Klagen over nemo tenetur? Niet langer bij de beklagrechter!

Op 12 februari jl. heeft de strafkamer van de Hoge Raad een opzienbarende uitspraak gedaan over de (on)mogelijkheid om te klagen over schending van het nemo tenetur-beginsel (het beginsel dat niemand is gehouden bewijs tegen zichzelf te leveren) in het kader van de beklagprocedure ex art. 552a Sv.

Hoge Raad beslist over nemo tenetur bij inbeslagneming

De Hoge Raad heeft bepaald dat deze procedure een dermate summier karakter draagt dat daarin niet kan worden geklaagd over de onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen. Voor behandeling van een klacht over een mogelijke schending van het nemo tenetur-beginsel bij die inbeslagneming is daarom ook geen plaats. De Hoge Raad lijkt met deze beschikking te breken met zijn eerdere recente jurisprudentie waaruit (impliciet) volgde dat een mogelijke schending van genoemd beginsel wel kon worden getoetst door de raadkamer in beklagzaken.2 De consequenties van de uitspraak zijn verstrekkend.

Aan de beschikking van de Hoge Raad ging het volgende vooraf. De klager in deze zaak was arts en tevens medisch directeur van een privékliniek. In die kliniek werden cosmetische ingrepen uitgevoerd. Naar aanleiding van klachten bracht de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een onaangekondigd inspectiebezoek aan de kliniek en werd de kliniek gesloten. Tegen de arts volgde een tuchtprocedure. Ook het Openbaar Ministerie (OM) startte een onderzoek. In dat kader vorderde de Officier van Justitie bij de IGZ de verstrekking van de jegens de kliniek en de arts ingediende tuchtklacht, inclusief alle bijlagen bij die klacht (het IGZ-dossier). Het namens de arts bij de Rechtbank ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv was gericht tegen de inbeslagneming van het IGZ-dossier en de kennisneming van de daarin vervatte gegevens. Klager deed daartoe onder meer een beroep op schending van het nemo tenetur-beginsel, omdat hij op de voet van art. 5:20 Awb gehouden was geweest medewerking te verlenen aan het onderzoek door de IGZ. Hij had daarbij verklaringen moeten afleggen, demonstraties moeten geven en stukken en medische apparatuur moeten overleggen. Klager stelde zich op het standpunt dat het IGZ-dossier aldus voor een belangrijk deel bestond uit van hem afkomstige en van zijn wil afhankelijke informatie, welke informatie hij op grond van de ex art. 5:20 Awb geldende (en door art. 184 Sr gesanctioneerde) verplichting aan de IGZ had moeten verstrekken. De inbeslagname en het gebruik van die stukken ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek zouden daarom strijd opleveren met het nemo tenetur-beginsel.

De Rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond. Zij oordeelde dat het nemo tenetur-beginsel niet was geschonden, onder meer omdat klager bij de verklaringen die hij had afgelegd ten overstaan van de IGZ werd vergezeld door een advocaat. De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad achtte de motivering van de Rechtbank ten dele onbegrijpelijk en concludeerde tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Een inhoudelijke reactie van de Hoge Raad op deze voor de praktijk bepaald belangrijke kwestie blijft helaas uit. De Hoge Raad oordeelt dat in de beklagprocedure wel ruimte is om over de rechtmatigheid van het beslag zelf te klagen, waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen, maar niet over de rechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen. Dat is opvallend, omdat de Hoge Raad zich in betrekkelijk recente beschikkingen wel (inhoudelijk) uitliet over deze materie.

Eerdere uitspraken van de Hoge Raad over de beklagprocedure

In de zaak die voorlag in NJ 2011/425 was door het OM ex art. 18 WED een vordering tot uitlevering gedaan van de resultaten van een intern onderzoek dat door een verdacht bedrijf verplicht was uitgevoerd. De Rechtbank Rotterdam achtte het ter zake ingediende klaagschrift, onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot het nemo tenetur-beginsel, gegrond. De Hoge Raad casseerde echter nu de Rechtbank een verkeerde maatstaf zou hebben aangelegd bij de vraag of het in art. 6 EVRM vervatte nemo tenetur-beginsel was geschonden. Daarbij overwoog de Raad onder meer dat de Rechtbank inhoudelijk kennis had moeten nemen van de betreffende documenten.

In de zaak die voorafging aan NJ 2011/416 was een klaagschrift ingediend dat zich richtte tegen de inbeslagneming van een IGZ-rapport. Voeging hiervan in het strafdossier zou strijd met het nemo tenetur-beginsel opleveren, aangezien medewerkers van klaagster (een verpleeghuis) gehouden waren geweest medewerking te verlenen aan het onderzoek door de IGZ. De Rechtbank Maastricht verklaarde het klaagschrift ongegrond. De Hoge Raad liet de beschikking, ondanks andersluidende conclusie van zijn Advocaat-Generaal, in stand. De Raad oordeelde dat de klacht over schending van het nemo tenetur-beginsel niet tot cassatie kon leiden, omdat klaagster ten tijde van de behandeling van het klaagschrift geen verdachte was. Daarom was het gebruik van de desbetreffende gegevens voor het bewijs in een eventuele strafzaak jegens klaagster op dat moment evenmin aan de orde.

In deze beide zaken velt de Hoge Raad als hoogste beklagrechter een (inhoudelijk) oordeel over een mogelijke schending van het uit art. 6 EVRM voortvloeiende nemo tenetur-beginsel. Aanwijzingen voor de stelling dat voor een beroep op dat beginsel geen ruimte bestaat in de beklagprocedure ex art. 552a Sv zijn daarin niet te vinden. Het andersluidende standpunt dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 12 februari 2013 blijkt te zijn toegedaan wekt daarom enige verbazing.

De consequenties van deze laatste uitspraak zijn bovendien verstrekkend. Wanneer over (dreigende) schending van het nemo tenetur-beginsel niet langer kan worden geklaagd in de beklagprocedure, bestaat er de facto geen rechtsmiddel meer om tegen te gaan dat informatie die in een procedure met een verplichtend karakter is afgegeven in het strafrechtelijk onderzoek wordt betrokken. Er kan dan alleen ter terechtzitting worden geklaagd over het daadwerkelijke gebruik van dergelijk materiaal als bewijs. Het eventuele kwaad is dan echter al grotendeels geschied: de stukken hebben hun weg naar het strafdossier gevonden en de procespartijen hebben er kennis van kunnen nemen, er hun overtuiging op kunnen baseren en er eventueel op door kunnen rechercheren.

Betwijfeld kan worden of de beschikking van de Hoge Raad recht doet aan de rechtspraak van het EHRM. Uit de zaak Marttinen lijkt immers te volgen dat voor een geslaagd beroep op het nemo tenetur-beginsel niet is vereist dat het onder dwang verkregen materiaal ook daadwerkelijk in of ten behoeve van de strafprocedure wordt gebruikt.3 Door de uitspraak van de Hoge Raad ontbeert de verdachte evenwel de mogelijkheid om zijn beroep op dit beginsel aan de rechter voor te leggen in de fase voorafgaand aan die waarin wordt beoordeeld of de informatie als bewijs kan worden gebruikt. De daarvoor tot op heden benutte beklagprocedure ex art. 552a Sv is niet langer geschikt.

Wellicht is het onder deze omstandigheden de kortgedingrechter die als ‘restrechter’ uitkomst kan gaan bieden. Dat degene die een serieus beroep wenst te doen op de bescherming van het nemo tenetur-beginsel daartoe een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang treft in de summiere beklagprocedure van art. 552a Sv, lijkt ons na 12 februari jl. namelijk niet erg overtuigend meer vol te houden. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd, zij het niet langer bij de beklagrechter!

Mr. C.W. Noorduyn en mr. Th.J. Kelder zijn beiden strafrechtadvocaat bij Sjöcrona van Stigt Advocaten te Den Haag en raadslieden van de in het artikel genoemde arts.


Bron afbeelding: de²


1. HR 12 februari 2013, LJN BV3004
2. 21 december 2010, LJN BL0666, NJ 2011/425 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 5 juli 2011, LJN BP6144, NJ 2011/416 m.nt. J. Legemaate
3. EHRM 21 april 2009, appl. nr. 19235/03, NJ 2009/557 m.nt. T.M. Schalken (Marttinen vs. Finland)

Naam auteur: Carolien Noorduyn en Thijs Kelder
Geschreven op: 21 maart 2013

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.