Grondrechtelijke competence creep

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens houdt bulkzaken die niet echt criminal of civil zijn liefst buiten de deur, zoals vreemdelingen- en belastingzaken. De achterstanden in Straatsburg zijn al erg genoeg (zie NJB 2012, blz. 667).

In de zaak Maaouia (2000) werden procedures over uitzetting van vreemdelingen buiten bereik van art. 6 EVRM geplaatst en in de zaak Ferrazzini (2001) karakteriseerde het EHRM belastingheffing als een van de hard core of public-authority prerogatives, die daarom geen civil obligation in de zin van art. 6 EVRM opleveren. De fair hearing-eisen van die bepaling gelden dus niet in belastingzaken en vreemdelingenzaken.

Dat betekent niet dat sommige rechten ex art. 6 EVRM niet toch gelden voor burgers in Nederland in deze zaken. Recent heeft de Hoge Raad in belastingzaken "in navolging van de Raad van State in vreemdelingenzaken" op basis van een kennelijk ongeschreven 'rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan art. 6 EVRM', schadevergoeding toegekend voor overschrijding van de redelijke termijn (HR BNB 2011/232 t/m 234: € 500 per half jaar over tijd). De Hoge Raad lijkt daarmee zijn Harmonisatiewet-arrest minstens te nuanceren, waarin hij de rechter immers nog onbevoegd achtte de formele wet te toetsen aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen, en hij lijkt art. 8:73 Awb en art. 29 AWR kunstzinnig te interpreteren: in art. 29 AWR wordt art. 8:73 Awb immers niet ‘van overeenkomstige toepassing’ verklaard in cassatie, terwijl de Hoge Raad juist schadevergoeding toekent ‘met overeenkomstige toepassing van’ …. art. 8:73 Awb.

De vrijwaring van belasting- en vreemdelingenprocedures van de fair hearing-eisen staat ook anderszins op de tocht. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon eind 2009 heeft het EU grondrechtenhandvest dezelfde juridische status als het Unieverdrag en het EU-werkingsverdrag (art. 6 VEU). Daarmee is art. 47 van dat Handvest, dat vergelijkbare fair hearing-eisen stelt als art. 6 EVRM, van toepassing op alle gevallen waarin iemand ('een ieder') stelt door nationale maatregelen aangetast te worden in zijn ‘door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden’; dus ook in zijn recht op aftrek van inkoop-BTW ex de BTW-Richtlijn en in zijn recht verschoond te blijven van acute exitbelastingen bij emigratie of zetelverplaatsing naar een andere lidstaat. Uit de zaak C-279/09 DEB blijkt dat de rechten van art. 47 Handvest ook gelden voor rechtspersonen.

Dat biedt perspectieven, onder meer op overbelasting van het HvJ EU, maar daar gaat het nu niet om. Welke belastingzaken komen hiermee binnen de grondrechtenbescherming die niet door art. 6 EVRM wordt geboden, en aldus binnen een nieuw veld van prejudiciële verwijzing naar het HvJ? Dat moet grotendeels nog blijken, maar ook vóór 2010 paste het HvJ de in het Handvest gecodificeerde rechten al toe, toen op basis van de constitutionele tradities van de lidstaten en de geest van de internationale mensenrechtenverdragen waarbij zij zijn aangesloten. Die rechtsbronnen boden echter juist weinig steun aan toepassing van art. 6 EVRM in belastingprocedures. Dat weerhield het HvJ EU niet van waarborging van grondrechten in belastingzaken, desnoods op basis van een ongeschreven algemeen beginsel van EU-recht: het verdedigingsbeginsel. In de zaak Sopropé (C-349/07) uit 2008, over naheffing van douanerechten (geen boete) op schoenen uit Cambodja, verplichtte hij de lidstaten op basis van het verdedigingsbeginsel om bij elke voorgenomen belastende beschikking die de belangen van de adressaat significant raakt en die binnen de werkingssfeer van het EU-recht valt, de adressaat in de gelegenheid te stellen vóóraf zijn zienswijze kenbaar te maken, hem daarvoor voldoende tijd en middelen te gunnen, en aandachtig kennis te nemen van die zienswijze alvorens te beschikken. Het Amsterdamse Hof (6 januari 2011, VN 2011/19.4) heeft op basis van Sopropé in een vergelijkbare zaak over Cambodjaanse schoenen (Cambodjaanse schoenen waren een speerpunt van het Europese anti-fraudebureau OLAF) al een aanslag douanerecht vernietigd wegens tot op de Hofzitting voortdurende schending van de verdedigingsrechten doordat noch OLAF, noch de Nederlandse fiscus de belanghebbende op diens verzoek alle stukken wilde geven waarop de naheffing gebaseerd was. Zo’n schending van het verdedigingsbeginsel in de aanslagfase kon volgens het HvJ niet worden goedgemaakt door de belastingplichtige pas in de bezwaarfase, dus ná beschikken, te horen op diens verzoek.

Een douanezaak valt duidelijk binnen ‘de werkingssfeer van het EU-recht’, gezien de Community Customs Code; een zaak over fiscale voorraadwaardering van een geheel binnenlandse eenmanszaak valt er buiten bij gebrek aan toepasselijk EU-recht; maar niet in alle zaken zal duidelijk zijn of het Handvest al dan niet geldt en de zaak dus voor prejudiciële vragen in aanmerking komt.

Inmiddels zijn door nationale rechters de eerste belastingzaken waarin beroep op het Handvest wordt gedaan verwezen. Zo is een Zweedse zaak (C-617/10 Åkerberg Fransson) aanhangig over de vraag of art. 50 Handvest (ne bis in idem) in de weg staat aan samenloop van een administratieve boete en een latere strafvervolging voor wezenlijk hetzelfde fiscale delict. Maar het Handvest biedt ook bepaald verrassende gezichtspunten: de rechtbank Namen heeft de vraag gesteld of art. 35 Handvest (verzekering hoog beschermingsniveau van menselijke gezondheid) België verbiedt te profiteren van de opbrengst van tabaksaccijns, nu België officieel erkent dat tabak de gezondheid ernstig schaadt en verantwoordelijk is voor vele ernstige ziekten en voortijdige sterfgevallen en dus tabak zou moeten verbieden in plaats van een fiscaal beleid te voeren dat de onttrekking van tabak aan het verkeer juist hindert (C-268/10, Collard).

Zo wordt het HvJ EU steeds competenter, op steeds onvermoeder terreinen des levens.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/767, afl. 13, p. 861.

Bron afbeelding: Gwenaël Piaser



Update: rectificatie uit NJB 2012/14

Op mijn bek

Toen ik nog jong en overmoedig was (lorsque je me prenais encore pour le roi), was ik eens debater bij – ik meen – de vereniging voor belastingwetenschap. Nadat de voorzitter mij had aangekondigd, schreed ik waardig naar het podium, bij het opstappen waarvan mijn schoen bleef haken, waardoor ik daverend plat ging. Onderdrukt geproest uit de zaal. Ik grabbelde mijzelf en mijn papieren bij elkaar en wankelde naar de microfoon, waar ik in kreunde: “Mijnheer de voorzitter, dit moet de eerste keer zijn in de geschiedenis van uw vereniging dat de spreker al op zijn bek gaat nog voordat hij hem heeft opengedaan.” Een bevrijdend lachsalvo brak de ongemakkelijke sfeer.

Ik hoop ik er ook deze keer genadig van af te komen. Wij gaan mij dus nu even hartelijk uitlachen: in mijn Vooraf in het NJB van vorige week illustreerde ik de sluipende bevoegdheidsuitbreiding (competence creep) bij het HvJ EU als gevolg van het EU-Grondrechtenhandvest onder meer met twee bij dat Hof aanhangige zaken waarin het Handvest ingeroepen wordt in belastingkwesties (C-617/10, Åkerberg Fransson en C-268/10, Collard) die anders nooit binnen de competentie van het HvJ EU zouden zijn geraakt. De eerste zaak, over ne bis in idem, is inderdaad nog steeds aanhangig (conclusiedatum 24 april 2012), maar toevallig zag ik de dag na publicatie van mijn Vooraf dat de tweede zaak al op 23 mei 2011 bij beschikking is afgedaan met … een onbevoegdverklaring (‘La Cour de justice de l’Union européenne est manifestement incompétente ….’). Dat staat natuurlijk niet erg goed in een stukje dat juist de competentie-uitbreiding van het HvJ EU beoogt te illustreren. Ik had veiligheidshalve wel op de website van het Hof gekeken. Daar is geen onbevoegdverklaring in zaak C-268/10 te vinden, maar alleen een beschikking tot voeging met de zaak C-267/10 Rossius. Ik had moeten doorklikken naar die laatste zaak, dan had ik wél een afdoeningsbeschikking gevonden. Dom, dom. Maar heel leerzaam. En volgens mijn dochters goed voor mijn karakter; dat dan weer wel. Mijnheer de voorzitter, ik zal voortaan doorklikken.

Peter Wattel

Naam auteur: Peter Wattel
Geschreven op: 26 maart 2012

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar Europees belastingrecht Universiteit van Amsterdam

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
Begin cit.: "Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon eind 2009 heeft het EU grondrechtenhandvest dezelfde juridische status als het Unieverdrag en het EU-werkingsverdrag …….." einde cit.
Door het roken in Horecabedrijven - om de haar moverende redenen - te gedogen, althans een beleid te voeren dat tegenovergesteld is aan de stricte wetshandhaving van de voorgaande regering, brengt de minister van VWS m.i. schade toe aan de gezondheid van Nederlandse burgers
Zulk een regeringsbeleid is m.i. strijdig met art. 35 van voornoemd EU-Handvest.
Toegegeven: de tabaksmarktdeelnemers (en de staat) varen er wel bij.!
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.