Dwangvoeding aan gedetineerden in hongerstaking

Na het verlenen van een verblijfsvergunning aan een Kameroenese asielzoeker lijkt het hek van de dam: in verschillende detentiecentra (onder andere Zeist, Rotterdam en Schiphol) zijn grote groepen gedetineerden in honger- en dorststaking gegaan. Met dit uiterste middel, een honger- of dorststaker gijzelt als het ware zijn eigen lichaam, vragen zij aandacht voor hun situatie en protesteren zij tegen hun detentie en verblijfsomstandigheden.

Dwangvoeding bij hongerstaking

Het ministerie van Veiligheid en Justitie zit ermee in zijn maag en staatssecretaris Teeven heeft de Raad van State daarom gevraagd te adviseren over de vraag naar de (on)mogelijkheid dwangvoeding toe te passen jegens een hongerstaker wanneer diens situatie levensbedreigend wordt. Is de overheid gerechtigd, of zelfs verplicht, de hongerstaker dan onder dwang te voeden? Bij de advisering was haast geboden, gezien de snel verslechterende gezondheidssituatie van een aantal van de gedetineerden en de overbrenging van één van hun naar het Justitieel Medisch Centrum in Scheveningen. Dat haastige spoed zelden goed is, blijkt uit de voorlichting van de Raad van State die reeds binnen twee dagen na het verzoek om advisering verschenen is.1 Belangrijkste conclusie uit deze voorlichting is dat dwangvoeding toelaatbaar kan zijn. Deze conclusie wordt getrokken op basis van een onvolledig en op punten onjuist relaas van de juridische werkelijkheid omtrent dwangvoeding aan hongerstakende gedetineerden.

Zelfbeschikkingsrecht gedetineerde versus zorgplicht overheid

Het voornaamste spanningsveld bij een langdurige hongerstaking betreft het zelfbeschikkingsrecht van de gedetineerde versus de zorgplicht van de overheid, aan wier zorg het leven en welzijn van de gedetineerde is toevertrouwd.2 Evenals patiënten buiten de muren moet de gedetineerde instemmen alvorens een medische behandeling bij hem kan worden verricht. Artikel 32 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) creëert een uitzondering op dit toestemmingsvereiste voor de gedetineerde patiënt. Op grond hiervan kan de inrichtingsdirecteur hem verplichten te gedogen een geneeskundige handeling te ondergaan. Uit de wetsgeschiedenis bij dit artikel blijkt dat de noodzaak ervan is gelegen in het groeiend aantal gedetineerden met ernstige geestesstoornissen dat zich uit in onbeheerst en, zonder medisch ingrijpen, veelal onbeheersbaar gedrag.3 In de penitentiair psychiatrische praktijk wordt van deze mogelijkheid veelvuldig gebruik gemaakt. Jurisprudentie van de Beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming laat zien dat artikel 32 Pbw voornamelijk toepassing vindt bij wilsonbekwame gedetineerden, met name psychotici.4 

Dit is een volledig andere situatie dan wanneer een wilsbekwame gedetineerde besluit voeding of vocht te weigeren als protestvorm. Uit dezelfde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever hier oog voor had en uitdrukkelijk heeft bepaald dat artikel 32 Pbw geen toepassing vindt bij een hongerstaking door een wilsbekwame gedetineerde. Slechts indien de hongerstakende gedetineerde onbekwaam is de gevolgen van zijn actie te overzien, is dwangvoeding op grond van dit artikel mogelijk, wanneer dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de gedetineerde of anderen. Deze opvatting wordt ook gehanteerd in de circulaire van Staatssecretaris van Justitie Korte-van Hemel uit 1985 (waarop gedetineerden in rechte een beroep kunnen doen), waarin de nadruk tevens ligt op de eigen wil van de gedetineerde en zijn zelfbeschikkingsrecht.5 Indien de gedetineerde eenmaal uitdrukkelijk heeft verklaard voedsel te weigeren, wordt met zijn eigen wil rekening gehouden. De zorg van de overheid dient erop gericht te zijn de fysieke en psychische beschadiging van de hongerstaker, voor zover deze door zijn hongerstaking niet zijn beoogd, zoveel mogelijk te beperken. Het respecteren van de wens tot non-interventie dient met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te worden betracht, aldus de circulaire. De opvatting dat de weigering van voedsel gerespecteerd moet worden blijkt ook uit de handleiding voor de medische en verpleegkundige begeleiding van hongerstakers van de Johannes Wier Stichting.6 Deze handleiding wordt gezien als hèt leidinggevende document over hoe gehandeld dient te worden in geval van hongerstaking en kan beschouwd worden als een verdieping en uitwerking van de circulaire van de Staatssecretaris van Justitie uit 1985.7

De Raad van State besteedt in zijn advies onvoldoende aandacht aan de ratio achter artikel 32 Pbw en laat de circulaire uit 1985 volledig buiten beschouwing. Dit is kwalijk, aangezien deze standpunten bepalend zijn voor het Nederlandse beleid inzake hongerstaking dat sinds lange tijd wordt gekenmerkt door een sterke focus op het zelfbeschikkingsrecht van de wilsbekwame gedetineerde in hongerstaking.

Europees perspectief op hongerstaking

Vanuit Europees perspectief is de Nederlandse overheid, anders dan waartoe de Raad van State concludeert, evenmin verplicht tot een dergelijke interventie om het leven van de hongerstaker te redden tegen diens wil. In de zaak Horoz tegen Turkije uit 2009 bepaalde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat verdragsstaten hun zorgplicht niet schenden wanneer zij de wens tot non-interventie van de gedetineerde hongerstaker respecteren en niet ingrijpen in de hongerstaking om diens leven te redden.8 Verdragsstaten mogen er aldus voor kiezen de wens tot non-interventie van de hongerstaker te respecteren, zelfs wanneer dit de dood van de hongerstaker tot gevolg heeft.

Naast deze juridische werkelijkheid spelen fundamentele vragen van medisch-ethische aard een rol bij de arts die wordt gevraagd dwangvoeding toe te dienen, een aspect dat de Raad van State (in verband met de tijdsdruk) niet nader uitwerkt.

Gedwongen medisch handeling

Uit de Memorie van Toelichting bij Artikel 32 Pbw blijkt dat in het proces van beslissing tot uitvoering van de gedwongen medische handeling drie stappen te onderscheiden zijn. Allereerst zal de arts vaststellen of er al dan niet sprake is van een situatie waarin een medische ingreep noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de gedetineerde of anderen. Het gaat hier om een medisch deskundig oordeel, en (nog) niet om een besluit tot medisch handelen. Het besluit om tot een medische handeling onder dwang over te gaan ligt vervolgens bij de gevangenisdirecteur. De gevangenisdirecteur zal toetsen of in dit specifieke geval op grond van artikel 32 Pbw overgegaan kan worden tot de gedwongen medische handeling. Het besluit tot medisch handelen onder dwang zal vervolgens uitgevoerd moeten worden. De daadwerkelijke uitvoering van de geneeskundige handeling is overgelaten aan de arts, of in diens opdracht, aan een verpleegkundige. Het artikel legt echter geenszins een verplichting tot handelen op aan de medicus. Of, en zo ja, welk medisch ingrijpen is geïndiceerd dient deze volgens zijn eigen professionele maatstaf en medische ethiek te beoordelen.9  De toepassing van dwangvoeding, waarbij met behulp van een sonde voeding in de maag wordt gebracht, is een erg invasieve ingreep die de nodige medische risico’s kent, vooral wanneer de hongerstaker zich daartegen verzet (deze risico’s bestaan uit blijvende handicaps, orgaanschade en mogelijk ook de dood in geval van een verslikkingslongontsteking). De World Medical Association (WMA), een internationale artsenorganisatie waarvan ook de Nederlandse KNMG lid is, wijst dwangvoeding in zijn richtlijnen voor de behandeling van hongerstakers voor artsen en medische hulpverleners geconfronteerd met hongerstakende gedetineerden in de verklaringen van Tokio10 (1975) en Malta11 (1991, met herzieningen in 1992 en 2006) resoluut van de hand.12 In reactie op de hongerstaking van Volkert van der G. heeft de KNMG zich in 2002 achter deze opvatting geschaard en gaf artsen het zwaarwegende advies om niet mee te werken aan dwangvoeding. De Inspecteur-Generaal voor de Gezondheidszorg Kingma liet daarop weten ook geen ruimte te zien binnen de wettelijke en de WMA normen voor de toepassing van dwangvoeding aan een wilsbekwame hongerstaker. De arts die in een dergelijk geval dwangvoeding toedient loopt daarmee een reëel risico op een tuchtrechtelijke vervolging.

Concluderend kan worden gesteld dat de Raad van State met zijn advies niet alleen de deur open zet naar toepassing van dwangvoeding, maar artsen ook confronteert met een signaal dat interventie tegen de wil van zijn patiënt gerechtvaardigd kan zijn, terwijl dergelijk optreden indruist tegen medisch-ethische standaarden en daarmee ongeoorloofd is.

Dit artikel verschijnt in NJB 2013, afl. 24


Bron afbeelding: yoshiffles



1. Advies W03.13.0133/II d.d. 15 mei 2013, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl. Zie ook het nieuwsbericht in NJB afl. 22 over dit advies, alsmede over het KNMG standpunt inzake dwangvoeding, NJB 2013/1384, pag. 1492
2. Zie hierover ook P. Jacobs, ‘Dwangvoeding aan gedetineerden in hongerstaking – tien jaar na Volkert van der G.’, NTM/NJCM-Bull. 2012, nr. 6, pp. 677-691.
3. Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 53.
4. Zie, onder andere, Beroepscommissie RSJ d.d. 29 oktober 2009, nr. 09/1852/GA, Beroepscommissie RSJ d.d. 20 mei 2010, nr. 10/0519/GA en Beroepscommissie RSJ d.d. 16 mei 2010, nr. 10/2885/GA.
5. Circulaire van de Staatssecretaris van Justitie, d.d. 4 december 1985, 'Gedetineerde in hongerstaking', nr. 799/385, PI 1986, nr. 31.
6. De Johannes Wier Stichting is een mensenrechtenorganisatie van en voor artsen, verpleegkundigen en paramedici. Zie www.johannes-wier.nl. Op deze website is ook de digitale versie van de handleiding te raadplegen.
7. A. van Es, C.C.J.M. van Ojen & A.M.C. Raat, Honger naar recht, honger als wapen. Handleiding voor de medische en verpleegkundige begeleiding van hongerstakingen, Amersfoort: Johannes Wier Stichting 2000.
8. EHRM 31 maart 2009, (Horoz/Turkije), appl.no. 1639/03.
9. Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 53.
10. WMA, ‘Declaration Guidelines for Medical Doctors concerning Torture and other cruel, inhuman or degrading Treatment or Punishment in relation to Detention and Imprisonment’. Adopted by the 29th World Medical Assembly in Tokyo (Japan), October 1975.
11. WMA, ‘Declaration on Hunger Strikers’. Adopted by the 43rd World Medical Assembly in Malta, November 1991. Editorially revised at the 44th World Medical Assembly in Marbella (Spain), September 1992. Revised by the WMA General Assembly in Pilanesberg (South Africa), October 2006.
12. Zo stelt artikel 5 (na de herziening in 2006 artikel 6) van de verklaring van Tokio:
"(w)here a prisoner refuses nourishment and is considered by the physician as capable of forming an unimpaired and rational judgment concerning the consequences of such a voluntary refusal of nourishment, he or she shall not be fed artificially” en artikel 13 van de ‘Guidelines for the management of hunger strikers’ van de verklaring van Malta: “Forcible feeding is never ethically acceptable. Even if intended to benefit, feeding accompanied by threats, coercion, force or use of physical restraints is a form of inhuman and degrading treatment.”

Naam auteur: Pauline Jacobs
Geschreven op: 5 juni 2013

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
De vraag stelt zich of de Raad van State slechts heeft "gedwaald". De opvallende overhaasting roept ook vragen op.Welke wettelijke overwegingen wogen voor de Raad van State kennelijk zo zwaar dat de grondrechten van burgers en wetten die hen rechtsbescherming bieden de facto geen prioriteit kregen. Een - door politieke partijen overbodig geachte - onafhankelijk Constitutioneel (Hoog)Gerechtshof zal dergelijke (partijpolitieke?) "dwalingen" m.i. niet snel maken.
a.zecha
Marc de Werd schreef op :
Voor een zeer recente (ontvankelijkheids-)uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens over dwangvoeding in detentie zie de zaak Rappaz t. Zwitserland, van 26 maart jongstleden, ook te lezen in de nieuwsbrief rechtspraak Europa, die maandelijks wordt gepubliceerd op het weblog European Courts: https://europeancourts.blogspot.nl/2013/04/rechtspraak-europa-european-courts.html
Martin Holterman schreef op :
In Nevmerzhitsky v. Ukraine (2005), daarentegen:

93. The Court notes that in previous case-law the Commission held that the “forced-feeding of a person does involve degrading elements which in certain circumstances may be regarded as prohibited by Article 3 of the Convention”. When, however, as in the present case, a detained person maintains a hunger strike this may inevitably lead to a conflict between an individual’s right to physical integrity and the High Contracting Party’s positive obligation under Article 2 of the Convention – a conflict which is not solved by the Convention itself” (see X v. Germany (1984) 7 EHRR 152). The Commission reiterated that “under German law this conflict ha[d] been solved in that it [was] possible to force-feed a detained person if this person, due to a hunger strike, would be subject to injuries of a permanent character, and the forced-feeding [was] even obligatory if an obvious danger for the individual’s life exist[ed]. The assessment of the above-mentioned conditions [was] left for the doctor in charge but an eventual decision to force-feed [could] only be carried out after judicial permission ha[d] been obtained” (ibid.). The Commission also found that the applicant’s allegations of being subjected to ill-treatment while being force-fed on hunger strike were unsubstantiated, as the applicant had failed to prove that the manner of his force-feeding amounted to torture, inhuman or degrading treatment or punishment (see Petar Ilijkov v. Bulgaria, no. 33977/96, § 1, Commission decision of 20 October 1997). It further had due regard to the Recommendations of the Committee of Ministers, the Reports of the CPT and the World Medical Association in respect of the force-feeding of detainees (see paragraphs 64-65 and 68-69 above).

94. The Court reiterates that a measure which is of therapeutic necessity from the point of view of established principles of medicine cannot in principle be regarded as inhuman and degrading. The same can be said about force-feeding that is aimed at saving the life of a particular detainee who consciously refuses to take food. The Convention organs must nevertheless satisfy themselves that the medical necessity has been convincingly shown to exist (see Herczegfalvy v. Austria, judgment of 24 September 1992, Series A no. 244, p. 26, § 83). Furthermore, the Court must ascertain that the procedural guarantees for the decision to force-feed are complied with. Moreover, the manner in which the applicant is subjected to force-feeding during the hunger strike shall not trespass the threshold of a minimum level of severity envisaged by the Court’s case law under Article 3 of the Convention.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.