De EU-ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

Ieder jaar worden er in Europese Unie miljoenen mensen – schuldig of onschuldig – gearresteerd. Sommigen worden vrijgelaten na door de politie te zijn verhoord, velen zitten in voorlopige hechtenis totdat hun zaak voorkomt. Over hoe deze mensen worden behandeld en welke rechten ze hebben is weinig bekend.

De strafprocessuele systemen in de EU zijn divers. Alle landen zijn partij bij het EVRM alsmede direct of indirect gebonden aan het EU-grondrechtenhandvest en de veronderstelling is, dat de hierin gewaarborgde rechten en vrijheden door de lidstaten worden gerespecteerd. Dat ligt althans ten grondslag aan het uitgangspunt van wederzijdse erkenning dat sinds de Tampere-top in 1999 de hoeksteen vormt van de Europese strafrechtelijke samenwerking en inmiddels in het verdrag van Lissabon is verankerd. Uitgangspunt is dat lidstaten zonder veel plichtplegingen elkaars beslissingen erkennen en uitvoeren, ook als dat om eigen onderdanen gaat. De repressieve kant van de Europese strafrechtelijke samenwerking heeft zich gestaag ontwikkeld. Het Europees arrestatiebevel is daarvan het meest succesvolle voorbeeld. Het Europese bewijsverkrijgingsbevel dat nog in het stadium van implementatie en verdere ontwikkeling is, zal de Europese impact op de nationale strafpraktijk immens vergroten.

Gedurende de rit zijn in de EU-gremia plechtige beloften gedaan dat ook procedureregels uniforme garanties moeten bieden om ervoor te zorgen dat mensen niet ongelijk worden behandeld. Daarover is eindeloos onderhandeld. Maar in 2007 moest worden vastgesteld dat de pogingen om te komen tot regelgeving tot niets leidden. Dat was niet zozeer vanwege het ontbreken van de noodzaak daartoe, maar vanwege het gebrek aan consensus over de inhoud en de weerstand van lidstaten tegen inmenging van de EU in hun nationale strafproces.

Sinds de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon waait er echter een andere wind. Vlak daarvoor heeft het Zweedse Voorzitterschap de onderhandelingen weer vlot getrokken en een Routekaart geïntroduceerd ter versterking van de procedurele rechten van verdachten in strafzaken. Deze Routekaart houdt een stappenplan in dat een plaats gekregen heeft in het Stockholm Programma dat door de Europese Raad in December 2009 is aanvaard. De eerste stap zal een richtlijn zijn met betrekking tot het recht op tolkenbijstand en vertaling1 en de volgende stappen zijn een richtlijn met betrekking tot de informatie over rechten, de zogenaamde ‘Letter of Rights’ en een richtlijn over het recht op bijstand van een advocaat. Het Spaanse Voorzitterschap is nu doende een Actieplan op te stellen om de stappen te implementeren en naar verwachting zullen we in juli 2010 weten hoe dat er gaat uitzien.

De procedurele waarborgen staan daarmee weliswaar weer op de agenda maar het moet nog worden bezien in hoeverre de beoogde richtlijnen van de grond komen en zo dat het geval is, deze daadwerkelijk toegevoegde waarde zullen hebben om verdedigingsrechten effectiever en concreter te maken. Dat dit geen overbodige luxe is blijkt uit een driejarig onderzoeksproject dat in mei 2010 is afgerond en waarin de effectiviteit van verdedigingsrechten in negen Europese landen onder de loep is genomen.2 De betrokken landen zijn België, Engeland & Wales, Finland, Frankrijk, Duitsland Hongarije, Italië, Polen en kanditaatlidstaat Turkije. Het onderzoek concentreert zich op drie niveaus: de aanwezigheid van een wettelijk kader waarin verdedigingsrechten worden gereguleerd, de praktische implementatie hiervan en de competenties en professionele cultuur van de advocatuur. Alleen al op het gebied van de regelgeving zijn er opvallende verschillen. Zo hoeft in België de cautie niet te worden gegeven voorafgaande aan een verhoor, is in Polen toezicht op de communicatie tussen advocaat en gedetineerde verdachte gedurende de eerste veertien dagen toegestaan, wordt in Finland bijna de helft van de strafzaken in afwezigheid van de verdachte of schriftelijk afgedaan en is in Italië rechtsbijstand in iedere strafzaak, ook de meest lichte, verplicht. Dat betekent dat een verdachte in Italië nooit het recht heeft zichzelf te verdedigen en dit leidt in de praktijk tot taferelen omdat voor verdachten die toch zonder advocaat ter zitting verschijnen een willekeurige advocaat van de gang moet worden geplukt om tot een behandeling te kunnen overgaan. Het onderzoek maakt inzichtelijk dat de effectiviteit van procedurele waarborgen afhankelijk is van de mate waarin procedureregels en de praktische invulling daarvan op elkaar zijn afgestemd. Het is mooi als een onvermogende verdachte het recht heeft op een toegevoegde advocaat, maar als de procedure om hiervoor in aanmerking te komen zo lang duurt dat het vrijwel onmogelijk is een advocaat toegevoegd te krijgen gedurende de eerste fase van de voorlopige hechtenis, dan komt de rechtsbijstand als mosterd na de maaltijd. De belangrijkste problemen doen zich voor op het gebied van het recht op rechtsbijstand, het recht op tolkenbijstand en vertaling van stukken, voldoende tijd en faciliteiten om de verdediging voor te bereiden en de toepassing van voorlopige hechtenis. Het is aannemelijk dat gelijksoortige problemen voorkomen bij de niet onderzochte EU-lidstaten en ook wat Nederland aangaat zijn parallellen te trekken. Daar waar het gaat om de financiering van rechtsbijstand en van tolkenbijstand of vertaling van stukken, is het kostenaspect uiteraard een belangrijke factor voor de kwaliteit en inzet. Zeker in tijden van financiële crisis staan de kosten van de rechtspleging onder druk.3 Een van de manieren om verantwoorde keuzes te maken is deze kosten van meet af aan mee te nemen in de keuzes die worden gemaakt in de criminele politiek. Als er wordt ingezet op een intensivering van de misdaadbestrijding en veiligheid, dan zijn we er in een rechtsstaat niet met alleen maar meer politie op straat, maar dan kost dat ook meer rechters, officieren van justitie en advocaten.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/1207, afl. 24, p. 1519

 

Bron afbeelding: Horia Varlan

 

1. Op 19 mei 2010 is voorlopige overeenstemming bereikt tussen het Europese Parlament en de Commissie over de tekst van de Directive of the European Parliament and of the European Council of the rights to interpretation and translation in criminal proceedings, 10013/10, 2010/0801 (COD).
2. Ed Cape, Zaza Namoradze, Roger Smith en Taru Spronken, Effective Criminal Defence in Europe, Intersentia 2010.
3. Zie Tom Barkhuysen, ‘De toegang tot de rechter onder vuur’, NJB 2010/22.

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 14 juni 2010

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.