De Uitspraak: Is de zorgverlener strafbaar als zijn hulpeloze patient zich ernstig brandt in een te heet bad?

Is de zorgverlener strafbaar als zijn hulpeloze patiënt zich ernstig brandt in een te heet bad? En daarna de oorzaak niet meteen aan de ouder vertelt?

De zaak.

Een twintigjarige dubbelgehandicapte bewoner van een zorginstelling verbrandt haar voeten in een te heet bad. De begeleider die haar in bad deed wordt door de officier van justitie verweten opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te hebben toegebracht. Ook wordt hem aangerekend de oorzaak te hebben verzwegen. Daardoor liet hulp op zich wachten.

Wat zijn de feiten?

De gehandicapte vrouw zit een paar minuten in bad, maar verstijft onverwacht. De begeleider wil haar in een andere houding zetten en ontdekt dat het water veel te heet is. De thermostaatkraan staat veel te ver open. Hij laat snel het water weg lopen en koelt de vrouw met lauw water. Zij heeft rode plekken op haar voeten. Later blijken dat tweedegraads brandwonden te zijn. Ook zit er een grote blaar onder haar voet met wondvocht. De begeleider waarschuwt zijn leidinggevende en een collega. De verwondingen worden verzorgd. De vrouw wordt opgehaald door haar moeder, die met haar naar de huisarts en de dermatoloog gaat.

Heeft de begeleider de brandwonden veroorzaakt?

Het parket vindt dat de begeleider wist of had moeten weten dat het water te heet was. De temperatuur had met de hand gecontroleerd moeten worden. Door dat niet te doen accepteerde de begeleider de aanmerkelijke kans dat er letsel zou ontstaan. Dat heet voorwaardelijk opzet.

De verdediging zegt dat de begeleider het water wel heeft gecontroleerd. De hoge temperatuur zou daarna zijn ontstaan. De thermostaatkraan was waarschijnlijk defect. Dat de brandwonden alleen aan de voeten optraden en niet aan de billen wijst op een geleidelijk oplopende temperatuur.

Heeft de begeleider genoeg gedaan na het incident?

De officier vindt van niet. De begeleider heeft niet verteld dat de verwonding mogelijk door te heet water is veroorzaakt. Ook dat zou voorwaardelijk opzet zijn – de aanmerkelijke kans aanvaarden dat medische hulp uitblijft.

De verdediging wijst erop dat de begeleider haar chef riep en samen met een collega de blaren verzorgde. Ook is de moeder gebeld en verteld dat een bezoek aan de huisarts gewenst is.

Wat zegt de rechtbank?

De rechter sluit niet uit dat de thermostaatkraan stuk was. Deze kraan werd namelijk snel vervangen – een paar weken later bleek een andere kraan (ook?) defect. Dat de voeten verbrandden en de billen niet, wijst inderdaad op geleidelijk opwarmen. De begeleider wordt vrijgesproken van het toebrengen van zwaar letsel.

Maar de rechtbank vindt dat de begeleider ook tekort schoot. Hij zette meteen de koude kraan aan. Maar ontkende vervolgens dat de verbranding door heet water kwam. „Pas later die middag heeft de verdachte zijn begeleidster [...] verteld wat er die ochtend werkelijk is gebeurd”, zegt de rechtbank. „Het is derhalve niet aan verdachte, maar aan de moeder te danken dat uiteindelijk medische zorg is ingeroepen”.

De officier eiste 80 uur taakstraf – de rechtbank legt 35 uur op wegens het niet verlenen van adequate medische zorg.

De uitspraak (LJN BV9549) is hier te vinden.

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 19 april 2012

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

F Huitema schreef op :
Mijn spontane reactie was dat het opbiechten van de ware toedracht mogelijk ook een arbeidsrechtelijke component had. In het artikel komt dat element niet aan de orde en wellicht was de werknemer in kwestie helemaal niet bevreesd voor zijn carriereperspectief.

Waar in het arbeidsrecht vaak zeer vergoelijkend wordt geoordeeld over ge- en misdragingen van gewone werknemers, en volgens de rechter de werkgever voor zo ongeveer alles wat in het leven van een werknemer misgaat, mag opdraaien, wordt hier de werknemer van de zorginstelling op het schavot geplaatst.

Ik snap dat het OM de richtlijnen die @Hendriks aanstipt, wil handhaven en daardoor stevig uitpakt. De door het OM toegedichte individuele verantwoordelijkheid van deze verzorger staat in mijn ogen in geen verhouding tot die van een willekeurige andere werknemer.
Joost Genève schreef op :
Hoe verhoudt in dit geval de plicht to hulpverlening zich tot
het recht niet mee te hoeven werken aan de eigen vervolging? De verzorger kan hebben gevreesd dat de verbrandingen hem strafrechtelijk aangerekend zouden worden, en terecht, want hij is hiervoor ook vervolgd door het OM. Door het incident met details te melden openbaarde hij dus in feite een potentieel zwaar misdrijf, iets waartoe iemand volgens mij niet verplicht is (of in dit geval dus wel?). Ik meen me te herinneren dat een aantal jaar terug een juwelier die een dodelijke schotwond bij een inbreker verzweeg met succes een beroep heeft gedaan op het niet hoeven mee te werken aan de eigen vervolging.
Paul Kirchhoff schreef op :
Opvallend dat personen die lager in de rangorde van de medische beroepsoefenaren staan zo snel voor de rechter moeten verschijnen.
Een neuroloog kan jarenlang ravages aanrichten onder zijn patienten maar wordt pas aangepakt nadat hij tientallen slachtoffers heeft gemaakt.
Deze man verliest zijn bevoegdheid om in Nederland als arts werkzaam te zijn en wijkt uit naar Duitsland waar hij voortgaat op de oude weg.

Een orthopedisch chirurg die dubieuze experimentele operaties uitvoert wordt wel uit de maatschap gestoten maar niet vervolgd.

Een eenvoudige verzorger in een instelling krijgt na een fout, het niet onmiddellijk inroepen van deskundige hulp na een incident, wel meteen te maken met het OM.
Het is beslist geen excuus maar de enorme werkdruk in dit soort instellingen zal zeker een rol gespeeld hebben.
Oscar Oranje schreef op :
Ik vind de opstelling van het OM op zijn zachtst gezegd onbarmhartig. Stel dat de patiënt door de grote thermische verandering een hartaanval had gehad, dan had dat dus geleid tot een doodslag aanklacht in plaats van dood door schuld. Lijkt of het OM hier heeft gedacht, niet geschoten is altijd mis. Er mag toch een meer integere aanpak van het OM verwacht worden.
yf meurs schreef op :
Misschien kunnen de NJB medewerkers, in plaats van hun visie op de gekozen conceptuele kaders, aan het lezend publiek uitleggen hoe een dergelijk ´incident´ (uit het verhaal blijkt niet dat er sprake zou kunnen zijn van een georganiseerde opzettelijke benadeling in breder verband) bij de strafrechter terecht komt.
Het medisch tuchtcollege wordt tegenwoordig door gedupeerden eerder gezien als een dekmantel voor de medici en medische ´missers´ worden meestal in een klachtencommissie binnenskamers afgehandeld (dit is de gemiddelde perceptuele werkelijkheid).
Aart Hendriks schreef op :

Nalaten arts in te schakelen staat gelijk aan verlating hulpbehoevende

Het is een grote zeldzaamheid dat hulpverleners in Nederland strafrechtelijk worden vervolgd wegens verlating van een hulpbehoevende persoon. Dit is naar mijn weten alleen eerder gebeurd in de zaak Millecam. Getracht is toen Jomanda en twee artsen (ook) te laten veroordelen wegens het in hulpeloze toestand laten van de comédienne Sylvia Millecam. In 2010 concludeerde het Amsterdamse gerechtshof echter dat er geen sprake was van ‘hulpbehoevendheid’ in de zin van de wet.

In de zaak van de activiteitenbegeleider komt de strafrechter tot een andere conclusie; hier was wel sprake van hulpbehoevendheid. Volgens de rechter was ook voldaan aan de andere delictsbestanddelen. Alleen al daarom is deze zaak uniek.

Eerst nog het volgende. Verbranding en verdrinking van patiënten tijdens het baden komen helaas regelmatig voor in ons land. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) ontving hierover in de periode 2005-2007 liefst 59 meldingen, waarvan 34 met dodelijke afloop. Voor de IGZ was dit reden voor het uitgeven van een speciale circulaire (2008-07-IGZ). Hierin roept de IGZ de besturen van zorginstellingen op de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van verbranding en verdrinking van patiënten tijdens het baden en douchen.

Hieruit volgt dat het primair de taak is van het instellingsbestuur om te voorkomen dat patiënten verbrandingen oplopen tijdens het baden. Dit kan door het personeel goed te instrueren, het opstellen van protocollen en het nemen van andere veiligheidsmaatregelen. In de – overigens zeer spaarzame – strafzaken die betrekking hadden op de dood of verwonding van patiënten bij het baden, werden niettemin uitsluitend individuele hulpverleners aangeklaagd. Zo werd een medewerker wonen in 2006 veroordeeld tot een taakstraf wegens ‘dood door schuld’ (Rb. Breda 6 april 2006, LJN AV8715). Net als thans in de Rotterdamse strafzaak tegen de activiteitenbegeleider keek de rechter daar niet naar de veiligheidsmaatregelen die de instelling had getroffen. Sterker, in de Rotterdamse zaak overweegt de strafrechter dat de activiteitenbegeleider ‘ook gezien zijn opleiding, zich had moeten realiseren dat een arts naar de verwondingen keek.’

Wat mij betreft is het een gemis dat de rol van de instelling hier geheel buiten beschouwing blijft. Zo blijft in het midden of de instelling de circulaire van de IGZ wel had nageleefd.

Dat de strafrechter de activiteitenbegeleider uiteindelijk een taakstraf oplegt valt te begrijpen. In Nederland is iedereen die op grond van de wet of overeenkomst tot verzorging verplicht is gehouden een persoon te helpen voor wie er gevaar bestaat voor leven of gezondheid. In de onderhavige zaak was sprake van een verzorger die alleen al krachtens overeenkomst tot verzorging verplicht was. Van hulpbehoevendheid was in de onderhavige zaak duidelijk sprake: een meervoudig gehandicapte patiënt met brandwonden, die zichzelf niet kon redden. De verzorger was zich van dit alles bewust. Ook zonder circulaire of protocollen is dan evident dat je als professioneel verzorger een arts moet inschakelen en openheid moet betrachten. Het is daarom terecht dat de veroordeling is gebaseerd op het nalaten om hulp in te roepen, waardoor de patiënt onnodig laat en op basis van onvolledige informatie alsnog door een arts is geholpen.

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden en NJB-expert.

Theo de Roos schreef op :

Wat in deze zaak opvalt is de nogal agressieve benadering van het OM: tjonge jonge, mikken op bewezenverklaring van opzet – zij het in de voorwaardelijke variant, maar dat maakt in moreel opzicht weinig uit – op het toebrengen van ernstig letsel! Terecht wordt deze benadering door de rechtbank afgeketst. Vervolgens stuiten wij op een laag die de werkelijke problematiek in deze soort van zaken kenmerkt.

De meervoudige kamer veroordeelt de zorgverlener omdat hij kort gezegd te laconiek heeft gereageerd op de mogelijke gevolgen van een door hem op zichzelf wel degelijk geconstateerd schadelijk gebeuren, Op zichzelf is het volgens mij terecht dat de lat voor zorgverleners hoog wordt gelegd. Gediplomeerde functionarissen hebben een verzwaarde zorgplicht, dat weten wij in het strafrecht al sinds het Verpleegster-arrest ( Hoge Raad 19 februari 1963, NJ 1963, 512 met noot van Röling).

U weet wel, de vermoeide omloopzuster die aan de chirurg het verkeerde injectiespuitje aanreikt. Toch blijven dit lastige zaken. Een routineuze aanpak van op zichzelf toegewijde zorgwerkers kan kennelijk onvoldoende blijken. De benadering van het OM lijkt te duiden op het streven ernstige misstanden aan de kaak te stellen. Is de verdachte in deze ene zaak dan een soort zondebok? En als dat zo is, is dat dan terecht? In het jargon worden deze zaken aangeduid als ‘culpoze’ delicten. Dat wil zeggen dat het opzet ontbreekt; het gaat om min of meer ernstige nalatigheid. Voor de rechter komt het er dan op aan de feiten zo zorgvuldig mogelijk in kaart te brengen. “The devil is in the detail” .

Als de zorgverlener inderdaad niet de moeite heeft genomen de warmte van het badwater te meten zou dat een ernstige fout zijn, al heb ik ook dan nog moeite om opzet aan te nemen, al was het maar in de voorwaardelijke vorm. Als de rechter daar niet aan wil komt artikel 255 Wetboek van strafrecht in beeld (in deze zaak subsidiair ten laste gelegd). Kort gezegd: het nalaten om voldoende zorg te betrachten of hulp te verlenen aan iemand in hulpeloze toestand.

In deze zaak ging het er om of de zorgverlener nadrukkelijk genoeg had aangedrongen op (nadere) hulp van de huisarts. Tja, dat had waarschijnlijk beter gekund. Maar is er dan al een strafbaar feit? Ik zou zelf, als rechter, aan de hand van de mij nu beschikbaar gestelde gegevens die conclusie niet durven te trekken.

Uit de uitspraak komt naar voren dat te weinig (na)zorg zou zijn betracht. Maar overtuigend is dat oordeel, gelet op de verschafte informatie, niet. Dan laat ik nog daar dat de verdediging heeft betwist dat de verzorger wel degelijk aan de familie had geadviseerd de huisarts te raadplegen. Het is toch moeilijk voorstelbaar dat bij de overdracht niets over het incident is gezegd. Als dat wel is gebeurd ligt de gang naar de huisarts wel erg voor de hand.

Maar nogmaals: in zaken van dit kaliber is de duivel in het detail verscholen. De rechter zal, om tot een rechtvaardig oordeel te komen, een gedetailleerd scenario moeten neerzetten, wil hij de grens tussen verwijtbaarheid en domme pech scherp kunnen trekken.

Theo de Roos is hoogleraar strafrecht in Tilburg en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.