Het nieuwe privaatrecht

Het nieuwe privaatrecht dat Vranken in zijn recente annotatie bij de aandelenleasearresten waarneemt, heet in een net verschenen opstellenbundel over empirisch privaatrecht civilologie.1 De civiloloog bestudeert het civiele recht niet vanuit zuiver juridisch perspectief, maar doet aan op empirie gebaseerde wetenschap om aldus dicht(er) bij de (maatschappelijke) werkelijkheid komen.

Hij beoogt een op evidence gebaseerd privaatrecht. Hij wil weten of informatieverplichtingen effect sorteren, welk gedrag kleine kinderen in het verkeer vertonen, wat de (ongewenste) neveneffecten van het dragen van een valhelm zijn, om daarop (beleids)beslissingen te kunnen baseren. De civilologie heeft de wind in de rug: het nog altijd woedende debat over de wetenschappelijkheid van juridisch onderzoek komt de civiloloog beter uit dan de klassieke civilist. Civilologisch verantwoord onderzoek heeft bovendien een grotere aantrekkingskracht op beleidsmakers én geldgevers dan klassiek juridisch onderzoek. Behalve opportunisme zou ook het zicht op beter (werkend) recht echter reden kunnen zijn voor de civilist om zich open te stellen voor deze nieuwe tak van sport.

Wat stellen wij ons daarbij nu voor? Neem de Laadschop-zaak (NJ 1982, 254). Enkele kinderen spelen bij een zandhoop. Op een meter of tien staat een laadschop. Op een gegeven moment zet de bestuurder de laadschop in beweging. Eerst rijdt hij een stukje vooruit en vlak daarna weer achteruit. Daarbij raakt een jongetje van drie dat zich in de tussentijd naar de laadschop heeft begeven ernstig gewond. Heeft de bestuurder onrechtmatig gehandeld? Het Hof meende van niet nu hij er niet op bedacht hoefde te zijn dat een jongetje vlak achter de laadschop, buiten het zicht van de bestuurder, mee zou gaan lopen. Het zou eerder te verwachten zijn dat een kleuter op eerbiedige afstand zou blijven van een imponerend voertuig als een laadschop. De Hoge Raad oordeelt heel anders. De bestuurder diende juist rekening te houden met de onberekenbaarheid van jonge kinderen en de aantrekkingskracht die zo’n voertuig op hen kan hebben. De civiloloog zou vinden dat de rechter in zo’n geval zou moeten weten hoe het werkt bij een kind: dat bepaalt immers waarmee de bestuurder rekening had moeten houden en daarmee of en zo ja welke maatregelen hij had moeten treffen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe krijgt de rechter zicht op wat het gedrag van kinderen bepaalt: wordt het oordeel van deskundigen verwacht, moeten partijen relevante informatie hieromtrent aanleveren om vervolgens daarover met elkaar in debat te gaan? En waar nemen we uiteindelijk in de context van een procedure genoegen mee? Zijn dat de jongste inzichten op het terrein van de kinderpsychologie of mag het ook een onsje minder zijn?

Wanneer het nieuwe privaatrecht inderdaad vraagt om empirische ondergrond zijn de mogelijkheden legio. Voor degene die dat wil zien, zijn er cijfers en andere gegevens, de vruchten van wetenschappelijk onderzoek op terreinen als psychologie, economie, sociologie, biologie, neurowetenschappen etc. Daarbij komen onvoorstelbaar veel onderwerpen aan bod die voor de civilist interessant zijn. Zo kan hij meer te weten komen over kennen en kunnen van (kleine) kinderen, kan hij zicht krijgen op biases and heuristics, op de effecten van waarschuwingen. De geïnteresseerde jurist zal zich een kind in een snoepwinkel wanen. Op andere momenten zal hij echter het idee hebben op zoek te zijn naar een speld in een hooiberg. Dan blijkt dat ook de capaciteit aan niet-juridisch onderzoek niet onuitputtelijk is. Ook in die andere disciplines zijn tijd en geld beperkt. Zij hebben bovendien hun eigen onderzoeksagenda die niet door de vragen en wensen van het privaatrecht wordt beheerst. Of er voor civilisten relevant materiaal is, is daarom niet gegarandeerd. Is het er wel dan rijzen voor de civiloloog ook vragen die betrekking hebben op de kwaliteit ervan: kan hij dat op waarde schatten, weet hij of het binnen de ‘eigen’ discipline aan de maat is? Zijn er inmiddels nieuwe of verbeterde inzichten?

De civilologie is weliswaar niet zonder vragen, maar heeft de wind in de zeilen. We willen in het recht werkelijk meer weten bijvoorbeeld met betrekking tot het gedrag van beleggers in opties of de impact van waarschuwingsstickers in werksituaties. Er is meer behoefte aan kennis. Er is bovendien een duidelijke accentverschuiving naar beleidsgericht onderzoek onder invloed van de opgekomen ‘law and ..’-benaderingen en van ontwikkelingen op het vlak van onderzoeksfinanciering. De civilologie is daarom meer dan een hype die vooral de universiteit als ‘thuisbasis’ van het civielrechtelijk onderzoek dwingt na te denken over de volgende vragen:

    • gaat het hier om een nieuwe discipline, waaraan enkelen hun krachten gaan wijden of gaan we het allemaal doen? Kúnnen we dit ook allemaal?
    • gaan we het over de gehele linie doen of fragmentarisch (bijvoorbeeld alleen op het terrein van het aansprakelijkheidsrecht)?
    • willen wij alleen nog maar beleidsgericht bezig zijn? Is er nog ruimte voor ‘klassiek’ juridisch onderzoek? Of is dat van een te laag ambitieniveau en houdt dat dus verspilling van tijd en onderzoekscapaciteit in?

En niet in de laatste plaats: wat zijn de consequenties voor het onderwijs? Naarmate de civilologie belangrijker wordt in het onderzoek, ligt het minder voor de hand het onderwijs ongemoeid te laten. Kunnen we dan volstaan met een ‘relativerend vakje’ in de masterfase of moet juist van meet af aan aandacht worden besteed aan de werking van het privaatrecht? Tijd en ruimte zijn ongetwijfeld aandachtspunten, maar kunnen we het ons veroorloven onze studenten pas vlak voor het verlaten van het gebouw zicht te geven op het recht der werkelijkheid?

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/1169, afl. 20, p. 1381.

Bron afbeelding: thewronski


1. Vranken bij HR 5 juni 2009, NJ 2012,182-184 resp. Van Boom, Giesen en Smits (red.), Civilologie: opstellen over empirie en privaatrecht, Den Haag 2012.

Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 18 mei 2012

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
In onze door twee staatsmachten in vereniging geschapen vrije markt maatschappij wordt een voorgevoegd woord als "nieuw" m.i. niet zomaar gebezigd, vermits het woord duidelijke PR eigenschappen heeft.
“De nieuwe kleren van de Keizer” van H.C. Anderson heeft in de vrije markt maatschappij m.i. zeer aan betekenis gewonnen.

De zinsnede: begin cit.: “…over de wetenschappelijkheid van juridisch onderzoek komt de civiloloog beter uit dan de klassieke civilist.” einde cit. maakt het verhaal van Hans Christiaan m.i. wel zeer actueel, vermits over de wetenschappelijkheid van juridisch onderzoek kennelijk geen wetenschappelijke zekerheid bestaat.
a.zecha
Reinier Bakels schreef op :
No sociale wetenschappers als psychologen hebben ook juristen zich een minderwaardigheidscomplex laten aanpraten omdat hun vak niet voldoende wetenschappelijk zou zijn.

Natuurlijk is het handig als een civilist enig inzicht in psychologie heeft als hij een uitspraak doet die op het terrein van dat vak ligt, net zoals staatsrechtgeleerden liefst ook enig verstand hebben van politicologie, strafrechtjuristen van criminologie en opsporingsmethoden, en octrooi-juristen van techniek en economie. Maar dat betekent nog niet dat genoemde disciplines bij hun vak horen. Dat brengt ons op de vraag wat de "core business" is van de jurist.

Wetenschapsfilosofen die de nadruk legden op verifieerbaarheid en falsificeerbaarheid brachten juristen in verwarring. Het misverstand is dat dergelijke overwegingen gelden voor ervaringswetenschappen. Er zijn wetenschapsfilosofen die vinden dat er geen andere wetenschap is dan ervaringswetenschap, maar dan zou ook wiskunde geen wetenschap zijn - wat een bewijs uit het ongerijmde is van de onjuistheid van die stelling.

Het belangrijkste gereedschap van de jurist is niet het experiment, maar de Draagkrachtige Redenering. Zij analyseren belangenconflicten en zoeken argumenten die conclusies kunnen dragen. Of niet kunnen dragen, in een verdedigende of opponerende positie. De mening van deskundigen moet worden gebruikt zoals een goede manager dat zou doen: niet door hun werk dunnetjes over te doen, maar door het te beoordelen op overtuigingskracht en relevantie.

Juristen lijden er soms onder dat hun vak niet wetenschappelijk wordt bevonden, maar ze zijn er ook wel trots op dat het in hun vak niet slechts om koel redeneerwerk gaat, maar menigmaal ook om een mening, om een morele afweging, Nu zijn meningen hoogstens navolgbaar (of niet navolgbaar), maar per definitie niet te verifiëren en falsificeren, en dus - inderdaad - niet wetenschappelijk. Rechtsgeleerdheid is in dat opzicht echter geen uitzondering. Ook bij academische kunstenaarsopleidingen zoals de studie tot architect spelen opvattingen een rol, en zelfs een grotere rol, want het is prettig als de gebouwen om ons heen een zekere variatie vertonen, terwijl het voor de rechtszekerheid prettig is als juristen het uiteindelijk toch tot eenzelfde mening convergeren - al verdient natuurlijk mening jurist zijn brood door het als advocaat beroepshalve ONeens te zijn met wat zijn opponent roept.

Is rechtsgeleerdheid dan toch geen wetenschap? Neen, de beroepsuitoefening van een advocaat is geen pure wetenschap, maar juridische academici kunnen wel degelijk wetenschappelijk te werk gaan. In zekere zin schaden zij de reputatie van hun vak door veel en graag met dwarse meningen te komen - maar de kern hoort toch een Draagkrachtige Redenering te zijn. Wie zich daar niet aan houdt is geen wetenschapper maar een populist

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.