Het EHRM in dialoog

Op 25 januari 2012 sprak Cameron de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa toe over de hervormingen van het EHRM, waarvan de Britten tijdens hun voorzitterschap van de Raad van Europa werk willen maken. Volgens Cameron overschaduwen momenteel controversiële uitspraken de reputatie van het Hof hetgeen een ondermijnend effect zou hebben op de steun van de Europese bevolking voor de mensenrechten.

Het is duidelijk dat Cameron hierbij mede doelt op uitspraken waar de Britten zich kwaad over hebben gemaakt zoals de zaak Hirst, over het kiesrecht van gedetineerden. Volgens Cameron is een deel van de overbelasting van het Hof te wijten aan de omstandigheid dat het zich te veel als 'vierde instantie' is gaan gedragen en door de aanzuigende werking die daarvan uitgaat, wegzinkt in een eindeloos moeras van achterstallige zaken. Het EHRM zou terug moeten naar zijn kerntaken: de ernstige mensenrechtenschendingen en zich niet moeten bezig houden met nationale beslissingen waar dat niet nodig is.

De rede van Cameron kwam niet als een verrassing en sluit aan bij de kritiek die ook in Nederland geuit wordt op het EHRM waarvan de kernpunten helder zijn samengevat in de bijdrage van Spijkerboer enige NJB-afleveringen geleden: het EHRM laat te weinig ruimte over aan de lidstaten en vat zijn eigen bevoegdheden te ruim op.1 Twee dagen na de toespraak van Cameron opende Bratza, sinds 4 november 2011 president van het EHRM, het gerechtelijke jaar en het zal geen toeval zijn dat hij impliciet Cameron van repliek diende.2 Volgens Bratza is er geen sprake van een gebrek aan respect voor de oordelen van nationale rechters en hebben deze wel degelijk invloed op de wijze waarop het Straatsburgse Hof het EHRM interpreteert. Bratza zegt niet te verwachten dat de lidstaten zich in alle uitspraken van het EHRM kunnen vinden en uiteraard ook vrij zijn om dit naar buiten te brengen. Maar hij waarschuwt voor het gevaar dat de onafhankelijkheid en autoriteit van het Hof ondermijnd wordt, als die kritiek wordt ingegeven door overdrijving en emotie in plaats van inhoudelijke argumenten: “there can be no rule of law without respect for an independent judiciary, and that is true at European as well as domestic level”. Wat die controversiële zaken betreft roept hij op tot een dialoog tussen de nationale gerechten en het EHRM, ook al bestaan daarvoor momenteel nog geen formele kanalen. Die dialoog kan onder meer plaatsvinden via rechterlijke uitspraken. Hij noemt als voorbeeld de zaak Al-Khawaja en Tahery v. UK waarin expliciete kritiek van het Britse Supreme Court op de wijze waarop het EHRM de auditu bewijs toetst aan het recht op een eerlijk proces, door het EHRM wordt beantwoord en gedeeltelijk gehonoreerd.3

De “dialoog” tussen het EHRM en de nationale rechter in Al-Khawaja en Tahery was inderdaad opmerkelijk. De klagers in deze zaken waren veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen respectievelijk zware mishandeling op grond van verklaringen van een slachtoffer en een getuige tegenover de politie, die zij niet ter zitting hadden kunnen horen. In confesso was dat het bewijs in beslissende mate op deze verklaringen berustte. De waarborgen voor het gebruik van dit hearsay bewijs, dat volgens de Engelse Criminal Justice Act 2003 slechts in uitzonderlijke situaties wordt toegestaan, waren echter nageleefd. In casu ging het om een slachtoffer dat overleden was en dus niet meer kon worden gehoord en een getuige die gerechtvaardigde vrees had voor represailles hetgeen door de Engelse rechter zorgvuldig was getoetst en waarbij de jury uitgebreid was geïnstrueerd over de risico’s die aan het gebruik van de verklaringen waren verbonden. De Vierde Kamer van het EHRM achtte desalniettemin in beide zaken art. 6 lid 3d EVRM geschonden, omdat het bewijs uitsluitend dan wel in beslissende mate op verklaringen berustte van getuigen die de verdachten niet in enig stadium van de procedure hadden kunnen horen. In Engeland leidde dit oordeel tot een storm van (rechterlijk) protest en het Britse Supreme Court opende in de zaak R. v. Horncastle4 de aanval op het oordeel van het EHRM in Al-Khawaja en Tahery en beargumenteerde uitvoerig waarom de criteria die door het EHRM werden aangelegd onvoldoende flexibel waren en te weinig rekening hielden met het Engelse recht. Lord Phillips riep de Britse rechters zelfs op de Straatsburgse uitspraak in Al-Khawaja en Tahery niet te volgen. Daarop verzocht de Engelse regering de zaken Al-Khawaja en Tahery te verwijzen naar de Grote Kamer van het EHRM. De Grote Kamer nam de handschoen op en ging in detail op de kritiek van het Supreme Court in Horncastle in. Dat had tot gevolg dat in de zaak Al-Khawaja art. 6 EVRM niet geschonden werd geacht, maar in de zaak Tahery wel. Bratza, die in beide kamers zat en in de Grote Kamer 'omging', noemt deze gang van zaken in zijn concurring opinion een voorbeeld van hoe de dialoog tussen de Straatsburgse en de nationale rechter zou moeten werken. En daar heeft hij een goed punt. Er is niets tegen kritiek op Straatsburgse uitspraken, maar laat het debat gevoerd worden binnen de betrokken rechterlijke instanties die belast zijn met het toezicht op de handhaving van mensenrechten op basis van argumenten, in plaats van tégen deze rechtelijke instanties op basis van sentimenten.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/397, afl. 7, p. 443.

 

1.Thomas Spijkerboer, Het debat over het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, NJB 2012, p. 254.
2. Lees hier de toespraak.
3. EHRM Grand Chamber 15 december 2011, nrs. 26766/05 and 22228/06.
4. United Kingdom Supreme Court 9 December 2009, UKSC 14 (PDF-bestand)

 

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 13 februari 2012

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.