stellen om een getuige (ter zitting) te ondervragen. Dat een getuige vervolgens geen antwoord geeft, kan de staat niet worden aangerekend. Volgens het EHRM is dit te formalistisch geredeneerd en staat een dergelijke situatie gelijk aan de onmogelijkheid om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Dit soort Straatsburgse arresten stellen de Nederlandse strafpraktijk dagelijks voor interpretatieproblemen. Een prejudiciële vraag kan sneller en beter voor richtsnoeren zorgen, die een effectievere implementatie van de Straatsburgse rechtspraak in de Nederlandse strafpraktijk bevorderen. Zeker waar het gaat om uitspraken die een verklaring van recht inhouden en dus onmiddellijke impact hebben op lopende zaken, zelfs met terugwerkende kracht, is het kunnen stellen van een prejudiciële vraag door de feitenrechter die deze rechtspraak moet toepassen absoluut nuttig. Het aantrekkelijke hiervan is dat niet gewacht hoeft te worden of en wanneer er een geschikte zaak bij de Hoge Raad komt. Bovendien is de Hoge Raad in de prejudiciële procedure minder gebonden aan de feiten, is er een principiëler debat mogelijk en heeft hij een grotere beoordelingsvrijheid dan in cassatie. Bij de behandeling van de Wet prejudiciële vragen heeft de minister toegezegd dat na twee jaar wordt bekeken of eenzelfde constructie kan worden ingevoerd voor strafzaken. Wat mij betreft hoeft het niet zo lang te duren.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/335, p. 407, afl. 7, p. 407.

Bron afbeelding: Oberazzi


1. Zie de noten van Schalken en Alkema bij NJ 2012/283; de conclusie van Vellinga bij HR 29-1-2013, LJN BX5539 en B. de Wilde, Het arrest Al-Khawaja & Tahery: het ondervragingsrecht uitgekleed? DD 2012/26.

 

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 12 februari 2013

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.