De Uitspraak: Heb je recht op smartengeld als je in coma ligt en niks voelt?

Heb je recht op smartengeld als je negen jaar in coma ligt? En dus geen levensvreugde kunt derven omdat je die niet hebt?

De Zaak.

In 2003 is een 16 jarige jongen slachtoffer van een verkeersongeval. Hij zit achterin een auto die met 180 km per uur in een hevige regenbui in een slip raakt, op een wegvak waar 80 gereden mag worden. De auto schampt drie bomen, knalt tegen een vierde boom, breekt doormidden en vat vlam. Het weggedrag van de bestuurder beschrijft de politie als ‘extreem gevaarlijk en roekeloos’. Vermoedelijk droeg het slachtoffer geen autogordel. Sinds het ongeval ligt de jongen in coma, in een vegetatieve staat. De kans op ontwaken is ‘vrijwel nihil’.

Wat eist het slachtoffer?

Zijn vertegenwoordiger eist anderhalve ton smartengeld van de verzekeraar, op basis van een onrechtmatige daad door de bestuurder. En wel wegens gederfde levensvreugde.

Wat zegt de verzekeraar?

Smartengeld heeft als doel het verzachten van leed door het leven te veraangenamen. Maar omdat het slachtoffer niet bij bewustzijn is kan het smartengeld aan de verlichting van zijn leed niets doen. Geld kan zijn leven ook niet verbeteren. Als de comapatiënt over een ‘verminderd bewustzijn’ beschikt dan moet eventueel smartengeld dienovereenkomstig worden verlaagd. En wel omdat hij ‘minder lijdt’.

Wat zegt de rechtspraak?

In 2002 erkende de Hoge Raad in het arrest over ‘de comateuze timmerman’ dat het ontbreken van bewustzijn compensatie van het leed niet in de weg staat. De timmerman lag na een val in een liftschacht vier maanden in coma. Gedurende zes weken zou hij nog enig besef hebben gehad van het aangedane leed.

Hoe oordeelt de rechter over deze comapatiënt?

De rechtbank zegt dat de vraag of er ook ‘daadwerkelijk vreugde kan worden beleefd’ aan een schadevergoeding niet relevant is. Compensatie is een abstractie. Het gaat ook om genoegdoening; om afkeuring en veroordeling van het gedrag van de chauffeur. Dat het slachtoffer geen (rechts)gevoel meer heeft, niet meer bij bewustzijn is, hoort niet uit te maken. Als de rechter daarin verschil gaat maken dan is dat „in strijd met de menselijk waardigheid die voor ieder mens gelijkelijk geldt”.

Dat de timmerman uit het arrest van de Hoge Raad zes weken ‘in zekere mate besefte’ dat hij in coma lag, wil niet zeggen dat er „in het algemeen enige mate van besef van gederfde levensvreugde vereist is om bij bewusteloosheid voor smartengeld” in aanmerking te komen. De rechtbank vindt dat ook slachtoffers die zich niet realiseren dat hen letsel is toegebracht in aanmerking mogen komen voor smartengeld.

Uit een deskundigenrapport blijkt verder dat het slachtoffer een ‘gefragmenteerd’ bewustzijn heeft. Hij zou wel aangename en onaangename ervaringen hebben „maar hij kan die niet plaatsen”. De patiënt kan wel knipperen met de ogen maar ‘betrouwbare communicatie’ levert dat niet op. De rechtbank concludeert dat het slachtoffer niet beseft wat hem is overkomen.

Hoe wordt het bedrag bepaald?

In Nederland kwam zo’n casus nog niet eerder voor, maar wel in andere Europese landen. De rechtbank stelt vast dat comapatiënten elders substantiële bedragen krijgen. Daarom krijgt de jongen € 100.000.


Lees de uitspraak (LJN BZ0813) hier.

Er kan ook worden gereageerd op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 7 maart 2013

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Reinier Bakels schreef op :
6:108 = 6.106 BW. Sorry!
Reinier Bakels schreef op :
Aansprakelijkheid dient ter compensatie van schade. Desnoods ook immateriële schade (art. 6:108 BW). De verzekeraar heeft gelijk dat een comateuze patiënt geen schade voelt. En het voelen doet er toe, want dat zou hooguit een beetje gecompenseerd kunnen worden met geld. In de praktijk gaat het smartengeld in dit geval naar de familie van de patiënt en dat maakt dit allemaal heel onzuiver, zowel moreel als juridisch. Want smart van derden wordt niet vergoed, ook al breekt professor Lindenbergh daar een lans voor in zijn proefschrift, in bepaalde gevallen.

Wanneer termen als "genoegdoening" vallen is de beurt eerder aan het strafrecht, al is zelfs daar "genoegdoening" betwist.
Cees van Dam schreef op :

Een 16-jarige jongen betaalt een hoge prijs voor zijn kortstondige avontuur op de achterbank van een supersnelle auto, bestuurd door een roekeloze chauffeur. Hij raakt in een coma waaruit hij niet ontwaakt. Wat hij nog voelt, weet of denkt, is ook voor deskundigen onduidelijk.

Waarom is dit vonnis zo belangrijk? In de eerste plaats voedt het de Nederlandse discussie over de hoogte van het smartengeld; onze smartengeldbedragen liggen gemiddeld op minder dan de helft van die in Duitsland en Engeland en stagneren al decennia. In de tweede plaats laat het vonnis zien hoe de Nederlandse rechter op een goede manier gebruik kan maken van buitenlandse rechtspraak. En in de derde plaats is de uitspraak een belangrijke aanzet om smartengeld niet alleen te zien als een vergoeding voor verdriet en voor de onmogelijkheid om van het leven te genieten maar ook voor de inbreuk op fundamentele rechten zoals het recht op lichamelijke integriteit, op menselijke waardigheid en op vrije ontplooiing van de persoonlijkheid.

Voor smartengeld is niet beslissend wat het slachtoffer ervaart. Wie door een ongeval of medische fout gewond raakt, heeft recht op smartengeld, zoals voor gemiste levensvreugde. Maar geldt dat ook als je bewusteloos bent? Nee, aldus de verzekeraar want wie bewusteloos is, beleeft niets meer en heeft dus niets aan smartengeld. Volgens de rechtbank is echter niet beslissend wat het slachtoffer subjectief ervaart. Objectief gezien mist de jongen levensvreugde. Daarom heeft hij recht op smartengeld. Dit is in lijn met het arrest van de comateuze timmerman, waarin de Hoge Raad overwoog: ‘Aangenomen moet worden dat de staat van bewusteloosheid in elk geval tot gevolg heeft gehad dat aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontbroken van zijn leven te genieten.’

Een symbolische of substantiële vergoeding? Het verlies van levensvreugde moet dus objectief worden gewaardeerd. Maar hoe waardeer je dat verlies in geld? Moet het gaan om een symbolisch of een substantieel bedrag? De rechtbank overwoog dat in Nederland niet eerder over soortgelijke situaties was beslist en oriënteerde zich daarom op rechtspraak in Duitsland en Engeland. Zij leidde hieruit af dat in die landen aan comateuze slachtoffers substantiële bedragen worden toegekend die in de hoogste smartengeldcategorieën vallen. Hoewel het smartengeldniveau in Engeland en Duitsland niet direct vergelijkbaar is met dat in Nederland (de hoogste bedragen liggen daar boven de € 300.000), vond de rechtbank in de oriëntatie steun voor haar oordeel dat voor letsel als het onderhavige toekenning van een substantieel smartengeld billijk is en wees een bedrag van € 100.000 toe. Het vonnis illustreert dat rechtsvergelijking een belangrijk hulpmiddel kan zijn bij het verder ontwikkelen van smartengeldbedragen.

Vernietiging van de persoonlijkheid. Gezien de hoogte van het door de rechtbank toegekende bedrag, kan worden vermoed dat zij niet alleen heeft gedacht aan ‘verlies van levensvreugde’ maar ook aan meer fundamentele waarden. Die waarden komen helder tot uitdrukking in een beslissing van het Duitse Bundesgerichtshof uit 1992. Tot dan was het Duitse Hof van mening geweest dat smartengeld voor bewusteloze slachtoffers niet meer kon zijn dan een vorm van symbolische vergoeding. Maar in 1992 ging het Hof ‘om’ en bracht het smartengeld in deze gevallen in verband met de eerste twee artikelen van de Duitse Grondwet. Hierin zijn het recht op menselijke waardigheid en het recht op vrije ontplooiing van de persoonlijkheid gewaarborgd. Volgens de Duitse rechter betekent bewusteloosheid in feite een vernietiging van de persoonlijkheid. Bewusteloosheid heeft daarom geen matigend maar juist een verhogend effect op het smartengeld.

Wat doet de Hoge Raad? Hoewel de Hoge Raad smartengeld soms in verband brengt met de aantasting van fundamentele rechten (zoals bij de aantasting van de persoonlijke levenssfeer en het zelfbeschikkingsrecht), doet hij dit merkwaardigerwijs niet in geval van ernstig letsel. Het zou goed zijn als de Hoge Raad binnenkort de kans krijgt deze fundamentele samenhang te benadrukken en aldus leiding te geven aan de smartengelddiscussie in Nederland. Bij het smartengeld gaat het om meer dan een vergoeding voor het ontbreken van de mogelijkheid om van het leven te genieten. Ernstig letsel betekent namelijk een ernstige inbreuk op het recht op lichamelijke integriteit, op menselijke waardigheid en op vrije ontplooiing van de persoonlijkheid. In dat perspectief is een smartengeld van € 100.000 bepaald niet te veel voor een vernietigde persoonlijkheid.

Cees van Dam is visiting professor King’s College London en honorair hoogleraar Europees privaatrecht aan de Universiteit Utrecht en NJB-expert.

Siewert Lindenbergh schreef op :

De vraag of slachtoffers in coma recht hebben op smartengeld wordt onder juristen aangeduid als ‘as old and as obstinate as the pilosopher’s stone itself’ (Lord Scarman, 1980), een echte ‘steen der wijzen’ dus. Velen hebben zich ermee bezig gehouden, maar niemand heeft op dit punt de wijsheid in pacht. Twee gezichtspunten strijden om de voorrang. Enerzijds is letsel dat tot coma leidt, op overlijden na, de meest ernstige aantasting van de menselijke persoon die denkbaar is. Anderzijds kan men zeggen ‘wat niet weet, wat niet deert’, althans: wie in coma ligt kan van smartengeld niet genieten. Beide standpunten worden dan ook in deze zaak aangevoerd.

Eerder, in 2002, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over een vergelijkbare zaak, maar de bijzonderheid was toen dat het slachtoffer kennelijk niet in permanente coma had gelegen. Toen werd smartengeld daarom passend geacht. De Hoge Raad had er wel veel woorden voor nodig en dat is meestal een teken dat het een moeilijke kwestie is, en soms ook dat men het er niet helemaal over eens was. Echt uitsluitsel was er dus nog niet.

In de uitspraak van de rechtbank keren de bekende puzzelstukjes terug: de wet (art. 6:106 lid 1 onder b Burgerlijk Wetboek) zegt gewoon dat wie lichamelijk letsel heeft opgelopen een aanspraak op smartengeld heeft, de voorgenomen besteding van het smartengeld is niet beslissend voor de omvang van het smartengeld, maar het rechtsgevoel van de benadeelde laat zich met geld niet meer bevredigen en het doel van smartengeld – verzachting van het leed – kan dan ook niet worden bereikt. De rechtbank wijst op rechtshandhaving, herstel, compensatie en slachtofferbescherming. Dat zijn belangrijke begrippen, maar ook die geven inhoudelijk geen uitsluitsel over de kwestie. Het is uiteindelijk gewoon een zaak van kiezen en dat doet de rechtbank dan ook: een substantieel bedrag (100.000 euro), maar niet de top (thans in de rechtspraak 150.000 euro). Die benadering sluit, de rechtbank zegt dat ook, aan bij die in ons omringende landen. Ook dat is geen beslissend argument. De Hoge Raad zegt als het om smartengeld in het buitenland gaat steevast: ‘kijken mag, maar de situatie elders is niet beslissend voor Nederland’.

Het slachtoffer krijgt dus in essentie gewoon het voordeel van de twijfel. Is dat erg? Nee, want vaak zal er meer schade worden geleden dan er wordt vergoed: slachtoffers of hun naasten worden dikwijls geconfronteerd met allerlei ongedekte kostenposten. Gaan dan de verzekeringspremies niet omhoog? Daarvoor is het smartengeld in deze gevallen verwaarloosbaar: het aantal gevallen waarin dit speelt is klein, de andere schadeposten (kosten van verzorging, etc.) zijn in deze gevallen vele malen groter dan het smartengeld en… het Nederlandse smartengeldniveau is in vergelijking tot de ons omringende landen notoir bescheiden.

Siewert Lindenbergh is hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus Universiteit en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.