‘Open communicatie’ en het ‘boerkaverbod’

Bij lezing van het wetsvoorstel tot ‘instelling van een algemeen verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding' (kamerstuk 2011-2012, 33165) zal het menigeen vergaan als mij: heen en weer geslingerd worden tussen verbazing, amusement en ergernis. De uitleg volgt nu.

Verbazing

Volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt tot het tot stand brengen van nieuwe regelgeving alleen besloten als de noodzaak ervan is komen vast te staan. Het wetsvoorstel voldoet – zelfs naar eigen zeggen – niet aan deze norm. De considerans spreekt niet van noodzaak maar van wenselijkheid. Maar och, misschien blijkt de noodzaak wel ergens anders uit, zo denk je. Die moet dan te vinden zijn in de memorie van toelichting. Daar wordt inderdaad op enige plaatsen gesproken van ‘geboden’ en ‘noodzaak’ We nemen dus maar aan dat de term in de considerans een misser is . Vervolgens rijst de vraag waarop die noodzaak berust. Het antwoord luidt op vele plaatsen in de memorie en in soms ingewikkelde en moeilijk te begrijpen bewoordingen steeds hetzelfde: het verbod is nodig in verband met een wezenlijk kenmerk van onze samenleving, te weten ‘open communicatie’.

Onze samenleving wordt volgens de memorie gekenmerkt door een maatschappelijk verkeer waarin ‘men elkaar op herkenbare wijze tegemoet treedt, waarin men elkaar in het gezicht kan zien en waarin open communicatie mogelijk is’. Telkenmale keert die open communicatie terug, maar nergens wordt uiteengezet wat dat is. Zonder dat kunnen zien is volgens de minister kennelijk geen ‘open communicatie’ mogelijk. Dit betekent dat bij een gewoon telefoongesprek, een brief, een e-mail geen sprake is of kan zijn van ‘open communicatie’. Een blinde of slechtziende kan niet open communiceren, en vrijen in het donker of met de ogen dicht is verdacht in het licht van open communicatie.

Berust het wetsvoorstel niet op één grote vergissing en wel dat van de ‘open communicatie’ in de zin van het voorstel? Ik versta daaronder iets geheel anders dan de minister, mevrouw Spies. Open communicatie is vooral: geen onwaarheid vertellen, er niet omheen draaien, voor de ander begrijpelijk en consistent argumenteren. Dat doet het wetsvoorstel niet. Het toont nergens een noodzaak aan, het bevat geen cijfers inzake de omvang van de veronderstelde problematiek, het is inconsistent, het argumenteert met bij u en mij veronderstelde gevóelens. Een fraai voorbeeld van vreemde argumentatie is het feit dat de memorie van toelichting stelt dat onze maatschappelijke orde is gebaseerd op vrijheid voor iedereen zich te gedragen zoals dat bij hem past, voor zover de vrijheid van anderen daardoor niet wordt beperkt. Met deze stelling heb ik weinig moeite. In het verband van het wetsvoorstel zou men nu verwachten dat vervolgens wordt uitgelegd in welk opzicht en in welke mate het dragen van gezichtsbedekkende kleding de vrijheid van anderen beperkt en dus maatregelen nodig zijn of kunnen zijn. Niets daarvan. De memorie stelt slechts dat spelregels nodig zijn die ‘bevorderen dat men elkaar kan vertrouwen en dat men niet de schijn wekt iets te verbergen te hebben’.

Verbazingwekkend is ook de zeer geringe aandacht voor de persoonlijke levenssfeer. Ook in de zogeheten publieke ruimte kan er behoefte zijn aan anonimiteit of moeilijke herkenbaarheid. Niet voor niets zijn er auto’s, voorzien van glas waar men van buiten niet doorheen kan kijken (bewindslieden, zakenlieden, toffe jongens), zien we enorme, al dan niet spiegelende zonnebrillen, prachtige en elegante voiles. Nee, uit het oogpunt van steekhoudende argumentatie is het wetsvoorstel verbazingwekkend zwak, wat ook het oordeel van de Raad van State was.

Amusement

Halve of hele onzin wil wel eens een glimlach oproepen, een troost bij ellende. Dit wetsvoorstel doet dat op diverse plaatsen ook. Hier volgt een aantal voorbeelden.

Het eerste is dat de wetstekst zelf alleen spreekt van kleding die het gezicht bedekt dan wel onherkenbaar maakt. Een gezicht schminken mag volgens de toelichting echter wel. Kennelijk heeft de scribent van de toelichting geen weet van de kunde van grimeurs, of is het argument van de ‘open communicatie’ even uit het oog verloren?

Vermakelijk is de volgende passage uit de memorie van toelichting: ‘In de kern berust het (…) verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding (…) op gelijke overwegingen als het al lang bestaande verbod om zich geheel onbedekt op straat en publieke ruimten te bewegen’. Zou het uit het oogpunt van ‘open communicatie’ niet in de rede liggen het al lang bestaande verbod op ‘bloot’ te schrappen?

Ook de opsomming van de situatie waarin het verbod niet geldt, roept een glimlach op, met name die in artikel 1, onder c. Het zijn, afgezien van Halloween, alle feesten en evenementen met een vooral christelijke achtergrond. Waarom ontbreken andere? Waarom zijn de in het voorstel opgesomde situaties uitgezonderd van het verbod? De memorie bevat geen verklaring. Vermoedelijk is het zo gegaan: een paar ambtenaren moeten het (ellendige) wetsvoorstel voorbereiden en komen al snel tot de conclusie dat het verbod in diverse situaties niet kan gelden of ridicuul is. De serieuze zijn te vinden in de onderdelen a., b., en d. van artikel 1, die onder c. vormen het resultaat van een lange zoektocht op het departement en thuis naar omstandigheden waarin het gezicht wel eens verborgen is. Zelf associeer ik overigens gelaatsbedekkende kleding niet onmiddellijk met Sinterklaas (wel schmink), Kerstmis of Pasen.

Ten slotte verdient in het verband van het (mijn) amusement het volgende zinnetje in de memorie van toelichting de aandacht: ‘Het verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding geldt voor iedere vorm van gelaatsbedekking, ...'. Als dat zo zou zijn, gaat het wetsvoorstel veel verder dan een verbod met betrekking tot kleding en mag een mens bijvoorbeeld niet meer met zijn handen voor zijn gezicht (hij kijkt wijselijk wel door de spleten tussen zijn vingers) in de, wat ik nu maar noem, publieke ruimte verkeren.

Ergernis

Het voorstel als zodanig zal bij vele weldenkende mensen ergernis oproepen, al was het maar omdat het een non-probleem tot object heeft, geen degelijke argumentatie bevat en zich bevindt in de sfeer van halve en hele onwaarheden debiteren. Op diverse plaatsen bevat de memorie ook nagenoeg onzin, en het beroerde daarvan is dat er moeilijk tegen valt te argumenteren.

Er zijn nog andere redenen voor ergernis.

De eerste is er een die ook onder de rubriek verbazing een plaats had kunnen vinden. Het gaat om de keuze voor strafrechtelijke sanctionering van het verbod. Afgezien van het argument van de rechtsgelijkheid in het hele land, wordt de keuze als volgt gemotiveerd: ‘Daarnaast biedt het strafprocesrecht een betere bescherming aan de dader en kunnen bij strafoplegging door de rechter eventueel bijzondere motieven van de dader worden meegewogen’. Deze zin verdient, afgezien van de vraag of hij geheel juist is, veel aandacht, nu en in de toekomst. Hier stelt een minister zelf dat bij bestuurlijke boetes en de daaraan verbonden procedures minder rechtsbescherming bestaat dan in het strafrecht. Dat wordt al jaren ontkend in het kader van de invoering van weer een nieuwe sanctie die door het bestuur mag worden opgelegd. Het is tekenend voor bepaalde vormen van onwaarachtigheid in Den Haag.

Een tweede reden voor ergernis is, dat de minister kennelijk uit het oog verliest dat er in Nederland bijzonder onderwijs bestaat. Voor dat onderwijs staat een verbod als het onderhavige op gespannen voet met de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van onderwijs.

Een derde reden voor ergernis vormen taalfouten en andere onnauwkeurigheden. Zo wordt gesproken van het van kracht gaan van wetten, heet een Frans wetsvoorstel: Projet de loi interdisant du visage dans l’espace public’ (sic) en is de verleden tijd van het woord aanvaarden ‘aanvaarde’. Over communicatie gesproken.

Prof.mr. C.A.J.M. Kortmann is emeritus hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Dit artikel is verschenen in NJB 2012/11.

Naam auteur: C.A.J.M. Kortmann
Geschreven op: 19 maart 2012

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Hans schreef op :
Het is onwaarschijnlijk dat praktiserende moslima's die standvastig zijn in hun geloof dit verbod zullen aanvaarden. Wat ik voorspel is dat moslima's die burka's dragen (want dat is inderdaad de doelgroep waar het allemaal om draait in het wetsvoorstel) noodgedwongen afstand zullen doen van de Nederlandse samenleving aangezien ze zich niet meer kunnen begeven op openbare plaatsen en in openbare gebouwen. Zowel minderjarige meisjes als vrouwen uit deze groep worden ook nog eens belemmerd, omdat ze geen onderwijs meer kunnen volgen. (ik neem daarbij aan dat zij hun boerka niet af zullen doen om onderwijs te kunnen volgen) Wat het nog verschrikkelijker maakt is dat gezichtsbedekkende kleding wel toegestaan is tijdens christelijke e.d. gelegenheden. De wetgever komt hier dus niet alleen aan de vrijheid van godsdienst, maar ook aan de gelijkheid van burgers en het recht op onderwijs. Het gaat zeker niet om het aantal vrouwen die boerka's dragen, want al ging het maar om één individu alsnog zou je als staat over deze fundamentele grondrechten moeten waken. Beperking van deze grondrechten met een FLUT wetsvoorstel als deze is naar mijn mening spelen met vuur.
a.zecha schreef op :
Een rechtsstaat die haar vrouwelijke burgers een burka-draag-verbod oplegt is de gelijkwaardige evenknie van een rechtsstaat die haar vrouwelijke burgers een burka-draag-plicht oplegt.
a.zecha
theo rosier schreef op :
Zie ook het volgende bericht op http://rechtstheorieuu.wordpress.com/ :

Uit onlangs uitgelekte documenten (Bijlagen Tweede Kamer 2011-2012, 33165, nr. 3) blijkt dat de VVD met steun van de PVV nog een aantal nieuwe maatregelen op het oog heeft om de onderdrukte vrouw en de angstige burger in onze samenleving te beschermen. Hieronder de belangrijkste passages:

“Het is niet verenigbaar met de maatschappelijke orde zoals wij die in ons land kennen wanneer vrouwen zich op een wijze kleden die begrepen kan worden als uiting van een eigen, niet gelijkwaardige positie in het openbare leven. Het dragen van hoofddoekjes en boerkini’s staat in onze maatschappij immers symbool voor een positie van vrouwen die ondergeschikt is aan die van mannen, althans een positie waarin zij zich, anders dan mannen voor de blikken van mannen hebben te verbergen. [...] Ook valt niet uit te sluiten dat vrouwen die het huishouden doen en niet buitenshuis werken, dit in voorkomende gevallen niet uit eigen overtuiging doen, maar zich door sociale druk van familie of traditie, of door feitelijke druk van personen uit hun naaste omgeving gedwongen voelen. Een verbod op huishoudelijke arbeid door vrouwen zou hen daartegen beschermen. We weten bovendien dat vrouwen zich vaak overgeven aan seks, niet omdat ze dat zo graag willen, maar omdat ze zich door feitelijke druk van hun partner daardoor gedwongen voelen. Een verbod op seks zou hen ook daartegen beschermen. [...] Onze maatschappelijke orde is gebaseerd op vrijheid voor iedereen om zich te gedragen zoals dat bij hem past, voor zover de vrijheid van anderen daardoor niet wordt beperkt. Daarvoor zijn spelregels nodig die bevorderen dat men elkaar kan vertrouwen en dat men niet de schijn wekt iets kwaads in de zin te hebben. Het op openbare plaatsen dragen van bomber jacks, voetbalshirts, skin-head kapsels, matjes, leren motorpakken, kistjes, en tattoos op ontblote biceps is in strijd met die spelregels en een potentiële aantasting van het vertrouwen tussen burgers.”

In een mondelinge toelichting zei Wilders dat het ook verstandig zou zijn om Christenen te verplichten in ieder geval de Eerste brief van Paulus aan de Korintiërs uit hun bijbel te scheuren. VVD en PVV waren tevens van oordeel dat veel gewonnen zou zijn bij een algemeen verbod van de Bijbel en de Koran, omdat beide boeken zulke duidelijke symbolen van vrouwenonderdrukking zijn. Die maatregelen waren voor het CDA echter onbespreekbaar.
Reinier Bakels schreef op :
Wat een geestig verhaal van professor Kortmann! Ik vond dat boerka verbod al een misselijke knieval van het CDA voor de PVV, maar nu dringt de onzinnigheid pas goed tot mij door!

Ze hadden willen zeggen: als moslim mag je hier niet rondlopen met gezichtsbedekkende kleding zoals die in sommige "moslimlanden" wordt gedragen - maar die formulering durfden ze toch niet aan.

Het leidende uitgangspunt is: "hun(!) horen hier gewoon(!) niet". Netzomin als Polen.
Frank Jaspers schreef op :
Het gebod voor de joden tot het dragen van een gele ster tijdens de Duitse bezetting en het verbod van het dragen van gezichtsbedekkende kleding hebben een ding gemeen: het zijn kledingvoorschriften.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.