De Uitspraak: Mag een lijkschouwing plaatsvinden als de ouders dat weigeren?

Mag een lijkschouwer obductie op een onverwacht gestorven kind verrichten, als de ouders dat weigeren?

De Zaak.

Een jongen van acht overlijdt onverwacht. Zijn doodsoorzaak is een raadsel. Bloed-, urine- en oogvocht onderzoek en een CT-scan gaven geen aanwijzing. Er zijn geen sporen van kindermishandeling.

Wel is er een stevige medische geschiedenis. De jongen leed aan epilepsie en was spastisch, als gevolg van zuurstofgebrek. Als baby van twee maanden werd hij met ernstige longontsteking en hartstilstand op de IC opgenomen. Het kind is vaker geopereerd en liep botbreuken op. De lijkschouwer vermoedt een mogelijk aangeboren hartafwijking of een erfelijke aandoening. Hij vraagt de rechter vervangende toestemming om lijkschouwing te mogen doen.

Wat zeggen de ouders?

De ouders willen hun kind rust geven en zonder (extra) littekens begraven, in Turkije. Hij heeft genoeg ‘medische ellende’ meegemaakt in zijn korte leven. Om religieuze redenen moet begraven ook zo snel mogelijk, hoewel dat voor de ouders minder zwaar weegt. Dat door lijkschouwing erfelijke ziektes kunnen worden ontdekt die ook van belang zijn voor hun andere kinderen, is onvoldoende reden. Een lijkschouwing noemt de moeder ‘onverdraaglijk’.

Welk belang dient lijkschouwing buiten de ouders om?

De wetgever maakt ‘nader onderzoek naar de doodsoorzaak’ mogelijk om kindermishandeling op te sporen. In de praktijk werden verklaringen van ‘natuurlijk overlijden’ afgegeven, terwijl behandelaars vermoeden dat er iets mis was. Dat werd dan in het belang van de ‘behandelrelatie’ met de ouders niet aan de orde gesteld. Jaarlijks overlijden ongeveer 200 kinderen met een onduidelijke doodsoorzaak. Bij 50 van hen zou mishandeling een rol hebben gespeeld. De verplichte ‘neutrale’ lijkschouwing moet dat ophelderen – dat zou minder belastend zijn dan een officieel justitieel onderzoek.

Wanneer mag de rechter de ouders wettelijk passeren?

Dat mag al snel. Als er geen duidelijke doodsoorzaak is dat al voldoende.

Hoe weegt de rechter beide belangen af?

Eerst vraagt de rechter de arts nog eens met nadruk of er écht niet een ‘minimaal vermoeden van een uitwendige doodsoorzaak’ (mishandeling) is. Maar dat heeft de arts niet. Ook uit de gezinssituatie valt geen vermoeden van een onnatuurlijke dood te destilleren. Er blijft alleen het vermoeden van een erfelijk belaste doodsoorzaak over, als reden om een lijkschouwing te bevelen. Andere gezinsleden kunnen dan behandeld worden, ook minderjarige.

En waar komt de rechter uit?

Alles afwegende ’vindt de rechter het algemene belang om kindermishandeling beter te kunnen bestrijden „in dit concrete geval” niet opwegen tegen het belang van de moeder. Als zij het ondraaglijk vindt dat haar dode kind geopereerd wordt voor een obductie dan geeft dat de doorslag. Het vinden van een eventueel erfelijke belaste doodsoorzaak vindt de rechter niet zwaar genoeg wegen. Dat is een ‘medisch ethisch nog te omstreden argument’.

En tenslotte stelt de rechter nog een open vraag. Als er geen enkele aanwijzing is dat een kind is overleden door mishandeling verbiedt dan artikel 8 EVRM, het recht op eerbiediging van het privéleven, niet sowieso een gedwongen lijkschouwing? Ook als de ouders ‘geen belang kunnen stellen’, dus hier neutraal in staan?


Lees hier de uitspraak (LJN BY8242).


Er kan ook worden gereageerd op Recht en Bestuur.


Bron afbeelding: ~zymon~

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 26 februari 2013

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
Om de laatste vraag van het artikel te beantwoorden kan worden vastgesteld dat in deze zaak géén aanwijzing(en) bestaat(n) die de verdenking op kindermishandeling of enig ander misdrijf rechtvaardigd(en).
M.i. is het medisch, medisch-ethisch, psychologisch en maatschappelijk cultureel verantwoord dat de kinderrechter het art.8 van het EVRM bij zijn uitspraak heeft laten voorgaan.

Een obductie (“sectie”) ( i.e. opening van het lijk, inspectie van de inwendige organen en eventueel deze geheel of ten dele uit het lijk nemen voor nader onderzoek; hiertoe worden o.a. ter fixatie formaline of alcohol gebruikt of voor sneldiagnostiek “invriezen” aangewend. In voorkomende gevallen worden ook de hersenen uit het lijk gehaald,) kan onder meer worden verricht:
- bij verdenking van een misdrijf;
- ter leniging van de pijn veroorzaakt door het menselijk onvermogen om het overlijden te “verklaren”;
- om vast te stellen dat diagnose en therapie adequaat waren;
- om eventuele bijkomen factoren dat tot de dood hebben geleid vast te stellen of uit te sluiten;
- voor zuiver wetenschappelijk onderzoek; publicatie, proefschrift, etc.

In deze zaak waarbij de moeder voor een obductie geen toestemming gaf, is het m.i. zeer opmerkelijk dat er géén gebruik werd gemaakt van een MRI-scan die beduidend méér visuele gedetailleerde informatie geeft dan een CT-scan kan geven. Een MRI-scan is evenals een CT-scan een bekende niet-invasieve onderzoek methode waartegen de moeder zeker geen bezwaar zal hebben. De kosten van een MRI-scan liggen wel beduidend hoger dan van CT-scan en mogelijk werd een gerechtelijke toestemming als een goedkoper alternatief ingeschat.
a.zecha
Willemde schreef op :
Lijkschouwing van kinderen is een zaak van de ouders, zij moeten kunnen beslissen over wel of niet. Wanneer er echter redenen blijken te zijn die een lijkschouwing noodzakelijk maken, moet een rechter gesteund door een medisch team daarover besluiten.

Jacqueline schreef op :
Bij reactie drie wordt het belang van broertjes en zusjes en hun nakomelingen indien er een erfelijke oorzaak of een (erfelijk?) cardiaal lijden wordt gevonden vergeten.
Bij reactie vier zie ik dat de schrijver niet weet dat er bij het overlijden van een minderjarige altijd standaard wordt overlegd met de lijkschouwer.
Het forensisch argument was het belang van de broertjes en zusjes. Een erfelijk lijden of een cardiaal , mogelijk ook erfelijk lijden is best belangrijk.
Bij reactie zes wil ik toevoegen dat bij een vermoeden van kindermishandeling geen rechter zal weigeren een obductie te doen ook al zijn de ouders ertegen.Ook hier heeft de rechter er nog specifiek naar gevraagd.
Mensen hebben echter het recht niet te weten.
Zoals je een recht hebt op informatie heb je ook het recht het niet te willen weten.
Ook vandaag de dag zeggen sommige mensen heel duidelijk; Als het kanker is wil ik het niet weten.
Dat recht heb je nu eenmaal, hoe vervelend sommmige mensen dat ook mogen vinden.
Co Stuifbergen schreef op :
Bij mijn weten wordt bij het overlijden van een volwassene een lijkschouwer altijd ingeschakeld als de doodsoorzaak niet door een arts vastgesteld is.
(Als u thuis onverwacht een hartaanval of beroerte krijgt, wordt op die manier vastgesteld dat u niet door arseen overleden bent.)
Blijkbaar gebeurt dat bij kinderen alleen als de ouders ermee instemmen.

Ik vind dit vreemd.
(Overigens vind ik ook vreemd dat de overheid wel een onderzoek mag doen naar kindermishandeling, maar kinderen hiervoor niet medisch mag onderzoeken, volgens de informatie van mev. Caroline Forder.)

Paul Kirchhoff schreef op :
De beslissing van de rechter is onder de gegeven omstandigheden juist. De rechter geeft blijk van medeleven door de ouders niet extra te belasten met een voor hen emontioneel moeilijk aanvaardbare obductie.

Frits Jansen schreef op :
Meteen kwam bij mij de vraag op waarom de behandelend arts de moeder niet had kunnen overtuigen van het wetenschappelijke belang van een obductie. En zo kwam ik op de vraag waarom de lijkschouwer was ingeschakeld. Dat moet alleen als er een vermoeden van een niet-natuurlijke dood is. Als ik het goed lees was er in dit geval geen reden voor een dergelijk vermoeden. Het punt was alleen dat er geen duidelijke (medische) verklaring was voor het overlijden. Een arts kan ervan overtuigd zijn dat iemand een natuurlijke dood is gestorven zonder medische precies de doodsoorzaak te begrijpen. Het was kortom een wetenschappelijk vraagstuk – terwijl de lijkschouwer vooral een forensische taak heeft, en het wetenschappelijke argument er zo te horen met de haren bij gesleept heeft, maar vermoedelijk ook dacht aan de allochtone achtergrond van de jongen. Als de moeder zijn argumentatie wantrouwde lijkt mij dat niet ten onrechte.

Uiteindelijk is zo’n juridische escalatie nadelig voor de medische wetenschap.
Frank Mayer schreef op :
Om maar eens een open deur in te trappen; individuen (ook wel mensen) hebben rechten, dit geldt ook voor het individu dat onderwerp van dit artikel is. Nu kunnen we ons een weg pogen te vinden dmv juridische abstractie (al kan dat moeilijk anders) en empathisch plauderen, zoals in het artikel en de eerste twee reactie’s, maar wat is hier feitelijk aan de hand?

Er is sprake van een gestorven kind, er bestaat hierbij geen enkel vermoeden van mishandeling (of een besmettelijke infectieziekte) en wat dat betreft is er geen enkele reden om de lichamelijke integriteit van dit individu te schenden. Sterker nog de moeder (spreekbuis van het individu) geeft aan dat obductie ongewenst is.

Er wordt gesproken over het belang van derden, anderen zouden baat kunnen hebben bij obductie. Dit lijkt mij ‘newspeak’ voor het schenden van de rechten van het individu ten behoeve van het algemeen belang. In werkelijkheid is hier sprake van een individu dat na een kort en lijdvol leven ook nog eens geëxploiteerd dient te worden door (semi)overheidsdienaren, dat dit ten behoeve van derden is doet hier niets aan af.

Ook moet niet vergeten worden dat zij die de obductie plegen uit te voeren niet geheel belangeloos zijn, mochten zij iets interessants aantreffen zullen zij uiteraard niet nalaten er een interessante paper over te schrijven om vervolgens op toernee langs congressen en dergelijke te gaan alwaar zij de inwendige werkingen van het geëxploiteerde individu wereldkundig zullen maken. Geanonimiseerd of niet, het blijft exploitatie aangezien het niet ten behoeve van het gestorven kind is.

Zou het geldend recht voor obductie pleiten dan zou dat niets anders betekenen dan een institutionalisering van het schenden van de rechten van het individu. En naar mijn bescheiden mening is dit een fenomeen dat de laatste jaren steeds meer om zich heengrijpt. Het ontnemen van organen zonder toestemming kon nog net voorkomen worden. Wat te denken bijvoorbeeld van verkeersovertreders die door een cameraploeg, vanaf de achterbank van de surveillancewagen, ongevraagd (en veelal halfslachtig geanonimiseerd), geëxploiteerd worden.

Overigens moet opgemerkt worden dat bij obductie sprake is van het uitnemen van weefsel, een bepaalde hoeveelheid is nodig. Bij jonge kinderen gaat het dan wel gauw om hele organen, gelukkig zijn we het op sterk water zetten tegenwoordig ontgroeid. Het zal je kind maar zijn, of liever gezegd je zal het zelf maar zijn. Een mens is gewoonweg niet een te exploiteren object en hoort zeker geen interessante puzzel voor deskundigen te zijn.
Caroline Forder schreef op :

De kinderrechter heeft naar mijn idee conform artikel 8 EVRM beslist.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft nooit beslist over een obductie, maar heeft zich wel regelmatig uitgesproken over de vraag of autoriteiten tegen de wil van de ouders een onderzoek naar kindermishandeling mogen verrichten. Voor de toepasselijkheid van de rechtspraak van het Europees Hof maakt het niet uit dat in die zaken een onderzoek tijdens het leven van de kinderen beoogd werd en in het hier te bespreken geval een onderzoek na overlijden. De rechtspraak van het Europees Hof is mijns inziens evengoed van toepassing.

Het Europees Hof oordeelt dat autoriteiten (zoals in dit geval een gemeente) onderzoek naar kindermishandeling mogen verrichten, ook wanneer de ouders zich daartegen verzetten. De keuze ten voordele van een onderzoek mag best laagdrempelig zijn (EHRM 25 september 2008, nr. 26664/03 (K.T./Noorwegen). Zelfs wanneer uit het onderzoek blijkt dat het kind zeker niet is mishandeld, kunnen de autoriteiten niet achteraf aansprakelijk worden gesteld voor de schaamte en pijn van de ouders veroorzaakt door het onderzoek (EHRM 30 september 2008, nr. 38000/05 (R.K. en A.K./V.K.)).

De ouders hebben echter wel het recht om te beslissen of hun kind wordt onderzocht. Toen Britse artsen die een vermoeden van kindermishandeling hadden een 9-jarig kind onderzochten zonder toestemming van de ouders, schonden ze de‘artikel- 8-rechten’ van de ouders , te weten hun recht op respect voor hun familie- en gezinsleven (EHRM 23 maart 2010, nr. 45901/05 en 40146/06, (M.A.K. en R.K./V.K.). Ouders hebben dit beslissingsrecht in hun eigen belang en in het belang van hun kind. Ouders zijn doorgaans het beste in staat om het belang van hun kind in te schatten. De moeder in de zaak waarover de kinderrechter besliste heeft het recht over de obductie te beslissen, rekening houdend met haar eigen belang en dat van haar overleden zoon. Zij mag ook beoordelen of de broertjes en zusjes gebaat zijn met een onderzoek naar eventuele erfelijke ziektes.

Nu de vraag waarover de kinderrechter besliste: wanneer dient het beslissingsrecht van de ouders te wijken voor de bevoegdheid en de plicht (op grond van het Kinderverdrag, artikel 19) van de autoriteiten om onderzoek te verrichten? Dit is het geval als er aanwijzingen zijn, op grond waarvan de autoriteiten een vermoeden van kindermishandeling hebben. In de zaak K.T. stelde het EHRM vast: ‘that the national authorities were entitled to consider that initiating a second investigation into the children’s situation while under the applicant’s care was supported by relevant and sufficient reasons’ (§ 66). In de zaak R.K. en A.K. oordeelde het Europees Hof dat de autoriteiten ‘genuinely and reasonably held concerns’ over een baby die om onverklaarde redenen gebroken benen had (§ 36).

De vraag van de kinderrechter of er in weerwil van het voorschrift in artikel 74 van de Wet op de lijkbezorging enige aanwijzing was voor kindermishandeling, strookt met artikel 8 en is terecht. De moeder in deze zaak had haar zoontje een dag voor de zitting zien sterven, wat afschuwelijk is. Daar zou dan bij komen dat het enkele feit van overlijden aanleiding geeft voor een vermoeden van kindermishandeling.

Caroline Forder is bijzonder hoogleraar Rechten van het kind aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en NJB-expert.

Aart Hendriks schreef op :

Rechtbank Amsterdam zaait verwarring over NODO-procedure

Staten zijn juridisch verplicht de doodsoorzaak van overledenen te onderzoeken. Dat volgt uit het recht op leven, zoals vastgelegd in artikel 2 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Zo’n onderzoek is nodig om te achterhalen of mensen wellicht zijn komen te overlijden door een misdrijf. De hiervoor verantwoordelijken kunnen dan worden vervolgd. Maar het onderzoeken van de doodsoorzaak kan dergelijke verdenkingen ook wegnemen, zoals we afgelopen week zagen bij Anass Aouragh.
De Wet op de lijkbezorging voorziet daarom in een systeem, waarbij het in eerste instantie aan de behandelend arts is om te bepalen of er sprake is van een zogenaamde ‘natuurlijke’ of ‘onnatuurlijke’ doodsoorzaak. In het eerste geval kan worden overgegaan tot begraven of crematie; in het tweede geval moet eerst de gemeentelijk lijkschouwer worden ingeschakeld en daarna eventueel het openbaar ministerie.

Bij kinderen is overlijden – gelukkig! – een zeldzaamheid. Overlijden is bij hen daarom bij voorbaat ‘verdacht’, in de zin dat niet te snel mag worden uitgegaan van een natuurlijke doodsoorzaak. Behandelend artsen hebben echter doorgaans weinig ervaring met het doen van een lijkschouw bij minderjarigen. Uit onderzoek is gebleken dat de kwaliteit van dergelijk onderzoek te wensen overlaat; te snel gaan behandeld artsen over tot het afgeven van een verklaring van natuurlijke dood. Hierdoor dreigt Nederland zijn mensenrechtelijke verplichtingen niet na te komen; de doodsoorzaak van mensen moet immers zorgvuldig worden vastgesteld.

Vandaar dat sinds 2010 voor behandelend artsen de wettelijke verplichting geldt om bij het overlijden van een minderjarige altijd te overleggen met een gemeentelijk lijkschouwer. Indien beiden overtuigd zijn van een natuurlijke dood, kan de overlijdensverklaring worden afgegeven. Indien de doodsoorzaak evenwel onverklaard blijft, moeten zij – sinds 1 oktober 2012 – contact opnemen met een NODO-centrum, dat dan het onderzoek overneemt.

In de onderhavige situatie was sprake van een onverklaarde dood, waarbij aangetekend dat onverklaard een veel ruimer begrip is dan een vermoeden van kindermishandeling. In het kader van de NODO-procedure kunnen de betrokken onderzoekers diverse stappen zetten om de doodsoorzaak te achterhalen, waaronder informatie verzamelen bij de ouders, een schouw verrichten bij het overleden kind en, indien nodig, een obductie laten uitvoeren. Voor dat laatste is, volgens de wet, de toestemming van de ouders nodig. En in deze zaak weigerde de moeder dit te geven.

De Rechtbank Amsterdam beslist op basis van een belangenafweging. De rechtbank was van oordeel dat het algemeen belang om meer inzicht te krijgen in doodsoorzaak van het kind in dit geval niet opwoog tegen het belang van moeder, dat het voor haar onverdraaglijk is als haar overleden zoontje door middel van sectie aan nader onderzoek zou worden onderworpen. Toegegeven, door het (moeten) vragen van toestemming aan de ouders, loop je het risico dat ze ‘nee’ zeggen. Maar door ouders een ruime mogelijkheid te bieden om toestemming te onthouden en door het belang van NODO te verengen tot het verkrijgen van inzicht bij kindermishandeling, geeft de Rechtbank Amsterdam aan (het belang van) de NODO-procedure niet goed te hebben begrepen. En voor zover artikel 8 EVRM al in het geding is; de uit artikel 2 EVRM volgende onderzoeksplicht rechtvaardigt een inbreuk hierop.

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit van Leiden en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.