Immuniteit VN boven alle twijfel verheven

Vrijdag de dertiende april 2012 was geen goede dag voor de Stichting Moeders van Srebrenica en de tien individuele eisers in hun al vele jaren durende juridische strijd tegen de Verenigde Naties (VN) en de Staat der Nederlanden (de Staat). De Hoge Raad oordeelde kort en krachtig, in een arrest dat voornamelijk is opgebouwd uit citaten uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat de immuniteit van de VN "in aangelegenheden van vrede en veiligheid onder hoofdstuk VII van het VN Handvest zoals hier aan de orde was" absoluut is, en dat het handhaven van die immuniteit behoort tot de verplichtingen van de leden van de VN welke ingevolge art. 103 VN Handvest in geval van strijdigheid voorrang hebben boven verplichtingen krachtens andere internationale overeenkomsten (rov. 4.3.6).

Immuniteit

De immuniteit had door de nationale rechter niet eens getoetst mogen worden aan de eisen die artikel 6 EVRM, of zijn pendant, artikel 14 IVBPR, stelt teneinde te garanderen dat er een effectieve toegang tot de rechter ten dienste staat aan personen ter verdediging van hun rechten (rov. 4.3.5). De Hoge Raad leidt dit af uit rechtspraak van het EHRM (Behrami v France; Saramati v France, Germany and Norway) over de beoordeling van aansprakelijkheid van lidstaten in door de VN gemandateerde operaties in Kosovo (rov. 4.3.4).

Een belangrijke bouwsteen in de redenering van de Hoge Raad is dat de rechtspraak van het EHRM over de verhouding tussen het recht op access to justice en immuniteit van een internationale organisatie (Waite and Kennedy v Germany; Beer and Regan v Germany) volgens de Hoge Raad geen grond biedt om aan te nemen dat het EHRM daarin heeft beoogd tevens een oordeel te geven over de reikwijdte van de immuniteit van de VN, althans niet voor zover het betreft optreden van de VN onder Hoofdstuk VII van het VN Handvest (rov. 4.3.3).

De Hoge Raad onderzoekt tot slot of de aard en ernst van de door eisers aan de vorderingen ten grondslag gelegde verwijten (genocide, misdaden tegen de menselijkheid) meebrengen dat immuniteit alsnog zou moeten wijken voor het recht op toegang tot de rechter. De Hoge Raad acht dit, gezien rechtspraak van opnieuw het EHRM (Al Adsani v UK) en van het Internationaal Gerechtshof (Jurisdictional immunities of the State, Germany v Italy, Greece intervening) niet het geval. De immuniteit komt de VN toe ongeacht de buitengewone ernst van de verwijten die eisers in dit geval aan hun vorderingen ten grondslag leggen, aldus de Hoge Raad (rov. 4.3.14).

Redenering Hoge Raad

Met deze, als rechttoe-rechtaan te kwalificeren, redenering slaat de Hoge Raad de deur hard dicht "harder dan de rechters in feitelijke instanties deden" voor enige uitzondering op de immuniteit van de VN handelend in de uitoefening van haar (hoofd)taak tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid (Hoofdstuk VII VN Handvest). Hoezeer ik de uitkomst van de zaak ook kan onderschrijven vanuit juridisch (en politiek-pragmatisch) oogpunt1, toch bevredigt de redenering van de Hoge Raad niet helemaal.

Absolute immuniteit Verenigde Naties

Om te beginnen kan de VN, gezien haar absolute immuniteit (althans in Hoofdstuk VII Handvest aangelegenheden), klaarblijkelijk volstaan met het sturen van een enkel briefje aan de Staat waarin zij zich op immuniteit beroept en wegblijven in de procedure ook al ontbreekt binnen de VN een reële alternatieve rechtsgang2, terwijl (de rechtsgangen binnen) andere internationale organisaties door de Nederlandse rechter zonder meer aan de beoordeling van de verhouding tussen het recht op access to justice en immuniteit van de organisatie worden onderworpen, aan de hand van de rechtspraak van het EHRM (Waite and Kennedy v Germany; Beer and Regan v Germany).3

Dit verschil in benadering door de rechter laat zich niet volledig verklaren uit de voorrangsregel van artikel 103 VN Handvest omdat het recht op toegang tot de rechter ook van gewoonterechtelijke aard is4 en artikel 103 Handvest enkel spreekt van voorrang van de verplichtingen uit het Handvest van de lidstaten boven ‘ verplichtingen krachtens andere internationale overeenkomsten’ (verdragen dus). Daar komt nog bij dat niet voor twijfel vatbaar is dat ook de VN, net als elke andere internationale organisatie, een functionele immuniteit geniet, al wordt deze op grond van artikel II(2) van de Conventie nopens de Voorrechten en Immuniteiten van de VN dus absoluut toegepast. Dat blijkt uit de bewoordingen van artikel 105 lid 1 VN Handvest (‘...immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar doelstellingen’) en uit de (mogelijke) uitzonderingen op de immuniteit die de Conventie zelf noemt (art. VII(29)).

Ook het belang dat in de rechtspraak van het EHRM (Behrami en Saramati) wordt toegekend aan het feit dat de aan de VN verweten gedragingen zich afspeelden tijdens een door de VN-Veiligheidsraad ingestelde (vredehandhavings-)operatie, hetgeen tevens in de uitspraken in feitelijke instanties van de onderhavige zaak en in de beoordeling door de Hoge Raad weerklinkt , wijst op het belang van het kwalificeren van het onderhavige optreden van de VN binnen zijn (kern)functie, namelijk de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. De immuniteit van de VN is dus een absolute functionele immuniteit in deze aangelegenheden.5

Dat alles roept de vraag op waarom internationale organisaties met een andere, beperktere, opdracht of functie, ook als zij volgens hun oprichtingsverdrag een met art. 105 lid 1 VN Handvest vergelijkbare immuniteit genieten, zich voor de Nederlandse rechter moeten verantwoorden alsof hun immuniteit een voorwaardelijk recht is dat steeds afhankelijk is van het bestaan van een effectieve alternatieve rechtsgang. Het zou de Staat sieren als hij zich de belangen van die ‘technische’ organisaties, die zich nota bene hebben gevestigd in Nederland, op dezelfde voet zou aantrekken als die van een ‘general purpose’ organisatie als de VN, in plaats van te wachten tot cassatie in het belang der wet onvermijdelijk is (zoals in het geval van Euratom in 2007).6

Staatsimmuniteit vs. immuniteit van internationale organisaties

Een tweede opmerkelijk element in het arrest is dat de Hoge Raad enerzijds benadrukt dat er een verschil is tussen staatsimmuniteit en immuniteit van internationale organisaties (rov 4.2) en zich anderzijds verlaat op twee zaken betreffende staatsimmuniteit (EHRM Al Adsani; IGH Jurisdictional Immunities). De reden is dat het verschil tussen immuniteit van internationale organisaties en staatsimmuniteit niet een verschil rechtvaardigt in de uitkomst van de beoordeling van de verhouding van immuniteit tot het recht op toegang tot de rechter (rov. 4.3.14).

De Hoge Raad heeft al eerder uitgemaakt dat het argument dat staten niet immuun zijn wanneer zij beschuldigd worden van schendingen van het volkenrecht, niet opgaat.7 Deze lijn wordt nu dus doorgetrokken voor wat betreft het aan de VN verweten nalaten ten aanzien van de meest ernstige normschendingen denkbaar, namelijk genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. Dit is juist, omdat de processuele voorvraag van de immuniteit moet worden onderscheiden van het materiële geschil, hoe fundamenteel de gestelde materiële normschendingen ook zijn. Wat dat betreft is de overweging van de Hoge Raad in rov. 4.2 van het arrest, inhoudende dat de immuniteit van de VN een andere is dan die van vreemde staten welke laatste “immers, zoals tot uitdrukking gebracht in art. 13a Wet Algemene Bepalingen, voortvloeit uit het volkenrecht” eerder verwarrend dan verhelderend te noemen. Ook de immuniteit van de VN is uit het volkenrecht afkomstig is, namelijk uit verdragen (VN Handvest, Conventie Voorrechten en Immuniteiten) alsook – naar men gelet op de Nederlandse rechtspraak mag aannemen – uit het internationaal gewoonterecht.8 Het verschil is meer daarin gelegen, dat staten de oorspronkelijke rechtssubjecten zijn in het volkenrecht die hun rechten en verplichtingen ontlenen aan hun enkele bestaan (in feitelijke, en daarmee alras ook in juridische, zin), terwijl internationale organisaties in beginsel van de toekenning van rechten door staten afhankelijk zijn (principle of speciality).9

EHRM

De (advocaten van) eisers hebben direct na de uitspraak van de Hoge Raad aangekondigd de zaak te zullen voorleggen aan het EHRM. Het valt overigens nog te bezien – als het EHRM tot beoordeling overgaat; er speelt wellicht een bevoegdheidskwestie (artikel 1 EVRM) – of het meest interessante oordeel uit het arrest, namelijk dat de verhouding tussen het recht op access to justice en immuniteit ten aanzien van de VN in Hoofdstuk VII Handvest operaties niet door de nationale rechter mag worden getoetst aan de criteria uit de rechtspraak van het EHRM (Waite and Kennedy v Germany; Beer and Regan v Germany), daarin aan de orde zal kunnen komen. Het Hof heeft dit in het bestreden arrest miskend, aldus de Hoge Raad, maar de - slagende - klachten van de Staat in zijn incidente cassatieberoep (rov. 4.3.5) leiden niet tot cassatie (rov. 4.4.2), naar aangenomen mag worden omdat voldoende belang daarbij ontbreekt nu de Hoge Raad het principale cassatieberoep verwerpt. Een belang van eisers bij een antwoord van het EHRM op voornoemde vraag laat zich dan ook moeilijk beargumenteren.

Guido den Dekker is advocaat te ‘s-Gravenhage.

Bron afbeelding: isriya

1. Zie mijn eerdere commentaren op de uitspraken in feitelijke instanties in de Hague Justice Journal: ‘Immunity of the United Nations before the Dutch courts’ (28 juli 2008) en ‘Immunity of the United Nations before the Dutch courts revisited’ (met J. Schechinger) (4 juni 2010), www.haguejusticeportal.net.
2. De A-G merkt in zijn Conclusie, par. 2.25, ten overvloede op dat (weliswaar tussen eisers en de Staat maar) niet tussen eisers en de VN vaststaat dat er geen effectieve alternatieve rechtsgang door de VN was opengesteld, maar als die er wel was geweest had de Staat daar uiteraard met (meer) kracht op gewezen in de procedure.
3. Vgl. bijvoorbeeld Europees Octrooibureau in HR 23 oktober 2009, LJN: BI9632.
4. Zoals het Hof ook met juistheid had overwogen. De cassatieklacht van de Staat hiertegen is door de Staat in de cassatieprocedure 'terecht' ingetrokken.
5. Zo ook, naar mijn mening dus met juistheid, de A-G in zijn Conclusie onder par. 2.21; vgl. ook de Conclusie par. 2.24, 2.26, 2.37.
6. Vgl. HR 13 november 2007, LJN: BA9173.
7. Vgl. HR 31 januari 1962, NJ 1962, 74.
8. Vgl. HR 20 december 1985, NJ 1986, 438.]
9. Vgl. IGH Advisory Opinion Legality of the Use of Nuclear Weapons in Armed Conflict, 8 juli 1996, par. 20-26.

 

 

Naam auteur: Guido den Dekker
Geschreven op: 18 april 2012

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.