De Uitspraak: Hoe lang blijft arts aansprakelijk voor schade aan ongeboren kind?

Hoe lang mag je wachten met het aansprakelijk stellen van de arts voor de schade die je ongeboren kind leed door een verkeerd medicijn?

De Zaak.

Een negen weken zwangere vrouw meldt zich in 1998 bij de psychiater met depressieve klachten, paniekaanvallen en agitatie. Hij schrijft haar rivotril en anafrenil voor en wuift haar vragen over bijwerkingen weg. Na de geboorte stelt de kinderarts bij de baby ‘ernstige onthoudingsverschijnselen’ vast door deze medicijnen. Het kind ontwikkelt zich moeizaam. Het blijft zowel psychisch als fysiek achter. De ouders laten uitzoeken of de problemen van het kind aan de medicijnen is te wijten. In 2001 informeert de Stichting De Ombudsman hen dat van beide middelen bekend is dat ze de vrucht kunnen beschadigen. Ze mogen alleen worden voorgeschreven als het echt niet anders kan. De ouders dienen het medisch dossier op te vragen en zich van de hulp van een letseladvocaat te voorzien, luidt het advies.

Welke stappen zetten de ouders?

De ouders schrijven het ziekenhuis en hun huisarts daarop dat ze een procedure overwegen. Aan de psychiater vertellen ze alleen dat ze willen weten wat er precies is gebeurd. Op basis van de dossierinformatie krijgen zij echter van de Stichting de Ombudsman het advies om niet te procederen. De kans op succes zou ‘vrijwel nihil’ zijn. Er waren nog een stevig aantal andere risicofactoren bij de moeder die evengoed de problemen bij het kind konden veroorzaken. Leeftijd, erfelijkheid, hoge bloeddrukmedicatie – ook de psychische toestand van de moeder was ernstig genoeg voor zware medicatie.

Waarom gaan ze dan toch naar de rechter?

Het kind wordt ouder, de omvang van de schade wordt steeds duidelijker. Na vier jaar, in 2005 dienen ze een klacht in bij het regionaal medisch tuchtcollege. De vader vindt dat de psychiater zijn vrouw in 1998 onjuiste informeerde, geen alternatieve therapie voorstelde en feitelijk de handicap zelf veroorzaakte. Het tuchtcollege oordeelt dat de psychiater inderdaad onvolledige informatie gaf. Het voorschrijven van de middelen was weliswaar ‘niet onverdedigbaar’. Maar een gezamenlijke afweging van de risico’s voor het kind en de gezondheid van de moeder had ontbroken. De psychiater krijgt een waarschuwing. Maar het tuchtcollege wil niet zeggen of de medicijnen ook de handicap veroorzaakten.

In 2007 eist de vader via zijn advocaat schadevergoeding. Maar de psychiater zegt dat de vader te laat is. Na vijf jaar is een vordering wettelijk verjaard. Gerekend vanaf de geboorte had hij tot 2003. Of eventueel 2006, vanaf het Ombudsman advies. De rechtbank wijst daarom de eis af.

Maar het gerechtshof vindt van niet

Verjaring kan namelijk worden ‘gestuit’, ofwel afgebroken. Daarvoor is volgens de wet een mededeling nodig waarmee de schuldeiser (de vader) ‘ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt’ op schadevergoeding. Kon de klacht in 2005 bij het tuchtcollege zo worden opgevat? Het hof vindt dat „een voldoende waarschuwing” voor de psychiater. Het was duidelijk genoeg dat de vader de psychiater aansprakelijk hield voor een eventuele fout. De vader mag dus door procederen. De psychiater moet zich verantwoorden voor zijn behandeling uit 1998.


Lees hier de uitspraak van de rechter (LJN BX6567).

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 5 oktober 2012

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Femke Johansson (stagiaire, masterstudente Rechtsgeleerdheid VU), Albert Vermaas, Arne Verbout (afdeling juridisch bestuurlijke zaken UMC Utrecht) schreef op :
Interessant in het kader van deze uitspraak is de situatie wanneer de beroepsbeoefenaar in een dienstverband werkzaam is binnen een ziekenhuis. Een klacht bij een tuchtcollege is een klacht tegen een individuele beroepsbeoefenaar en niet tegen het ziekenhuis waar deze beroepsbeoefenaar in loondienst werkt. Het doel van het tuchtrecht is primair om te beoordelen of er gehandeld is naar de eisen die gesteld mogen worden van de beroepsbeoefenaar. Het civiele recht ziet toe op genoegdoening voor de klager in de zin van bijvoorbeeld een schadevergoeding. Door deze uitspraak van het Hof gaat het tuchtrecht eigenlijk doorwerken naar de centrale aansprakelijkheid van een ziekenhuis. De scheidslijn tussen het tuchtrecht en het civiele recht lijkt minder duidelijk te worden.
Voordat een ziekenhuis een aansprakelijkstelling afwijst omdat de verjaringstermijn is verstreken, dient deze zich er altijd van te vergewissen dat geen tuchtklacht is ingediend tegen de betreffende beroepsbeoefenaar. Vervolgens dient goed gekeken te worden naar de inhoud van een tuchtklacht om te beoordelen of daar eventueel een aansprakelijkstelling uit voort kan vloeien. Indien namelijk uit een tuchtklacht blijkt, dat klager de beroepsbeoefenaar tevens aansprakelijk wil stellen voor zijn handelen, dan kan kennelijk daardoor ook jegens het ziekenhuis de verjaringstermijn van de vordering worden gestuit.
Zekerheidshalve dient een ziekenhuis dus een goede interne regeling te treffen dat zij volledig op de hoogte wordt gesteld van alle tuchtklachten die ingediend worden jegens beroepsbeoefenaars die in loondienst van het ziekenhuis werkzaam zijn.
Niek Heering schreef op :
De vraag is eigenlijk: ‘Hoelang blijft een arts civielrechtelijk aansprakelijk voor een behandeling?’. Met de uitspraak van het gerechtshof ben ik het helemaal eens. Maar de rechtszaak moet dan nog wel dit jaar plaats vinden, want in 2013, 15 jaar na de geboorte van het kind in 1998, moeten de medische dossiers wettelijk vernietigd worden. Of er moet via een kort geding afgedwongen worden dat zij bewaard blijven tot na het eindvonnis. Uiteindelijk denk ik dat niet bewezen kan worden dat de trage geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind het gevolg is van het gebruik van de twee door de psychiater voorgeschreven medicijnen. Maar triest is die ontwikkelingsachterstand van het kind wel.
Marius van Huygen schreef op :
Het stuiten van verjaring laat onverlet dat:

“Het bewijsmateriaal waarmee de aangesprokene zich kan verweren verliest onder invloed van de tijd aan kwaliteit. Denk aan getuigen die vergeten wat zich heeft afgespeeld en schriftelijke stukken die kwijtraken”

Praktisch gezien zal dit gegeven de kans op het succesvol afronden van een gerechtelijke procedure niet groter maken. Bovendien wilde het tuchtcollege niet zeggen of de medicijnen ook de handicap veroorzaakten.
De medische feiten basis ontbreekt hier nagenoeg. Het wordt dan erg moeilijk de medische feiten uit verre verleden te actualiseren om er een oordeel over uit te spreken.

Samengevat: inhoudelijk en praktisch gesproken is hier wel sprake van verjaring.
J.v.Loveren schreef op :
De vraag is kan een arts door leken wel aansprakelijk worden gesteld? Meestal gaat het om een omgekeerde bewijslast en dient men als niet deskundige aan te tonen waar en op welke wijze de arts in gebreke is gebleven.

Er zijn genoeg voorbeelden van patiënten te vinden die direct vanaf het begin van hun klacht of klachten nog jaren zonder enig succes door procederen om uiteindelijk te moeten horen dat er medisch geen verwijtbare fouten zijn gemaakt. Hoeveel artsen. chirurgen en andere medische specialisten zijn er in de loop der jaren door de rechtbank veroordeeld? In hoeverre kan de rechter hun werk of gemaakte fouten beoordelen? Hoe lang blijft de arts aansprakelijk voor de schade aan een ongeboren kind? Misschien is het verstandig om als medisch specialist zich tegen medische fouten te laten verzekeren. Maar ook in dat geval moet rekening worden gehouden met lange procedures. Hiervoor zouden afspraken moeten worden gemaakt en grenzen gesteld. Zo zou je bijvoorbeeld kunnen stellen dat de zaak die als voorbeeld dient na 5 jaar zijn uitspraak moet krijgen met daarin ook de hoogte van de eventuele schadevergoeding. Dit alles om eindeloze procedures en aansprakelijkheid te voorkomen.
W. Wilkens schreef op :
Even afgezien van de ernst van de zaak, kan men ook hier vaststellen dat betrokkenen erg laat tot gerichte actie komen, d.w.z. een gerechtelijke procedure volgen. Pas na 10 jaar in 2007 komen met een eis tot schadevergoeding, maar voorlopig eerst eens geprobeerd met een briefje met een verzoek om informatie, dan via de Stichting Ombudsman, klachtencommissie, enz. Hoe vaak zal het op recepties, verjaardagen en andere bijeenkomsten over die zaak zijn gegaan. Wat een ellende!

Ik ga ervan uit dat een gespecialiseerde advocaat, bekend met de rechtspraak, zoals Baby Kelly, e.d., meteen begonnen was met een gerechtelijke procedure en al datgeen had gedaan, wat achteraf is gebeurd met het risico van verjaring. Daar draait het hier immers om.

Nu kan wel gesteld worden door het Hof dat er sprake is van stuiting van verjaring, maar ik vraag mij toch af of dit zo, nu dit niet direct in een civiel bedoelde procedure is gebeurd.

Maar afgezien hiervan: dit had veel voortvarender kunnen worden aangepakt en ik vrees dat dit de ouders valt aan te rekenen. Dit hadden zij zich kunnen besparen, waarbij ik moet vrezen dat dit, gezien de aanloop van het geschil, het aanvankelijke oordeel van de Stichting Ombudsman en het ziektebeeld van de vrouw, mogelijk nog niet de eindprocedure is.

Zowel psychiater als ziekenhuis hebben er alle zakelijke belang bij dat deze zaak op hoger niveau definitief wordt beslist. En de Hoge Raad volgt zeker niet in alles de gerechtshoven.
Ik ben benieuwd.
Lodewijk Smeehuizen schreef op :

Overvallen worden door een vordering uit een te ver verleden is niet gewenst

Volgens Nederlands recht verjaart een vordering tot schadevergoeding vijf jaar nadat claimant in staat raakt zijn vordering in te stellen. De reden daarvoor is dat het bezwarend is na ommekomst van geruime tijd nog te worden aangesproken. Het bewijsmateriaal waarmee de aangesprokene zich kan verweren verliest onder invloed van de tijd aan kwaliteit. Denk aan getuigen die vergeten wat zich heeft afgespeeld en schriftelijke stukken die kwijtraken. Het is ook psychologisch en wat betreft vermogensplanning vervelend na lange tijd door een vordering te worden overvallen.

Aan de ene kant is er dus het belang van de aangesprokene dat de vordering op enig moment verjaart. Maar aan de andere kant is er ook het belang van de claimant dat hij zijn recht nog geldend kan maken. Dat belang wordt echter opgeofferd, als de claimant zijn vordering kon instellen maar hij dat gedurende lange tijd niet heeft gedaan. Hem wordt zijn nodeloze stilzitten tegengeworpen: als hij zijn vordering vijf jaar nadat hij daartoe in staat raakte nog steeds niet heeft ingesteld, is hij te laat.

Men zou kunnen denken dat de vijfjaarstermijn onrechtvaardig is als het gaat om gezondheidsschade bij kinderen, omdat die schade zich pas na verloop van jaren openbaart. Dat probleem wordt ondervangen door het flexibele aanvangsmoment van de vijfjaarstermijn. Als de gezondheidsschade zich pas later openbaart, raakt de claimant ook pas later in staat de vordering tot vergoeding van die schade in te stellen. Dat betekent dat de termijn later aanvangt en de vordering niet verjaart.

Verjaring is niet onafwendbaar. Een verjaringstermijn kan gestuit worden. Dat kan op drie manieren. De claimant kan een procedure voor de rechter beginnen – de ‘daad van rechtsvervolging’. Hij kan ook de aangesprokene schriftelijk laten weten dat hij nog nakoming van de vordering wenst. Bovendien stuit ook de erkenning van het bestaan van de vordering door de aangesprokene de verjaring. De gedachte achter stuiting is, dat door een stuitingshandeling de nadelige gevolgen van tijdsverloop worden geneutraliseerd: door een stuitingshandeling weet de aangesprokene dat hij zijn bewijsmateriaal moet bewaren en dat hij nog met nakoming rekening moet houden.
In de onderhavige zaak speelt de vraag of ook een klacht bij de tuchtrechter stuitende werking heeft. De regel is dat een dergelijke klacht geen ‘daad van rechtsvervolging’ is en dus niet op die grond stuitende werking heeft, omdat de arts uit de tuchtklacht als zodanig niet kan afleiden dat de klager schadevergoeding wenst. Een tuchtcollege oordeelt namelijk wel over het handelen van de arts, maar kent geen schadevergoeding toe. Dat iemand een tuchtklacht tegen de arts richt, wil dus zeggen dat hij het gedrag van de arts beoordeeld wil zien. Het wil niet zeggen dat hij schadevergoeding wenst.
Toch kende hier de rechter aan de tuchtklacht wel stuitende werking toe. Dat deed hij op basis van de inhoud van de tuchtklacht. Naar het oordeel van de rechter had de psychiater op basis van de inhoud van de klacht moeten begrijpen dat de vader nog schadevergoeding wenste. Daarmee is aan het doel van de stuitingshandeling voldaan.

Lodewijk Smeehuijzen is docent civiel recht en onderzoeker aan de VU in Amsterdam en NJB-expert.

Aart Hendriks schreef op :

Psychiater alsnog aansprakelijk stellen voor ontwikkelingsachterstand kind?

Deze uitspraak leert ons dat het starten van een tuchtrechtelijke procedure tot gevolg kan hebben dat de verjaringstermijn voor het instellen van een civielrechtelijke rechtsvordering tot staan wordt gebracht (‘stuiten’). Dat is opmerkelijk. Het stuiten van verjaring vraagt volgens de wet om een actieve, eenduidige handeling van de betreffende persoon. Het Hof Arnhem bepaalt anders. Indien een patiënt een tuchtklacht indient en zich daarbij, zoals vaak het geval is, niet laat bijstaan door een advocaat, kan dat worden aangemerkt als ‘een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming van een verbintenis voorbehoudt.’ Dat staat daarmee gelijk aan een stuitingshandeling. Dat het tuchtrecht beoogt de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken en niet is bedoeld voor het vaststellen van civielrechtelijke aansprakelijkheid, doet hieraan volgens het hof niet af. Les voor artsen uit de uitspraak: indien een patiënt een tuchtklacht indient, kan niet zonder meer worden vertrouwd op de wettelijke verjaringstermijnen voor het indienen van een civielrechtelijke schadeclaim.

Moeten artsen, anticiperend op een mogelijke claim, patiëntgegevens dan maar eindeloos blijven bewaren? Zonder die gegevens kunnen artsen zich namelijk moeilijk verweren in een gerechtelijke procedure. Punt is echter dat de wet expliciet voorschrijft dat de arts het patiëntendossier na 15 jaar (tot 2006: 10 jaar) moet vernietigen. Volgens de wet mag een arts zo’n dossier alleen langer bewaren indien dat ‘redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit’. Maar het bewaren van een patiëntendossier heeft in die situaties niets te maken met goed-hulpverlenerschap. Een arts moet zo’n dossier bijhouden ter verzekering van de continuïteit en kwaliteit van de zorg, niet met het oog op mogelijke aansprakelijkstelling. Correspondentie over schadeclaims, (tucht)klachten en gerechtelijke procedures horen in het geheel niet thuis in een medisch dossier.

Nog lastiger wordt het indien een patiënt overstapt naar een andere arts. De ‘oude’ arts moet het dossier dan overdragen aan de ‘nieuwe’ arts. Het bewaren van een kopie ter verdediging van de arts wordt alleen toelaatbaar geacht indien de patiënt reeds een procedure is gestart dan wel voornemens is dat te doen.
Kortom, het de facto verlengen van de termijn waarbinnen een patiënt een civielrechtelijke schadeclaim kan indienen doet het recht van de arts op een eerlijk proces geweld aan, nu een arts patiëntgegevens na verloop van tijd moet vernietigen of overdragen.

Tot slot. Deze uitspraak maakt wederom duidelijk dat het behandelen van (mogelijk) zwangere vrouwen om extra zorgvuldigheid vraagt. In 2010 werd een internist door de tuchtrechter gewaarschuwd, omdat hij onvoldoende adequaat had gereageerd toen de bloedsuikerwaarden van de zwangere, ondanks de ingezette behandeling, onvoldoende daalden *. Datzelfde jaar kreeg een huisarts eveneens een waarschuwing, omdat hij een spiraaltje had ingebracht nog voordat de uitslag van de zwangerschapstest bekend was **. En eerder dit jaar liep een arts tegen een waarschuwing op, omdat hij een vrouw een middel met weeënopwekkende werking had voorgeschreven, niet wetend dat de vrouw zwanger was ***. Kortom; artsen moeten altijd rekening houden met een mogelijke zwangerschap.

* CTG 1 april 2010, nr. 2009/002, Stcrt. 2010, 9357, LJN YG0196.
** RTG Amsterdam 5 juli 2011, nr. 2010/170, LJN YG1203.
*** CTG 15 maart 2012, nr. C2010/278, Stcrt. 2012, 5747, LJN YG1923

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.