Good Faith

In veel rechtsstelsels speelt de goede trouw een rol van betekenis, en dan in de belevenis van rechtsgeleerden en rechtssubjecten meestal een goede. Good faith als goede fee, die de rechtvaardige uitkomst in het individuele geval tevoorschijn tovert. Maar er zijn ook critici, die wijzen op de (in hun ogen) soms te grote inbreuk die de goede trouw maakt op een ander fundamenteel beginsel, dat van de rechtszekerheid. In Engeland overheersen de critici, al eeuwenlang.

Daar ziet men een afwijkende koers als een uitvloeisel van het paternalisme dat in andere stelsels zou gelden, tegenover het individualisme dat ten uitgangspunt ligt aan de common law. Het debat wordt zo sterk getoonzet dat bij buitenstaanders, bijvoorbeeld juristen op het continent van Europa, niet zelden het beeld bestaat dat de Engelse benadering voor alle rechtsstelsels uit de common law-traditie zou gelden. Dat beeld is niet juist. Zo bepaalde reeds in 1918 de New York Court of Appeals:1Every contract implies good faith and fair dealing between the parties to it”. Ook de Uniform Commercial Code (in Section 1-203) en de Restatement on Contracts (in Section 205) gaan uit van deze regel. En in Australië geldt hetzelfde, een ontwikkeling die werd ingezet door de New South Wales Court of Appeal in Renard Constructions (ME) Pty v Minister for Public Works (1992) 44 NSWLR 349. Priestly JA verwoordde het onder 95 van zijn speech als volgt: “…people generally, including judges and other lawyers, from all strands of the community, have grown used to the courts applying standards of fairness to contract which are wholly consistent with the existence in all contracts of a duty upon the parties of good faith and fair dealing in its performance. In my view this is in these days the expected standard, and anything less is contrary to prevailing community expectations.”. Het is deze tekst die de invloedrijke contractsjurist Michael P. Furmston in 20052 bracht tot de volgende gedachte: “It is not inconceivable that on appropriate facts and with skillful argument, English law may make tentative steps in the same direction”.

In een opmerkelijke uitspraak van 1 februari 2013 heeft Justice Leggatt deze voorspelling doen uitkomen.3 De zaak betreft een zakelijk geschil over de uitvoering van een distributieovereenkomst tussen een Engelse principaal (ITC) en een Singaporese distributeur (Yam Seng). In dit drama zijn de hoofdrollen voor Mr Presswell (bestuurder van ITC) en Mr Tuli (bestuurder van Yam Seng). Als lezer weet je al vrij snel welke kant deze zaak opgaat, want reeds in paragraaf 8 valt te lezen: “I approach the evidence on the basis that, as in almost every case where there is a contemporaneous documentary record, the documents provide the best evidence of what happened. Human memory is notoriously unreliable, and the strong interests and emotions to which disputes resolved through litigation give rise are powerful distorting factors, however honest and well-intentioned the witness. Indeed, the more patently honest and convincing the witness, the greater can often be the risk in placing reliance on their territory. That was not a risk presented by the evidence of Mr Presswell.”.

Het probleem in deze zaak was echter dat moeilijk geconcludeerd kon worden tot een harde schending van schriftelijke afspraken. Deze hobbel wordt door de High Court genomen onder het kopje An Implied Duty of Good Faith?, in paragraaf 119 e.v. Na eerst kort stil te staan bij de heersende leer en alle bezwaren die worden opgeworpen tegen het accepteren van een bredere rol voor good faith, komt de eerste aap de mouw uit, of, zo men wil, de vloek de kerk in: “this jurisdiction would appear to be swimming against the tide.” Justice Leggatt – het is opmerkelijk in deze tijden van Euro-scepticism – begint dan met te wijzen op EU-regels die in Engeland reeds wettelijke basis hebben gevonden, zoals de Unfair Terms in Consumer Contracts Regulation 1999, waarin een breder concept van goede trouw is te vinden. Via de reeds hierboven genoemde bronnen uit de VS en Australië, komt hij dan uit bij soortgelijke benaderingen in Schots recht en ontwikkelingen in Canada en Nieuw-Zeeland die in dezelfde richting wijzen. Zijn tussenconclusie is dan in paragraaf 131 dat Engels recht nog niet zover is om (buiten specifieke rechtsgebieden als arbeidsrecht en maatschapsrecht) een algemene regel van goede trouw te aanvaarden, ook niet als default rule. “Nevertheless, there seems to me no difficulty, (…) in implying such a duty in any ordinary commercial contract based on the presumed intention of the parties.” In dat kader beschrijft hij dan twee specifieke implied duties, namelijk de expectation of honesty en de fidelity to the parties’ bargain. Tot slot voert Justice Leggatt een zestal redenen aan om dit ook expliciet te betitelen als een duty of good faith and fair dealing (maar de ruimte ontbreekt om die te bespreken). Zijn eindconclusie liegt er niet om en kan dan ook niet onvermeld blijven. “In the light of these points, I respectfully suggest that the traditional English hostility towards a doctrine of good faith in the performance of contracts, to the extent that it still persists, is misplaced.”

De toekomst zal leren of deze uitspraak moet worden gezien als het spreekwoordelijke schaap of als de even spreekwoordelijke zwaluw. Een gedurfde steen in de vijver is de beslissing in elk geval.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/793, afl. 16, p. 1029.


1. Wigand v Bachmann-Bechtel Brewing Co, 222 NY 272 at 277.
2. Cheshire, Fifoot & Furmston, Law of Contract (15th edition), p. 33.
3. High Court of London (Queen’s Bench Division), 1 February 2013, Yam Seng Pte Limited v International Trade Corporation Limited, [2013] EWHC 111 (QB)

Coen Drion

Naam auteur: Coen Drion
Geschreven op: 16 april 2013

Advocaat-partner bij Jones Day.

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
Dat in veel rechtsstelsels bij de rechterlijke afwegingen aan de goede trouw een groot gewicht wordt toegekend betekent m.i. niet dat vanzelfsprekend de goede trouw bij partijen aanwezig is. Dat lijkt op het intrappen van een open deur. Echter het is m.i. plausibel dat bovenal in rechtszaken waar er tussen partijen een feitelijke en manifeste macht discrepantie bestaat de corrumperende invloed van "macht" verdwenen is.
In rechtszaken waar een individuele burger bijvoorbeeld het tegen een (semi-) publieke overheid of verzekeringsmaatschappij moet opnemen (het zijn niet alleen klokkenluiders!) geven voldoende voorbeelden waar de aanwezigheid van "goede trouw" bij partijen met de grootste macht feitelijk zeer moeilijk vindbaar is.
M.i. is het daarom terecht indien in dergelijke "asymmetrische" rechtszaken ervan uitgegaan wordt dat de "presumptie van goede trouw" een andere is dan een "feitelijke" goede trouw en dat door dit feit "good faith" kritisch moet worden bekeken.
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.