Onrechtmatige rechtspraak

De aansprakelijkheid van de staat voor onrechtmatige rechtspraak is een onderwerp waarin al vier decennia weinig beweging valt te ontwaren. In een standaardarrest oordeelde de Hoge Raad in 1971 (NJ 1972, 137) dat de staat in beginsel niet aansprakelijk is voor schade uit onrechtmatige rechterlijke beslissingen.

Zo'n onrechtmatige daadsactie kan slechts bij hoge uitzondering slagen, aldus de Hoge Raad. Het moet dan gaan om een veronachtzaming van een fundamenteel rechtsbeginsel bij de voorbereiding van de beslissing, zodat er van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak geen sprake is. De strikte benadering die de Hoge Raad in dit inmiddels belegen standaardarrest heeft geformuleerd, is nog altijd de geldende leer. Nu kan de vraag worden opgeworpen of de houdbaarheidsdatum van dit arrest inmiddels niet is verstreken en of niet een versoepeling van het aansprakelijkheidsregime moet worden overwogen.

Een veel gehoord argument tegen aanvaarding van civielrechtelijke aansprakelijkheid van de staat voor onrechtmatige rechtspraak is het zogenaamde floodgate-argument. Een stortvloed aan claims tegen de staat betekent een aanslag op publieke middelen. De vrees bestaat daarnaast dat de mogelijkheid om in een actie uit onrechtmatige daad op te komen tegen een (hoogste) rechterlijke uitspraak het rechtssysteem ontwricht. Bovendien, geschillen moeten eens eindigen. Een herkansing in een uitgeprocedeerde zaak in de vorm van een onrechtmatige daadsactie tegen de staat is met dat beginsel niet te rijmen. Ook past zo'n herkansing niet in het wettelijk systeem van rechtsbescherming. Het uitgangspunt is immers dat de wet een beperkt aantal (buiten)gewone rechtsmiddelen kent om op te komen tegen een rechterlijke uitspraak. Een 'herziening' van een rechterlijk oordeel in een onrechtmatige daadsactie zou een oneigenlijke inbreuk maken op dit stelsel. In het verlengde hiervan wordt wel aangevoerd dat een (te) ruime overheidsaansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak op gespannen voet staat met het rechtszekerheidsbeginsel. Toch is dat, op de keper beschouwd, niet het geval. In een onrechtmatige rechtspraakprocedure wordt de betwiste uitspraak namelijk niet overgedaan. Die uitspraak blijft gewoon gelden (tussen partijen) en het geschil op zich wordt niet herzien. In die zin is er van een inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake, noch van een inbreuk op het wettelijk rechtsbeschermingsstelsel.

Dat een andere - meer coulante - benadering mogelijk en noodzakelijk is, volgt om te beginnen uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In de zaak Kudla (AB 2001, 275) heeft het EHRM bepaald dat verdragsstaten moeten voorzien in een nationaal rechtsmiddel tegen de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van een gerechtelijke procedure. Een schadevergoedingsprocedure is daarvoor volgens het Hof toereikend. Inmiddels staat vast dat bij (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn door de rechter (of een bestuursorgaan) met succes bij de nationale rechter een beroep moet kunnen worden gedaan op schadevergoeding wegens onrechtmatige rechtspraak. Het strikte criterium van de Hoge Raad kan in die gevallen niet gelden. Daarnaast wijst ook EU-rechtspraak in de richting van een meer coulante overheidsaansprakelijkheid. Op grond van (onder meer) het - overigens niet onomstreden - Köbler-arrest (AB 2003, 429; vgl. voor kritiek Wattel, CMLR 2004, p. 177-190) geldt namelijk dat een kennelijke (manifeste) schending van EU-recht in een rechterlijke beslissing moet leiden tot overheidsaansprakelijkheid op nationaal niveau. Hierbij hoeft het niet te gaan om de schending van een procedurele norm bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing (zoals bij de uitzonderingsregel van de Hoge Raad). Ook de kennelijke schending van een inhoudelijk EU-voorschrift kan leiden tot aansprakelijkheid. Het moet wel telkens gaan om een beslissing in hoogste instantie, waartegen geen rechtsmiddel meer open staat. Het Hof van Justitie van de EU benadrukt bovendien dat het gaat om uitzonderlijke gevallen. Dit komt tot uitdrukking in de toevoeging 'kennelijke'. Deze EU-norm is echter minder restrictief dan de norm van het standaardarrest uit 1971 die nog altijd geldt voor niet EU-rechtelijke gevallen.

Er zijn (valide) argumenten voor een terughoudende benadering van overheidsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak. De vraag is alleen of die argumenten ook de zeer restrictieve rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigen. Een verruiming van het aansprakelijkheidsregime hoeft namelijk niet noodzakelijk tot een ontwrichting van het rechtssysteem te leiden. Een ruimhartiger regime betekent immers niet een lichtvaardig regime. Een verruiming van het criterium komt bovendien tegemoet aan een serieuze behoefte om onrechtvaardige situaties die door toedoen van de staat ontstaan, recht te zetten. Ook wordt er de rechtsongelijkheid mee ongedaan gemaakt die is ontstaan tussen nationale gevallen enerzijds en EU-rechtelijke gevallen en onredelijke termijnoverschrijdingen anderzijds. In de literatuur is dan ook herhaaldelijk gepleit voor een coulanter aansprakelijkheidsregime (zie de bijdrage van Barkhuysen, Van Emmerik & Van der Hulle, in: Coulant compenseren? Over overheidsaansprakelijkheid en rechtspolitiek, Deventer 2012, p. 236-253 met nadere verwijzingen). Er zijn in dat kader contouren geschetst voor de wijze waarop aan een meer coulant stelsel vorm kan worden gegeven. Met het oog op de rechtseenheid moet er een uniform toetsingsstelsel komen, ongeacht de norm die wordt geschonden: zij het een EU-norm of nationale norm, zij het een procedurele of inhoudelijke norm. Ook moet worden afgestapt van het criterium dat de schending een fundamentele norm betreft. In plaats daarvan kan worden uitgegaan van een 'kennelijke schending', in de zin van het Köbler-arrest. Wel kan worden vastgehouden aan het vereiste dat alleen een schending door de hoogste rechter aansprakelijkheid van de staat oplevert. De aldus beoogde drempel is nog steeds hoog genoeg om een 'droste-effect' te voorkomen. Deze contouren vormen dan ook een goed uitgangspunt voor de noodzakelijke herziening van het standaardarrest van 1971.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/1466, afl. 26, p. 1777.

Tom Barkhuysen

Naam auteur: Tom Barkhuysen
Geschreven op: 9 juli 2012

Advocaat-partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Philip schreef op :
Het is heel begrijpelijk dat de HR iedere aansprakelijkheid van onrechtmatige rechtspraak afwijst, de rechtspraak is immers afhankelijk van de financiering door de overheid. Advocaten zijn door de NOvA verplicht om Euro 150 /uur te vragen zonder enige beperking op het aantal te declareren uren terwijl de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand slechts Euro 108 per uur met een maximum van 10-17 uren. De verplichte procesvertegenwoordiging kost een zelf betalende justitiabele al snel Euro 20.000 terwijl de overheid niet meer dan Euro 2000 betaald voor een zaak. Europese verdragen staan hoge financiele barrieres voor de toegang tot een rechter op basis van te hoog griffierecht niet toe, maar wel exorbitante facturering door advocaten waar je niet omheen kunt. Een zelf betalende justitiabele financiert eveneens voor een deel justitiabelen met een toevoeging. Dat nog daargelaten dat als reden voor de verplichte procesvertegenwoordiging de drogreden zelfbescherming wordt gegeven i.p.v. bescherming wederpartij om aan art. 21 Rv te voldoen en geen aangepaste documenten aan de lijdende rechter te overleggen. De civiele rechtspraak is niets anders dan beschreven in art. 326 Sr, dus nagenoeg alle civiele rechtspraak is onrechtmatig en loopt financieel volledig vast als de overheid daarvoor schade moet vergoeden en de floodgate open gaat.
groot schreef op :
Het bestuursrecht is mede tot stand gekomen door EHrvM juist om de burger te beschermen tegen de overheid. Er is al jaren aangedrongen op de herziening van de AwB ook t.a.v. bescherming van de burger (m.n. het bewijsrecht is een zwak punt in de AwB en rechters kunnen hier niet mee omgaan als gevolg van onvoldoende inhoudelijke en contextuele kennis (daarmee wordt niet bedoeld juridische kennis).
a.zecha schreef op :
Een overweging bij dit moedige artikel is m.i. een groeiend besef dat de bestuurlijke wetgeving en rechtspraak er in praktijk vooral op gericht is om het publieke bestuur te vrijwaren tegen enige schade.
Enkele - veelal gedateerde - redenen voor deze vrijwaring worden in het artikel vermeld.

Mijns inziens is de bescherming en de vrijwaring van het publiek bestuur te ver doorgeschoten ten nadele van de bescherming van schadelijdende burgers.
Ter illustratie hiervan enkele uit vele voorbeelden:
- de in elkaar geknutselde wettelijke bescherming van zgn. klokkenluiders;
- zelfs geen verontschuldiging voor de slachtoffers en -doden door de Q-koortsepidemie dat al jaren bij betrokken ministers bekend was en tot generlei maatregel leidde;
- de met het aantal vluchten lineair toenemende sterke luchtverontreiniging rond Schiphol;
- de affaire Odfjell die al vele jaren bekend is en pas onder druk van de media leidde tot staatsoptreden.

Ernstiger is m.i. het voorgenomen afschuiven van de verantwoordelijkheid van de staat voor de veiligheid, gezondheid en leefklimaat van haar burgers naar de vrije marktdeelnemers waarmee de staat en haar politici verstrengeld zijn geraakt.
In samenhang gezien met (voorgenomen) beperkingen van WOB en toegang voor burgers tot het recht en andere ontwikkelingen schuift onze democratie op naar een “democratie met sterke asymmetrische machtsverhoudingen” waarin individuele burgers in feite het moderne stemvee en de slaven zijn in de nieuwe “vrije-markt-democratie”.
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.