De onschuld voorbij?

Lees hier de scriptie 'De onschuld voorbij? Over de toepassing van de voorlopige hechtenis ten aanzien van minderjarige verdachten in Nederland, in theorie en praktijk' van Yannick van den Brink (masterscriptie Strafrecht, Universiteit Utrecht, begeleider T. Liefaard, eindcijfer 9).

In deze scriptie wordt de Nederlandse wettelijke regeling en de rechtspraktijk van de voorlopige hechtenis bij jeugdigen onder de loep genomen. De vraag die hierbij centraal staat is: “In hoeverre doet de Nederlandse wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis bij jeugdigen, en de toepassing daarvan in de Nederlandse rechtspraktijk, recht aan de bijzondere positie van de jeugdige in het strafrecht?”. In het kader van het praktijkonderzoek is een dossierstudie verricht en zijn kwalitatieve interviews afgenomen met procesdeelnemers en andere betrokkenen uit de rechtspraktijk. In de scriptie wordt zowel de huidige wettelijke regeling als de rechtspraktijk getoetst aan de specifieke kenmerken van het jeugdstrafrecht en de internationale kinderrechtenstandaarden.

Ondanks dat geconcludeerd kan worden dat het ‘belang van het kind’ als centrale notie in het jeugdstrafrecht zowel in de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis bij jeugdigen als in de praktijk nauw verweven is, wordt niettemin duidelijk dat zowel de wettelijke regeling als de rechtspraktijk op dit vlak knelpunten bevat. Er worden in de scriptie dan ook enkele concrete aanbevelingen gedaan voor zowel de wetgever als de rechtspraktijk met betrekking tot de procedure bij de voorgeleiding en de raadkamer, de duur van de voorlopige hechtenis en de plaats waar deze ten uitvoer wordt gelegd, alsmede de schorsing van de voorlopige hechtenis onder bijzondere voorwaarden. Zo wordt onder meer aanbevolen een aanwezigheidsrecht van de ouders bij de voorgeleiding van hun minderjarige kind bij de rechter-commissaris en de raadkamerzitting in de wet op te nemen, de wettelijke termijnen van de voorlopige hechtenis ten aanzien van jeugdigen aanzienlijk te verkorten en dat de kinderrechter, naar analogie van artikel 27 Sr, op de eindzitting bij de straftoemeting rekening dient te houden met de bijzondere voorwaarden die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis waren gesteld.

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 6 december 2011

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.