Onafhankelijkheid advocatuur in gevaar

De Advocatenwet, die bijna 60 jaar geleden van de Orde van Advocaten een publiekrechtelijk lichaam maakte met de nodige onafhankelijkheid ten opzichte van de overheid, is in revisie. Er ligt een voorstel bij de Tweede Kamer waarin in een nieuw artikel 10a de kernwaarden van de advocatuur worden vastgelegd: onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en geheimhouding.

Dat zijn mooie waarden, al is naar aanleiding van de formulering van sommige daarvan ernstige bezorgdheid bij de balie ontstaan. Zo moet de advocaat onafhankelijk zijn ten aanzien van de cliënt, derden en zaken, maar wordt de overheid daarbij niet expliciet genoemd en geldt partijdigheid in het wetsvoorstel alleen ten aanzien van gerechtvaardigde belangen van de cliënt. Ook de formulering van geheimhoudingsplicht eindigt met de woorden “binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen”. Wat dit allemaal kan gaan betekenen blijkt uit het conceptvoorstel van de Tweede nota van Wijziging1 dat in juli 2011 in consultatie is gegaan. Hierin wordt het toezicht op de advocatuur geregeld. Volgens de regering schiet het bestaande en door de NOvA voorgestane toezichtsmodel waarin de eindverantwoordelijkheid berust bij de lokale dekens, tekort: “De onafhankelijkheid is in dit model onvoldoende gewaarborgd omdat de dekens zelf advocaat zijn.” De regering wil een einde maken aan de ruime mate van discretionaire bevoegdheid van de dekens bij het toezichtsbeleid. De koers die hierbij wordt ingezet, gaat in tegen alle externe adviezen die hiertoe zijn ingewonnen.2 Uit de Tweede nota van wijzigingen wordt duidelijk dat de onafhankelijkheid van de advocatuur, als het aan de regering ligt, wordt vervangen door onafhankelijkheid van toezicht op de advocatuur. De NOvA komt namelijk onder toezicht van een in haarzelf getransplanteerd onafhankelijk orgaan, het College van Toezicht dat bestaat uit drie leden die niet afkomstig mogen zijn uit de advocatuur en die op voordracht van de minister van Veiligheid en Justitie op aanbeveling van de Algemene Raad van de NOvA worden benoemd. Dit CvT krijgt de eindverantwoordelijkheid over het toezicht op de advocatuur, kan zelfstandig onderzoek (laten) verrichten ook als er geen concrete aanwijzing is dat er iets mis zou zijn, aanwijzingen geven aan dekens, die met de uitvoering van het toezicht blijven belast en onwillige dekens voordragen voor schorsing door het Hof van Discipline. Weliswaar wordt de onafhankelijkheid van het CvT ten opzichte van de overheid in zekere mate gewaarborgd doordat de leden gedurende de benoemingstermijn van maximaal 8 jaar niet kunnen worden ontslagen, maar het is de minister van Veiligheid en Justitie die moet instemmen met de te benoemen personen.

In dezelfde nota van wijziging wordt geregeld dat advocaten geen beroep kunnen doen op hun geheimhoudingsplicht ten opzichte van het CvT en de door dit college aangewezen personen die werkzaam zijn bij het toezicht, zoals bijvoorbeeld naar de naleving van de meldingsplicht in het kader van de Wwft, waarbij tot op heden tot ergernis van de bewindslieden de tuchtrechter het verschoningsrecht heeft beschermd.

De voorgestelde aanpassing van het toezicht op de advocatuur heeft verstrekkende consequenties voor zowel het verschoningsrecht, de autonomie als de onafhankelijkheid van de advocatuur. Het verschoningsrecht is door de Hoge Raad gekwalificeerd als een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat bij bepaalde vertrouwenspersonen “het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaring van het besprokene tot hen moet kunnen wenden.” Het is ook vaste jurisprudentie dat het in principe de advocaat zelf is die bepaalt wat onder zijn verschoningsrecht valt.

Door het toezicht door de deken, die zelf ook een verschoningsrecht heeft, te vervangen door en ondergeschikt te maken aan een CvT dat bestaat uit niet-advocaten wordt aan de poten van het verschoningsrecht en een onafhankelijke advocatuur gezaagd. De beslissing over wat wel en niet tot het verschoningsrecht behoort ligt dan niet meer bij de beroepsgroep zelf, maar bij het orgaan dat verantwoordelijk is gemaakt voor het externe toezicht en ten opzichte waarvan de geheimhoudingsplicht van advocaten is opgeheven. Dat dit CvT ondergebracht wordt bij de Orde van Advocaten doet hieraan niet af. Het is een wezensvreemd orgaan dat intern de functie van politieagent krijgt. De MvT is duidelijk over de missie van het CvT: “Het toezicht moet zodanig zijn dat overtredingen tijdig worden gesignaleerd en dat er voldoende afschrikwekkend effect van uitgaat om advocaten waakzaam te houden op normschendingen”.

Het scala aan maatregelen en aanpassingen van de Advocatenwet wordt beargumenteerd met een behoefte aan transparantie omdat de samenleving zonder de voorgestelde maatregelen onvoldoende vertrouwen in de beroepsgroep zou hebben. In deze argumentatie wordt de samenleving gemakshalve op één lijn gesteld met de overheid, die een onafhankelijke en autonoom functionerende advocatuur maar lastig vindt. Daaraan wordt het verschoningsrecht, dat nu juist dient om het vertrouwen van de individuele burger in de advocatuur te waarborgen, opgeofferd. Voor advocaten betekent dit dat zij gedwongen worden hun loyaliteit ten opzichte van de overheid boven een partijdige belangenbehartiging te stellen. Het is te hopen dat het parlement niet zal accepteren dat privileges die bedoeld zijn om de burger te beschermen en die in de internationale en nationale rechtspraak worden erkend als zijnde fundamenteel voor een rechtsorde, opzij worden gezet.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2011, afl. 37.

Bron afbeelding: A Journey Round My Skull

 

1. Tweede Nota van Wijziging, consultatiedocument juli 2011.
2. Commissie Advocatuur, P.C.E. van Wijmen (vz.), Een maatschappelijke Orde 24 april 2006; A.W.H. Docters van Leeuwen, Het bestaande is geen alternatief. Een verkenning naar verbeteringen in het toezicht op de advocatuur, Maart 2010.

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 24 oktober 2011

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

H.T.J. Janssen schreef op :
Geachte Collega,

Ik constateer feitelijk twee dingen:

a: de advocatuur wordt klaarblijkelijk in toenemende mate als een uiterst onbetrouwbare groep beroepsbeoefenaars beschouwd;

b: de werkvoorraad voor de Haagse ambtenaren blijkt tot een absoluut nulpunt te zijn geslonken.

In mijn optiek functioneert de advocatuur al jaren meer dan naar behoren. Natuurlijk zijn er advocaten die er een potje van maken en die dienen ook (hard) aangepakt te worden. De overige 90, 95 of 99% worden echter over dezelfde kam geschoren.

Daarnaast staan de 'aanscherpingen' natuurlijk haaks op de omstandigheid dat bijvoorbeeld huurzaken, arbeidszaken (met vaak zeer verstrekkende gevolgen), en ook overige vorderingen met een belang tot € 25.000,00 (over 10 jaar waarschijnlijk € 50.000,00 tot € 100.000,00 of onbeperkt) door iedere nitwit zonder enige juridische kennis van dien behandelt mogen worden. 'Den Haag' stelt feitelijk in het geheel geen eisen aan belangenberhartigers van rechtzoekenden, behoudens voor zover het advocaten betreft. Deze eisen komen overigens met name neer op het moeten afdragen van duizenden euro's per jaar aan landelijke en plaatselijke dekens (daargelaten de vraag waar die gelden aan besteed worden), het volgen van prijzigemaar lang niet altijd even goede cursussen (inmiddels een miljoenenindustrie op zich) en het jaarlijks moeten voldoen aan telkens wijzigende richtlijnen en verordeningen (met het Kantoorhandboek als voorlopig hoogte (of diepte-)punt).

Van de andere kant: ik kan mij nog maar nauwelijks druk maken om deze ongetwijfeld miljoenen kostende discussies: over 10 à 15 jaar bestaat de advocatuur als zodanig helemaal niet meer, en zijn wij eenvoudigweg zakelijke dienstverleners die, net als de man op hoek, bevoegd zijn procedures te voeren. Tot die tijd leg ik mij er maar bij neer dat men mij als onbetrouwbaar beschouwd. Ik weet zelf wel beter.

Met vriendelijke groet,
H.T.J. Janssen
Mr L.Ph.J. baron van Utenhove schreef op :
Geachte collega,

Uw woorden zijn mij uit het hart gegrepen.
Waar ik zo bang voor ben is dat het parlement, bij gebrek aan kennis omtrent- en inzicht in de materie, de ernst van de kwestie onvoldoende inziet en dusdoende het ministerie/de regering het voordeel van de twijfel gaat geven.

Met vriendelijke groet,
Uw dw.cfr.,

L.Ph.J. van Utenhove

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.