Discriminatie naar nationaliteit

In artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten staat dat iedereen gelijk is voor de wet. De wet moet discriminatie verbieden en mag dus zeker niet zelf discrimineren, tenzij er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Daarvan is sprake als met een onderscheid een legitiem doel (legitimiteit) wordt nagestreefd, het onderscheid voor het bereiken van dit doel passend is (doelmatigheid) en of het onderscheid geboden is (proportionaliteit).

Bij de beantwoording van die vraag komt de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe (Hoge Raad 15 juli 1998, NJ 2000, 168). Zo maakte de rechtbank Den Haag de opstap naar de vraag of het verbod voor mensen met de Iraanse nationaliteit tot deelname aan bepaalde activiteiten gerechtvaardigd was.

Bij de beantwoording van de vraag of de regeling passend was om het doel te bereiken, stelde de rechtbank voorop dat de Wijziging Sanctieregeling inzake Iran op geen enkele wijze differentieerde naar personen die een risico vormen voor de uitbreiding van nucleaire activiteiten door Iran. Om het met de betrokken Sanctieregeling beoogde doel daadwerkelijk te kunnen verwezenlijken zou volgens de rechtbank een risicoanalyse naar elk individu dat in Nederland en/of door een Nederlandse instelling wordt onderwezen of gevormd op zijn plaats zijn. De regeling was echter louter op een (onjuiste) veronderstelling gebaseerd: dat alleen – en ook alle – mensen met de Iraanse nationaliteit een risico vormen voor proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten door Iran. De in de regeling opgenomen ontheffingsmogelijkheid voor het volgen van (onderdelen van) bepaalde masteropleidingen voorzag niet in een risicoanalyse naar individu omdat alleen mensen van Iraanse afkomst een dergelijke ontheffing dienen aan te vragen en ook dát discriminerend is. Het maken van een zo algemeen onderscheid naar nationaliteit is geen geoorloofd middel om proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten door Iran door kennisoverdracht te verhinderen. Daarbij komt dat de Wijziging Sanctieregeling niet verhinderde dat personen met een andere nationaliteit dan de Iraanse met hun in Nederland opgedane kennis en vorming bijdragen aan de uitbreiding van nucleaire activiteiten door Iran. De regeling is evenmin als een proportioneel middel te beschouwen, omdat er voldoende minder ingrijpende alternatieven bestaan om tot het beoogde doel te komen, zoals het aanscherpen van al bestaande beveiligings- en controlemaatregelen door (bijvoorbeeld) strengere individuele screening dan wel het instellen van dezelfde (minder ingrijpende) maatregelen die door andere lidstaten zijn ingevoerd, zoals het stellen van beperkingen bij het verlenen van visa aan Iraniërs, zoals onder meer in Denemarken en Frankrijk gebeurt. De Wijziging Sanctieregeling is dus in strijd met het in artikel 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod en werd onverbindend verklaard.

Dit was een civiele zaak. Studenten met een Iranees paspoort wilden weer kunnen studeren. De Nederlandse overheid was veel te gemakkelijk geweest met de veronderstelling dat alle mensen met een Iranees paspoort wel op een hoop zouden mogen worden geveegd. Alsof het niet erg is om als bevolkingsgroep te worden bestempeld tot een groep van verdachten.

In de zaak Féret vs België, sedert eind december 2009 definitief, heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens bepaald dat een staat iemand kan vervolgen en straffen vanwege uitingen die groepen naar hun afkomst discrimineren. Deze uitspraak is gedaan onder de vigeur van het Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie. Daarin wordt verboden een onderscheid te maken naar ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming. Voorts wordt staten opgedragen een beleid te voeren dat is gericht op uitbanning van rassendiscriminatie. De betrokken politicus die mensen vanwege hun afkomst systematisch discrimineerde was terecht door de Belgische overheid onder andere gedurende een bepaalde tijd uit zijn passieve kiesrecht ontzet. In de uitspraak van het Hof wordt uitvoerig aandacht besteed aan de gevolgen van het diskwalificeren van hele bevolkingsgroepen vanwege hun afkomst. Door het telkens herhalen van de beschuldigingen kan de indruk ontstaan dat zij terecht zijn.

In de strafzaak Féret ging het om een politicus. In de ogen van het Hof rust op hem een zware verantwoordelijkheid om onterechte beschuldigingen van groepen mensen te voorkomen. Uitdrukkelijk werd overwogen dat van zijn beweringen extra dreiging uitging omdat hij aankondigde dat hij als hij aan de macht zou komen, zijn visie in beleid zou omzetten.

In de civiele zaak van de Iraanse studenten ging het om de overheid zelf. Op haar ligt uiteraard een zeer zware verantwoordelijkheid om groepsdiscriminatie te vermijden. Het is te hopen dat er geen hoger beroep wordt ingesteld en dat de staat het boetekleed aantrekt. Hele categorieën verdacht maken, omdat een enkeling of groepen daarvan iets gedaan heeft resp. hebben dat verboden of afkeurenswaardig is.

Het belang van het verschil tussen beleid dat tegenover een enkeling of groepen wel gerechtvaardigd is en aangekondigd beleid dat tegenover die enkelen naar de mening van velen ook nog niet gerechtvaardigd is, spreekt voor zichzelf. In het geval van de Nederlandse staat en de Iraanse bevolkingsgroep ging het om beleid tegen de uitbreiding van kernwapens, neergelegd in een Europese richtlijn, gebaseerd op een VN resolutie. Volgens de rechter is het goed mogelijk dat beleid uit te voeren, zoals ook elders gebeurt, zonder te discrimineren. En dat is een essentiële boodschap: het gaat erom dat mensen met dezelfde kenmerken van ras en nationaliteit niet worden gezien als elkaars klonen, zeker niet door de overheid.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/270, afl. 6, p. 333.

Naam auteur: Inge van der Vlies
Geschreven op: 8 februari 2010

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

DARK WATERS: een advocaat neemt het op tegen een groot, vervuilend chemiebedrijf

AfbeeldingNJB mag twee vrijkaarten weggeven voor de film Dark waters (vanaf 23 januari in het filmhuis). 

’Het waargebeurde verhaal van advocaat Rob Bilott (Mark Ruffalo) die net partner is geworden bij een prestigieus advocaten kantoor. Als bedrijfsadvocaat voor diverse grote chemie bedrijven, heeft hij reeds zijn sporen verdiend en daarmee zijn toekomst veilig gesteld. Wanneer hij op zijn werk benaderd wordt door een boer uit West Virginia, die beweert dat er giftig afval wordt geloosd op zijn land wat de oogst verpest en het vee doodt, raakt hij verstrengeld in een persoonlijk conflict. In de hoop de waarheid boven water te krijgen, dient Bilott uiteindelijk een klacht in tegen chemieconcern DuPont. Hij begrijpt dat er gevochten moet worden voor de gerechtigheid voor een gemeenschap die al jaren wordt blootgesteld aan dodelijke chemicaliën Het is het begin van een 15 jaar durend gevecht.’’

Mail ons voor vrijkaarten

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.