De Uitspraak: Mag een Europees land weigerambtenaren en kruisjesdragers ontslaan?

Staat het Europese Mensenrechtenverdrag het ontslag van (christelijke) weigerambtenaren en dragers van kruisjes ook in Nederland toe?

De Zaak.

Een stewardess, een verpleegster, een ambtenaar van de burgerlijke stand en een relatietherapeut worden in het Verenigd Koninkrijk ontslagen of geschorst vanwege hun persoonlijke, religieuze overtuigingen.
De stewardess en de verpleegster werden door de werkgever verboden om een kruisje aan een halsketting te dragen. De vliegmaatschappij vond dat in strijd met het zakelijke imago van het bedrijf. Het ziekenhuis wilde infecties voorkomen.
De ambtenaar en de therapeut hebben religieuze bezwaren tegen homoseksuele stellen. De één wil ze niet inschrijven bij de gemeente. De ander wil hen geen relatietherapie geven.
De (Britse) rechters vonden dat er geen sprake is van discriminatie en keuren de handelwijze van de werkgevers goed.

Waarop baseren zij zich?

Artikel 9 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens verschaft iedere Europeaan het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Artikel 14 verbiedt discriminatie „op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”

Waarom is dit relevant?

Nederland kent ook weigerambtenaren en orthodoxe gelovigen in geüniformeerde beroepen die hun kruisjes zichtbaar willen dragen. En werkgevers die daar geen ruimte aan willen bieden. Het Hof in Straatsburg doet uitspraken die in alle lidstaten gelden – burgers kunnen zich er rechtstreeks op beroepen. De vraag is dus of het onderscheid dat de werkgevers van hun nationale rechter maakten toegestaan is, dus binnen de normen van het Verdrag valt.

Wat zegt Straatsburg?

Alleen de stewardess had niet geschorst mogen worden vanwege haar kruisje. De rest is terecht ontslagen. De sancties tegen de verpleegster, de ambtenaar en de therapeut bleven binnen de grenzen van het verdrag. Het Hof laat dus de nationale Britse rechter (en wetgever) een ruime marge om in deze gevoelige materie eigen keuzes te doen.

Wat deed de vliegmaatschappij dan fout?

Er werd niet erkend dat het zichtbaar dragen van een kruisje een ‘uiting van religie’ is, waartoe iemand zich best verplicht kan voelen. Je mag van de werknemer ook geen hard bewijs eisen dat zijn religie hem daartoe ook feitelijk verplicht. De wens van het bedrijf een zakelijk imago uit te stralen weegt bovendien minder zwaar dan de vrijheid van de werknemer hun religieuze identiteit te communiceren. Zeker nu het om een discreet kruisje ging. En andere werknemers in hetzelfde bedrijf een hoofddoek of een tulban mochten dragen.
Het belang van het ziekenhuis in het arbeidsconflict mocht echter wel zwaarder wegen dan dat van de verpleegster. Het sieradenverbod moest namelijk infecties helpen voorkomen. Dat is belangrijker dan vrijheid van religie.
In de zaak tegen de ambtenaar en de therapeut keurde het Hof de ontslagen goed. De Britse rechters waren binnen de ruime marge van eigen beoordelingsvrijheid gebleven, die het Hof pleegt toe te kennen. Het belang om homoseksuelen gelijke rechten te geven mocht hier zwaarder wegen dan de vrijheid van religie.


Lees de EHRM-uitspraak Eweida and others v. the United Kingdom (App. No(s).48420/10, 36516/10, 51671/10, 59842/10) van 15 januari 2013.


Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur

 

 

 

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 7 februari 2013

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Leendert van Beek schreef op :
Over de uitspraak van het EHRM heb ik een aantal vragen:
1. Wat is de precieze reden dat de Britse rechter Ladele ongelijk geeft?
2. Hanteert de Britse rechter (ook) een grondrechtenhiërarchie, maakt hij een belangenafweging?

Wat ik ervan begrepen heb, is dat collega's van Ladele klagen over extra werk. Dat lijkt me toch wel wat merkwaardig, zoveel extra trouwpartijen zal het homohuwelijk toch niet teweeg brengen?
Marius van Huygen schreef op :
Gewetensvrijheid is misschien wel de belangrijkste vrijheid waarover de mens beschikt. Hiermee kan men zijn gedrag in de maatschappij afstemmen volgens normen die van jongs af aan tijdens iemands opvoeding zijn gevormd. De gewetensfunctie is wellicht de belangrijkste gedragsbepaler binnen de maatschappij en het recht en zelfs belangrijker dan afdwingbare wetten.
Artikel 9 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens sluit daar volledig op aan.
Het discriminatie verbod in art.14 staat daar in wezen haaks op aangezien het in feite de consequentie van art.9 niet erkent nl. dat de ‘vrije’ meningsuiting ook discriminatie kan inhouden.
In het geval van de ‘weigerambtenaar’ hoeft het echter niet om werkelijke discriminatie te gaan omdat het huwen van homoseksuelen in Nederland ten alle tijden mogelijk is. De vrije meningsuiting van ‘weigerambtenaren’ doet er in dit verband er nog niet eens toe.
Kortom er wordt door diverse rechtscolleges een oplossing gevonden voor een probleem dat niet bestaat.

Reinier Bakels schreef op :
Of je weigerambtenaren nu sympathiek vindt of niet, het principe moet overeind blijven dat een ambtenaar een beroep op zijn geweten kan doen. Als er ooit politieambtenaren zijn die weigeren vrouwen met een boerka te arresteren moet dat ook kunnen.
Discriminerend wordt het pas met die weigerambtenaren als er onvoldoende trouwambtenaren zijn om “same sex” huwelijken te sluiten.

Herman Karper schreef op :
Het dragen van een kruisje, een hoofdoek, keppeltje of wat dan ook met de bedoeling kenbaar te maken dat men een bepaalde religie aanhangt heeft niets met de vrijheid van religie te maken en even weinig met de religie zelf. Het zijn slecht reclameuitingen.
In het vrije veld is daar alle vrijheid voor, maar bij publieksfuncties is het voor veel mensen ongewenste reclame, zo ook bij commerciele bedrijven die t.b.v. hun imago kledingvoorschriften hanteren.

F.T. Oldenhuis schreef op :

Ruimte voor religie
1. Conflicten over recht en religie zijn aan de orde van de dag. Elke krant plaatste in 2010 de foto waarop een boer uit de Alblasserwaard zich vóór zijn huis liet fotograferen met als daktekst: JEZUS REDT. B&W lagen dwars. Hij ging tot aan de Raad van State, maar die gaf hem ongelijk. Het kruis (5 cm lang) van de uit Egypte afkomstige Amsterdamse tramconducteur haalde evenzeer de pers in 2010. Het Amsterdamse vervoersbedrijf (GVB) re-stylde de ‘out-fit’ van het personeel; slechts het GVB-logo was toegestaan. De conducteur weigerde zijn kruis af te doen en werd geschorst. Een onderscheid waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, zo luidde zijn klacht. Rechtbank zowel als Hof gaven hem ongelijk. De schoolleiding van het (R.K). Don Boscocollege scherpte in 2010 de identiteitsregels aan: hoofdoekjes af! Een (Islamitische) leerling weigerde dat. Rechtbank zowel als Hof gaven haar ongelijk. Op de Dr. K. Schilderschool te Oegstgeest kwam in 2011 een gehuwde schoolmeester uit de kast. Het enkele feit van samenwonen met een vriend kon niet leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De school kreeg in eerste instantie ongelijk.
2. Is er lijn in de Nederlandse rechtspraak? Van origine zijn grondrechten bedoeld als bescherming tegen de overheid. Elke burger mag in huis belijden wat hij wil. Bijzondere scholen liggen in het verlengde van het privé-domein, de uitingsvrijheid is ook daar welhaast onbegrensd. De leerling zal moeten wijken; de leraar in de regel ook. Zodra een burger echter met zijn religieuze opvatting naar buiten wil treden, gelden er beperkingen. De boer met zijn dakpannen zal zich als eigenaar van zijn woning moeten schikken naar de Welstandwet, met inbegrip van de excessenregeling. Voor een burger in een overheidsfunctie (rechter/ambtenaar van de burgerlijke stand, etc.) geldt het grondrecht evenmin onverkort. Hoe representiever de functie des te sterker zal hij moeten zich moeten schikken, dat wil zeggen terughoudend zijn met het etaleren van eigen opvattingen. De toga van de ambtenaar van de burgerlijke stand verbergt de eigen opvatting over het (homo) huwelijk! Een rechtsstaat dient weliswaar ruimte te bieden aan religieuze minderheden, ook al heeft de democratische meerderheid geen affiniteit met de ingenomen standpunten, maar niet in elke situatie. Werknemers binnen bedrijven hoeven zich in mindere mate te schikken – de verhoudingen zijn horizontaal. Veel hangt af van het bedrijfsdoel. De rechter vindt de eis dat het GVB-speldje in Amsterdam als enige blikvanger voor toeristen mag dienen, gerechtvaardigd. Als de hygiène daartoe noodzaakt, moet een verpleegster zich ontdoen van haar hugenotenkruisje.
3. Spoort deze Nederlandse rechtspraak met de vier EHRM-uitspraken van 15 januari 2013? In grote trekken wel. Mevrouw Ladele weigerde als gemeentefunctionaris geregistreerde homo’s of lesbiennes te registreren. In functie kan dat niet, schikken dus! In dezelfde lijn ligt de zaak Mc. Farlane, de relatietherapeut die weigerde ‘holebi’s te helpen. Het bedrijfsbelang prevaleert. In die lijn dient ook de beslissing te worden geplaatst waarin een verpleegster haar ‘halskruisje’ moet afdoen. Maar het blijven uitzonderingen! Regel is: ruimte voor religie binnen het publieke domein. Dat signaal laat het EHRM uitgaan in de zaak mw. Eweida tegen British Airways. Voor een verbod haar kruisteken discreet te dragen, bestond geen noodzaak, mede omdat de Sikh Tulband en de hidjab (islamitische hoofddoek) wél mochten worden gedragen. Ruimte voor religie, maar wél met reflectie!

F.T. Oldenhuis is hoogleraar Religie en recht (RUG) en NJB-expert.

Titia Loenen schreef op :

Geen land is dus verplicht weigerambtenaren te ontslaan
Met deze uitspraak bevestigt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat de nationale autoriteiten een ruime beoordelingsvrijheid hebben als het gaat om de vraag welke beperkingen mogen worden gesteld aan manifestaties van religie op de werkvloer. In de praktijk betekent dit dat een land min of meer vrij spel heeft om een en ander naar eigen inzicht te regelen. Dat blijkt ook in de behandelde zaken. Alleen in het geval van de stewardess is volgens het Hof duidelijk een onjuiste afweging gemaakt doordat te weinig rekening is gehouden met haar belang om uiting te geven aan haar religieuze identiteit, terwijl het belang van de werkgever zeer gering was. Tegen andere religieuze uitingen als een tulband of hoofddoek maakte de werkgever immers geen bezwaar.
Het meest in het oog springende belang van de uitspraak voor Nederland betreft het oordeel dat weigerambtenaren mogen worden ontslagen. Over dit onderwerp bestaat ook in ons land grote onenigheid. De (voormalige) Commissie Gelijke Behandeling was aanvankelijk van oordeel dat de Algemene Wet Gelijke Behandeling meebrengt dat een gemeente niet van een trouwambtenaar mag eisen dat hij of zij ook bereid is om paren van gelijk geslacht te huwen. In 2008 kwam zij daar echter op terug: dat mag wel. Ook de politiek was en is verdeeld. Eerdere kabinetten hielden de weigerambtenaar nog de hand boven het hoofd, maar in het huidige regeerakkoord is afgesproken dat geen nieuwe weigerambtenaren meer zullen worden aangesteld. Wat het Europese Hof betreft mag men nog een stap verder gaan; ook ontslag van zittende weigerambtenaren is immers toegestaan.
Tegelijkertijd is het goed te beseffen dat het Hof nergens zegt dat de overheid ook verplicht zou zijn om weigerambtenaren te ontslaan. Dat lijkt ook logisch, omdat de nationale autoriteiten op dit terrein nu eenmaal een ruime beoordelingsvrijheid hebben om de rechten en belangen die in het geding zijn af te wegen. En dat betekent dat ook een andere uitkomst niet per definitie onacceptabel zou zijn.
Dit laatste nu is precies de reden waarom de uitspraak van het Hof voor velen onbevredigend zal zijn, ongeacht of je het met de specifieke uitkomst in de vier zaken eens bent of niet. De ruime beoordelingsvrijheid die het Hof aan de nationale autoriteiten laat, heeft als consequentie dat het Hof accepteert dat de feitelijke vrijheid om aan godsdienst uiting te geven per land aanzienlijk zal kunnen verschillen.
Tot slot is vermeldenswaard dat het Hof afstand neemt van enkele argumenten die ook in het Nederlandse maatschappelijke en politieke debat nogal eens worden gebruikt als rechtvaardiging voor het beperken van bepaalde religieuze uitingen. De godsdienstvrijheid beschermt volgens het Hof niet alleen uitingen die voortvloeien uit een religieuze verplichting. Ook andere uitingen vallen er onder, mits die nauw verbonden zijn met de religieuze overtuiging. Het maakt dus niet uit of bijvoorbeeld het dragen van een kruisje, hoofddoek of boerka op een religieuze verplichting berust of een vrijwillige geloofsuiting is. Verder distantieert het Hof zich van de gedachte dat in zaken als de onderhavige de godsdienstvrijheid überhaupt niet in het geding is, omdat je toch vrij bent een andere baan te nemen als bepaalde beperkingen je niet bevallen. De Nederlandse rechtspraak is overigens geheel in lijn met deze benaderingen van het Hof.

Commentaar bij EHRM 15 januari 2013, Eweida e.a. tegen Verenigd Koninkrijk (appl.no. 48420/10, 59842/10, 51671/10 en 36516/10);

Titia Loenen is hoogleraar Mensenrechten en Diversiteit aan de Universiteit Utrecht, en NJB-expert.

Janneke Gerards schreef op :

De uitspraak van het EHRM in Eweida e.a. bevat verschillende interessante elementen. Er zijn enkele nieuwe criteria voor het definiëren van ‘religieuze uitingen’ en er is een opvallend inconsistente beoordeling van verboden op religieuze symbolen op de werkvloer. Daar is veel over te zeggen, maar ik richt me hierna op de aspecten die van belang zijn voor de Nederlandse discussie over gewetensbezwaarde trouwambtenaren.

Meest opvallend is de duidelijkheid en absoluutheid van het oordeel van het Hof over gewetensbezwaren. Of het nu gaat om sekstherapeut MacFarlane die niet al zijn cliënten wil adviseren, of om trouwambtenaar Ladele die geen partnerschappen tussen homo’s wil sluiten, het beoordeelt de kwestie op precies dezelfde manier. In beide gevallen is de toetssteen het bestaan van een antidiscriminatiebeleid bij de werkgever, en in beide gevallen vindt het Hof dit zo gewichtig dat de religieuze bezwaren van de werknemer daartegen niet opwegen. Dit vrij simpele oordeel maakt een aantal ingewikkelde discussies ogenschijnlijk irrelevant: de discussie over het inpassen van religieuze opvattingen binnen en buiten de publieke dienst, de discussie over neutraliteit van de overheid, en de discussie over het stellen van neutraliteitseisen door private werkgevers. In alle gevallen mag een werknemer worden ontslagen, als het oprechte doel maar is om discriminatie tegen te gaan.

De absoluutheid van dit oordeel is op verschillende plaatsen in de uitspraak te herkennen. Zo besteedt het Hof geen aandacht aan een belangrijk argument in het Nederlandse debat over gewetensbezwaarde trouwambtenaren. In Nederland is lange tijd volgehouden dat de noodzaak om ‘iets te doen’ aan gewetensbezwaarde trouwambtenaren niet zo groot is, zolang er voldoende ambtenaren beschikbaar zijn om homohuwelijken te voltrekken en zolang trouwlustige stellen maar niets merken van de bezwaren van (sommige) ambtenaren. Kool en geit worden in dit compromis gespaard: recht wordt gedaan aan religieuze opvattingen, terwijl er voor het oog van de wereld geen sprake is van discriminatie. Dit is een weinig principieel compromis, en daarom is het altijd controversieel geweest. Tegelijkertijd heeft het een groot voordeel: het komt tegemoet aan de belangen die door art. 9 EVRM worden beschermd. Het Hof negeert deze discussie en laat, als gezegd, het belang van nondiscriminatie volledig prevaleren boven het belang van ‘accommodatie’ van gewetensbezwaren. Of tussenoplossingen mogelijk waren geweest, vindt het Hof kennelijk niet van belang.

Een net zo absolute houding is zichtbaar bij een ander Nederlands discussiepunt. Het Hof vermeldt dat Ladele al ambtenaar was voordat de Civil Partnership Act werd ingevoerd, maar het verbindt daaraan geen conclusies. Daarmee is de uitspraak van het Hof veel minder genuanceerd dan, bijvoorbeeld, een recente voorlichting van de Raad van State. Van ambtenaren die nu in dienst treden, mag volgens de Raad van State worden verwacht dat zij de geldende wetgeving volledig onderschrijven. Zij kunnen zich dan ook niet op gewetensbezwaren beroepen als hen wordt gevraagd een homohuwelijk te sluiten. Bij ambtenaren die al voor de openstelling van het huwelijk in dienst waren, moet meer coulance worden betracht. Het Hof lijkt een dergelijke coulance niet nodig te vinden. Zo vereist het niet dat onderzoek is gedaan naar mogelijkheden voor een overgangsregeling.

De uitspraak van het Hof is dus behoorlijk radicaal. Een strikt verbod op handelen vanuit gewetensbezwaren, met het doel om discriminatie te bestrijden, stuit niet op bezwaren vanuit art. 9 EVRM, of dit verbod nu aan ambtenaren of aan werknemers wordt opgelegd. Het Hof vereist niet dat wordt gezocht naar tussenoplossingen of compromissen om de strijdende grondrechten (gelijke behandeling en godsdienstvrijheid) met elkaar te verenigen. Het Hof is daarin zelfs zo absoluut, dat ik mij (zeker gelet op de korte motivering) afvraag of dit is wat het echt wilde bereiken. Maar voor Nederland misschien belangrijker is de andere kant van het verhaal: de uitspraak schrijft ook zeker niet voor dat het geven van uitdrukking aan gewetensbezwaren wordt verboden. Daarover laat het Hof zich simpelweg niet uit. Het laat bovendien een ruime ‘margin of appreciation’, zodat staten die maatregelen kunnen treffen die voor hun omstandigheden het meest passend zijn. Het is daardoor heel goed denkbaar dat het tussenvormen en compromissen wel degelijk aanvaardbaar zal vinden. Voor Nederland betekent het dat de Haagse politici toch echt hun eigen keuzes moeten maken – de uitspraak laat niet meer zien dan dat art. 9 EVRM minder belemmeringen oplevert voor vergaande verboden dan menigeen dacht.

Janneke Gerards is hoogleraar fundamentele rechten aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.