Executie bij voorraad: strijdig met het EVRM?

“Straffen van meer dan twee jaar in eerste aanleg worden direct geëffectueerd, ook al wordt er hoger beroep aangetekend. Bij een delict met slachtoffers geldt dit bij straffen van meer dan een jaar.” Deze drie regels uit het regeerakkoord van 29 oktober 2012 hebben de nodige stof doen opwaaien.

Van verschillende kanten is aangevoerd dat dit plan in strijd zou zijn met het EVRM, met name met de presumptie van onschuld of zoals De Wit het in het kamerdebat over de justitiebegroting op 28 november jl. zei: “met een van de basisprincipes van het Nederlandse strafrecht, dat je onschuldig bent totdat de rechter in hoogste instantie of onherroepelijk heeft gesproken”.

Het plan in het regeerakkoord is niet uit de lucht komen vallen. Aanleiding vormt het onthutsende aantal – overigens onherroepelijke - vonnissen dat niet ten uitvoer wordt gelegd. Op kamervragen van Marcouch en Recourt (PvdA) naar aanleiding van een uitzending van het televisieprogramma de Vijfde Dag inhoudende dat er in Amsterdam-Amstelland 1700 veroordeelden vrij zouden rondlopen, antwoordde Staatssecretaris Teeven op 29 maart 2012 dat justitie op zoek is naar ruim 15.000 tot vrijheidsstraf veroordeelden.1 Dat daaraan iets moet gebeuren is begrijpelijk. Maar de vraag is of het voorstel om gevangenisstraffen die in eerste aanleg worden opgelegd ondanks hoger beroep meteen te executeren nu echt de oplossing is. Dat Minister Opstelten al langer met dit plan rondloopt blijkt uit zijn essay in dit blad in april 2012. Daarin ontvouwde hij zijn voornemen om, naast de per 1 april dit jaar ingevoerde mogelijkheid om bij een voorwaardelijke veroordeling de sanctie meteen te laten ingaan om te voorkomen dat de voorwaarde onmiddellijke rechtskracht zou missen in geval van hoger beroep,2 over te gaan tot verruiming van de mogelijkheden tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van vonnissen.

Er rijst hierbij in ieder geval een tweetal vragen. In de eerste plaats of dit verenigbaar is met het EVRM en in de tweede plaats of het wel een zinvolle exercitie is, met name omdat het al sinds 2005 mogelijk is om op grond van art. 75 Sv de voorlopige hechtenis te laten voortduren hangende hoger beroep en cassatie op basis van een veroordeling tot een vrijheidsstraf in eerste aanleg.

De beantwoording van de eerste vraag valt op het eerste gezicht anders uit dan menigeen in het debat tot nu toe veronderstelt. Dadelijke uitvoerbaarheid van een vrijheidsstraf in eerste aanleg is als zodanig niet in strijd met het EVRM. Voor deze vrijheidsbeneming zijn volgens de systematiek van art. 5 EVRM de criteria voor voorlopige hechtenis (art. 5 lid 3 EVRM) niet meer van toepassing, ook al is er naar nationaal recht nog wel sprake van voorlopige hechtenis hangende het appel. Een vrijheidsbeneming na een vonnis in eerste instantie vereist volgens art. 5 lid 1-a EVRM ‘slechts’ een veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. De ratio daarvan is dat dan de schuld is vastgesteld door een rechter en dat een executie of voortzetting van de voorlopige hechtenis op dat vonnis is gebaseerd. In de zaak Wemhoff v. Duitsland heeft het EHRM uitgemaakt dat dit vonnis niet onherroepelijk hoeft te zijn.3 Wat de presumptie van onschuld betreft die volgens artikel 6 EVRM ook in de appelprocedure geldt, ligt het iets ingewikkelder. In een aantal zaken waarin fiscale boetes waren opgelegd,4 werden deze geïnd voordat de rechter een schuldigverklaring had uitgesproken. Dat vond het EHRM niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM, waarbij zwaar woog dat het mogelijk was om het boetebedrag terug te krijgen. Bleichrodt, Mevis en Volker5 zijn op grond van deze uitspraken van mening dat de onmiddellijke uitvoerbaarheid van sancties op zichzelf nog geen strijd oplevert met de onschuldpresumptie. Maar zij onderkennen ook dat dit mogelijk anders uitpakt als een vrijheidsbeneming, die niet ‘terug te betalen’ is, hoger beroep in feite illusoir maakt omdat de sanctie al ten uitvoer is gelegd voordat de rechter onherroepelijk heeft beslist. In een dergelijk geval zou de Straatsburgse toets heel anders kunnen uitpakken.

De tweede vraag is of er wel een noodzaak bestaat tot wijziging van de huidige regeling omdat de voorlopige hechtenis nu al na veroordeling in eerste instantie kan worden voortgezet of bevolen op basis van een opgelegde vrijheidsstraf bij verdachten die ten tijde van veroordeling vast zitten. Maar als het gaat om verstekzaken of zaken waarin veroordeelden niet vindbaar of in het buitenland zijn – volgens Justitie gaat het in de meeste gevallen om dat soort situaties – dan is het de vraag wat we met onmiddellijke executie opschieten. Bovendien zal ter voorkoming van een schending van art. 6 EVRM wel een schorsingsmogelijkheid moeten worden ingebouwd als hangende hoger beroep aanwijzingen voor onschuld rijzen, zoals Recourt tijdens het debat over de justitiebegroting terecht opmerkte. Kortom, het plan staat op gespannen voet met art. 6 lid 2 EVRM en de huidige regeling biedt voldoende mogelijkheden dadelijke tenuitvoerlegging waar nodig en mogelijk te verzekeren én rechterlijke toetsingsmogelijkheden om te voorkomen dat de balans de verkeerde kant uit slaat. Doorgaan met dit plan leidt tot legislatieve energieverspilling met de presumptie van onschuld als dreigende collatoral damage. Niet doen zou ik zeggen.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/2529, afl. 44/45, p. 3081.



1. Kamerstukken II 2011-2012, Aanhangsel handelingen 2027.
2. Stb. 2011, 245 en 246, inwerking getreden op 1 april 2012.
3. EHRM 27 juni 1968, nr. 2122/64.
4. Västerberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, nr. 36985/97 en Janosevic t. Zweden nr. 34619/97 beide gewezen door het EHRM op 23 juli 2002.
5. Zie rapport Vergroting van de slagvaardigheid van het strafrecht; een rechtsvergelijkend perspectief, WODC 2011, p. 140-143.

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 12 december 2012

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
De rechts- en veiligheidsbescherming van de Staat de Nederlanden aan individuele modale Nederlandse burgers kalft m.i. zichtbaar af.
M.i. mede door de politieke ambivalente controle- en sturingsoorlog om zogenaamd de nationale kwaliteit van leven voor burgers te verhogen en tegelijkertijd machtige vrijmarktdeelnemers ter wille te zijn. .
Onze verstrengelde politieke wetgevende en politiek bestuurde rechtsstaat blijkt herhaaldelijk tekort te schieten om haar individuele (modale) burgers rechtsbescherming en rechtszekerheid te bieden vermits haar heel dure prioritaire politieke belangen herhaaldelijk verschuiven en nu
zijn verschoven naar de belangen van de vrije markt.
Sinds het voorbije millennium - en mogelijk eerder - draagt verstrengeling van vrije marktbelangen en politieke wetgevende- en bestuurlijke staatsmachten m.i. bij tot de vertrouwenscrisis tussen burgers en politici in de staten generaal en regering.
Daarbij is m.i. het grote wantrouwen die de staat in regel- en wetgeving ten opzichte van haar burgers demonstreert een factor.
Het is m.i. een element in de oorlog die de staat tegen haar burgers voert om haar belangen zeker te stellen.
Het is m.i. te verstaan dat bij het voorstel van het ministerie van justitie over “dreigende collatoral damage” wordt gesproken.
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.