Ons wrakingssysteem moet overboord: een voorstel voor verandering

Ons systeem van wrakingen moet overboord.1 Het is anno 2012 niet meer te verkopen dat rechters van de eigen rechtbank bepalen of collega’s zich tegenover een rechtzoekende partijdig hebben opgesteld of de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Het gaat hierbij niet alleen om de wijze waarop het steeds kritischer wordende publiek ertegenaan kijkt, maar evenzeer om de onderlinge verhoudingen binnen het gerecht zelf. Naaste collega’s moeten niet op deze wijze met elkaar worden geconfronteerd.

Misbruik van wraking

Bovendien wordt het instituut wraking veelvuldig misbruikt om vertraging in het proces te bewerkstelligen. Zo benutten raadslieden in strafzaken de wettelijke regeling over wraking vaak, als de rechtbank, in weerwil van hun verzoek, niet bereid is de zaak van hun cliënt aan te houden. Aangezien tegen die beslissing – net als overigens tegen beslissingen over wraking – geen rechtsmiddel openstaat, kan men haar gebruiken als hefboom om een wrakingsincident in werking te zetten. Met alle respect voor de integriteit van verreweg de meeste leden van de balie bevinden zich onder hen ook advocaten die zich erg gemakkelijk in dienst van querulerende klanten stellen. Al deze problemen kunnen eenvoudig (d.w.z. met een enkele wetswijziging) worden verholpen door vragen over – schijn van – partijdigheid aan de volgende (en dus hogere) instantie over te laten.

Dat ons huidige systeem tot onplezierige gevolgen in het persoonlijke vlak kan leiden, heeft de zaak die HR-president Geert Corstens zo ongaarne noemt, wel duidelijk gemaakt. ‘Fence mending’ is nodig geweest om de scherpe kantjes eraf te halen. De wet (art. 515 lid 1 Wetboek van Strafvordering) laat de mogelijkheid wel open dat een ander gerecht over het wrakingsverzoek beslist, maar in de praktijk gebeurt dat alleen in uitzonderingsgevallen. Zo is in het tweede deel van de zaak die Corstens niet graag noemt, een Haarlemse combinatie gereed gehouden (en ingezet) om wrakingsverzoeken tegen (leden van) de Rechtbank Amsterdam te behandelen. Dit had voor een deel te maken met het uitputten van beschikbare wrakingsrechters. Verder is wel gesuggereerd alleen in gevoelige kwesties, zoals de wraking van de president van een gerecht, uit een ander gerecht te putten (zie hierover aant. 7 bij boek IV, titel IV T&C Strafvordering en NJB 2001, p 367-369).

Zou men beslissingen over wrakingsverzoeken altijd aan zusterrechtbanken moeten overlaten? Dat lost het probleem van interne collegialiteit en schijn van betrokkenheid naar buiten misschien op. Het heeft echter een zo mogelijk nog groter vertragend effect. Kan men er binnen een gerecht nog wel voor zorgen dat een wrakingskamer op afroep beschikbaar is, voor een combi die van buiten moet komen, is dat hooguit in specifieke gevallen af te spreken, maar zeker niet als regel. Advocaten die zand in de machine willen strooien, wordt op die manier een lastig te bestrijden en machtig wapen in handen gegeven. Een voortzetting op dezelfde dag zou dan vrijwel illusoir worden. Nadeel blijft bovendien dat een gerecht van hetzelfde niveau over de wraking beslist.

Wraking pas in hoger beroep

De discussie over de eventuele (schijn van) partijdigheid van rechters kan veel beter in hoger beroep worden gevoerd. De wet zou dan moeten bepalen dat, als bij de behandeling op het lagere niveau van (een schijn van) partijdigheid sprake is geweest, de hogere rechter de uitspraak van de lagere rechter om die reden kan vernietigen. Mij dunkt dat nietigheid dan ook de enig mogelijke sanctie kan zijn. Daarmee wordt uitgedrukt hoe ernstig de overtreding is en hoezeer rechters zich van het belang van hun onpartijdigheid bewust moeten zijn.

We worden dan ook van het vertragende effect van wrakingsverzoeken verlost, want in de hier voorgestelde opzet handelt de rechter (of de rechtbank) tegen wie het wrakingsverzoek is gericht, de zaak ook na het indienen van het wrakingsverzoek helemaal en zonder onderbreking af. Het hoger beroep kan zich dan desgewenst mede op de wraking richten – als degene die het verzoek indient, dat tenminste nog wil. Men kan zich ook indenken dat hij in weerwil van zijn bedenkingen over de partijdigheid van de rechter(s) uiteindelijk met de uitspraak tevreden is en zijn wrakingsplannen laat vallen.

Onpartijdige rechter?

Moet de procespartij die aan de onpartijdigheid van een rechter twijfelt, dat al tijdens de behandeling van de zaak door die rechter kenbaar maken? Jazeker, want de rechter moet de kans hebben zich terug te trekken. Dat zal hij doorgaans ook doen, als hij vindt dat de partij die het probleem aankaart, een punt heeft. Goed denkbaar is dat hij zich van zijn mogelijk conflictueuze positie aanvankelijk niet bewust was en zich pas als gevolg van het wrakingsverzoek realiseert dat hij de zaak (beter) niet kan behandelen. Hij zal daarbij doordrongen zijn van de zwaarte van de sanctie die de zaak treft, als de volgende instantie het beroep op een gebrek aan onpartijdigheid honoreert. Denkbaar is natuurlijk ook dat de informatie die tot het verzoek tot vernietiging leidt, pas na afloop aan het licht treedt. In dat geval moet de partij die daarop een beroep doet, de mogelijkheid hebben deze pas in de volgende instantie in te brengen.

De verplaatsing van de discussie over wraking naar de hogere rechter (van rechtbank naar hof en van hof naar Hoge Raad) heeft als evident voordeel dat het niet meer de eigen collega’s zijn die over een wrakingsverzoek oordelen. Dat is zowel voor de interne verhoudingen als voor het beeld naar buiten beter. Verder zullen minder wrakingsverzoeken worden ingediend, omdat ze niet meer het hiervoor al genoemde zand in de machine kunnen strooien. Procedures die nu zouden worden onderbroken, gaan gewoon door, met de gewraakte rechter(s) erbij – tenzij de rechter zich uit zichzelf terugtrekt.

Huidige praktijk

Maar is dat nu zoveel anders dan de huidige praktijk, waarin wrakingsverzoeken in een uiterst klein aantal gevallen worden gehonoreerd en verreweg de meeste zaken uiteindelijk toch dezelfde rechter(s) onder het vonnis hebben staan? Anders is het hooguit, omdat de onderbrekingen tegenwoordig niet meer een kwestie van uren, maar soms van dagen zijn: wrakingskamers komen lang niet altijd meer op afroep opdraven, maar worden volgens zittingsschema’s ingeroosterd. De behandeling van een wrakingsverzoek heeft dan dus pas dagen – of soms weken – na de wraking plaats. Organisatorisch is winst dat de gerechten geen wrakingskamer meer hoeven in te richten. In de gerechten waar wrakingskamers nog wel kort na het indienen van het wrakingsverzoek bij elkaar komen, wordt het werk van de wrakingsrechters niet meer op onhandige momenten onderbroken.

De uiterste sanctie van nietigheid zal ervoor zorgen dat de instantie die daarover moet beslissen, dit met de grootste zorgvuldigheid zal doen. Anderzijds moet de vernietiging ook gewoon kunnen worden uitgesproken, als daartoe aanleiding bestaat. Het is uiteindelijk een ernstige schending van de procesorde, als een rechter aan wie een partijdigheidssmet kleeft, aan de procedure meedoet. Maar dat is dan ook iets wat een gerecht zonder directe banden met de betrokkene met meer distantie zal kunnen doen.

Het is duidelijk dat het bovenstaande opmerkingen vooral op strafzaken betrekking hebben. Wrakingen zijn in de strafsector doorgaans het meest verstorend. Principieel is er echter geen reden waarom tot een verplaatsing van de beslissing over wrakingen naar de hogere instantie niet ook voor de andere rechtsgebieden zou kunnen worden besloten. Denkbaar is dat dat bij wijze van test eerst in de strafsector gebeurt en vervolgens – indien nodig en gewenst – ook in de andere sectoren.

Mr. W.F. Korthals Altes is senior rechter in de Rechtbank Amsterdam. Dit artikel is verschenen in NJB 2012/1761, afl. 30, p. 2131.


1. Graag dank ik mijn vriend en collega Fred Salomon voor zijn kritische input.



Naam auteur: Willem F. Korthals Altes
Geschreven op: 11 september 2012

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Postma schreef op :
Het kan zijn dat de (schijn van) belangenverstrengeling zich pas openbaart na de aanvang van de mondelinge behandeling en zelfs na het verstrijken van de termijn om in hoger beroep of cassatie te gaan. Blijft de rechtzoekende dan in de kou staan?

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.