Belgisch Grondwettelijk Hof acht ‘boerkaverbod’ grondwettig

Op 6 december 2012 verklaarde het Belgisch Grondwettelijk Hof dat het zogenaamde ‘boerkaverbod’ in overeenstemming is met de Belgische Grondwet.
België was het tweede Europese land, na Frankrijk, dat een verbod invoerde op gezichtsbedekking in het openbaar.

Boerkaverbod

Concreet voegde de wet van 1 juni 20111 in het Strafwetboek een artikel 563bis in. Het misdrijf – een overtreding – bestraft personen die zich “in de voor het publiek toegankelijke plaatsen begeven met het gezicht geheel of gedeeltelijk bedekt of verborgen, zodat zij niet herkenbaar zijn”. Uitzonderingen zijn er (uitsluitend) voor “wetsbepalingen, arbeidsreglementen en politieverordeningen naar aanleiding van feestactiviteiten” die gezichtsbedekking opleggen of toelaten.

De wetgever wil met deze strafbaarstelling naar eigen zeggen de veiligheid en openbare orde garanderen. Maar dat niet alleen. De wet berust ook op nogal particuliere sociale overwegingen, waaronder “een zekere opvatting van het ‘samen-leven’” die de wetgever koestert (met de klemtoon op communicatie en herkenbaarheid), en het beschermen van vrouwenrechten.

Het duurde niet lang voor er beroepen tot vernietiging tegen de wet werden ingesteld bij het Belgisch Grondwettelijk Hof. De verzoekers claimden onder andere dat het verbod een schending oplevert van het legaliteitsbeginsel, de godsdienstvrijheid, het discriminatieverbod, de vrijheid van meningsuiting en het recht op privéleven. Het Hof heeft – op een klein voorbehoud na – al deze middelen nu verworpen.

Legaliteitsbeginsel

Door verzoekers en in de rechtsleer2 is ten eerste beargumenteerd dat het toepassingsgebied van de wet onvoorspelbaar en potentieel vrijwel onbegrensd is, terwijl de uitzonderingen (te) beperkt zijn. Dit zou het onmogelijk maken voor rechtsonderhorigen om hun gedrag in overeenstemming te brengen met de wet. Hierbij klemt des te meer dat geen opzet is vereist: onachtzaamheid volstaat.3

Het Hof vindt dat het legaliteitsbeginsel is geëerbiedigd. Termen als ‘herkenbaarheid’ en ‘voor publiek toegankelijke plaatsen’ zijn allemaal “voldoende expliciet opdat de rechtzoekende redelijkerwijs in staat is de draagwijdte ervan te bepalen”. De resterende beoordelingsbevoegdheid voor de rechter zou “aan de wet niet het voldoende nauwkeurige karakter [ontnemen] om te voldoen aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel”.

Die algemene formules van Hof verduidelijken echter op geen enkele manier de strekking van de wet, laat staan dat ze het verbod zouden inperken of afbakenen. We moeten dus aannemen dat daadwerkelijk elke – bewuste of onbewuste – gedeeltelijke bedekking van het gezicht, die tot ‘onherkenbaarheid’ leidt, verboden is. In dat geval is wie zich ‘s winters dik inpakt met een muts en sjaal strafbaar, en hetzelfde geldt voor fietsers die een stofmasker dragen, gesluierde bruiden, of verklede leiders van een jeugdbeweging.

Veiligheid

Het Hof besteedt de meeste aandacht aan de ingeroepen schending van de godsdienstvrijheid. Voor de beperking van die vrijheid acht het Hof de doeleinden die de wetgever aanvoert stuk voor stuk legitiem, en het verbod slaagt eveneens voor de evenredigheidstoets.

Zo meent het Hof dat de wetgever terecht de vrees koestert dat gezichtsbedekking de openbare veiligheid in het gedrang brengt. Het Hof erkent daarbij nochtans dat zich in België nog geen veiligheidsproblemen hebben gesteld naar aanleiding van het dragen van gezichtssluiers. Het Hof vindt echter dat het niet is omdat er (nog) geen probleem is dat de wetgever niet zou mogen optreden.

De Amerikaanse auteur, Philip K. Dick, beschreef in 1956 in het dystopische – en later verfilmde – kortverhaal The Minority Report hoe in een totalitaire samenleving helderzienden (precogs) misdaden voorspellen. De potentiële misdadigers werden preventief gevat en opgesloten, tot bleek dat niet alle potentiële misdadigers ook werkelijk misdaden zouden plegen. Het onderscheid tussen de samenleving uit Minority Report en de Belgische situatie is dat in het kortverhaal de antidemocratische maatregelen tenminste nog aantoonbaar dienstig waren om de veiligheid te verhogen.

Vóór de totstandkoming van het boerkaverbod maakte in België de wet op het politieambt identiteitscontroles door de politie reeds mogelijk: er valt moeilijk in te zien waarom die situatie niet volstond als waarborg voor de openbare veiligheid. De meeste vormen van gezichtsbedekking vormen bovendien totaal geen veiligheidsrisico. En de enkelingen die voornemens zijn een bank te overvallen, zullen zich er allicht weinig van aantrekken dat het ook nog eens een overtreding oplevert als ze hun gezicht bedekken.

Samen leven

De doelstelling van het bevorderen van het ‘samen leven’ (‘le vivre ensemble’) acht het Hof eveneens legitiem. In dit verband werd in het parlement Emmanuel Levinas aangehaald die zou menen dat “ons mens-zijn door ons gelaat tot uiting komt”. De Belgische wetgever meende dat een persoon van wie alleen de ogen zichtbaar zijn “onmogelijk kan deelnemen aan de democratische dynamiek”.

Het kan minstens opmerkelijk genoemd worden dat het Grondwettelijk Hof aanvaardt dat een inbreuk op de godsdienstvrijheid de facto wordt gelegitimeerd door een inbreuk op het recht op privacy: de ‘verantwoording’ van de inperking op de godsdienstvrijheid is hier immers gelegen in de bedoeling om binnen te dringen in mensen hun privacy, door voor hen te beslissen dat hun gelaat altijd zichtbaar moet zijn. Daarbij accepteert het Hof kennelijk dat het aan de Staat is om te bepalen hoe menselijke communicatie moet verlopen om waardevol te zijn, of zelfs maar toelaatbaar of ‘democratisch’. Behoort het in een democratische rechtsstaat niet juist tot ieders individuele vrijheid of men op straat al dan niet contacten met anderen wenst? Zelfs indien men het bevorderen van dergelijk contact als een legitiem doel zou aanvaarden, dan lijkt het enkele bruggen te ver om dit te doen door strafrechtelijk optreden.

Vrouwenrechten

Het Hof acht het verbod ook verantwoord vanuit de gelijkheid van man en vrouw. Waar het gaat om dwang, zo stelt het Hof, kan de wetgever er sowieso van uitgaan dat “fundamentele waarden van een democratische samenleving” zich daartegen verzetten en het verbod rechtvaardigen. Het Grondwettelijk Hof gaat daarbij voorbij aan het feit dat de wet niet degene bestraft die de dwang uitoefent, maar juist het slachtoffer van die dwang. Het Hof volstaat met een terloopse vermelding van artikel 71 van het Belgisch Strafwetboek (overmacht of dwang), dat in dergelijke gevallen als rechtvaardigingsgrond kan fungeren. Het Hof lijkt evenwel niet in te zien dat een vrouw die dermate onderdrukt is dat ze een gezichtssluier moet dragen, het niet snel in haar hoofd zal halen om dat artikel in te roepen, gezien de sociale sancties die ze daarmee zou uitlokken.

Ook indien het dragen van de gezichtssluier een “weloverwogen keuze van de vrouw” is, dan nog meent het Grondwettelijk Hof dat de gendergelijkheid een verbod verantwoordt. Dit omdat enkel de vrouw verplicht is om het kledingstuk te dragen en omdat dit haar “een fundamenteel element van haar individualiteit [ontneemt]”. De wetgever acht zichzelf aldus goed geplaatst, en het Hof aanvaardt dit, vrouwen desnoods tegen hun wil te ‘emanciperen’. Dit terwijl uit al het beschikbare empirische onderzoek ter zake (uit Denemarken, Frankrijk, Nederland en België zelf) blijkt dat de vrouwen in kwestie door hun kledij veeleer uiting geven aan hun individualiteit dan deze op te geven.

Dit kan vreemd en contra-intuïtief lijken, maar de Duitse filosofe Andrea Roedig laat bijvoorbeeld zien dat, op dezelfde manier dat de gezichtssluier geïnterpreteerd (en verboden) kan worden als een symbool van vrouwenonderdrukking, de crucifix – bezien met de afstandelijkheid van een ongeïnformeerde buitenstaander – opgevat kan worden als een teken van fascinatie met marteling en onmenselijke behandeling.

Rechtsstaat

Het enige voorbehoud dat het Grondwettelijk Hof maakt bij het verbod, is dat het niet mag gelden in “plaatsen bestemd voor de erediensten”, daar dit op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de godsdienstvrijheid. Eenzelfde voorbehoud maakte de Franse Conseil Constitutionnel bij het Franse verbod. Hoe ver is de overheidsbemoeienis echter al gekomen als het recht op maskeren in gebedshuizen onder de aandacht moet worden gebracht via grondwetsconforme interpretaties?

Het arrest van het Belgisch Grondwettelijk Hof is, rechtsstatelijk gezien, een gemiste kans. Grondrechten zijn er bij uitstek om minderheden, en onpopulaire minderheden in het bijzonder, te beschermen tegen een dictatuur van de meerderheid. Wie fundamentele rechten van individuen zonder meer opoffert aan de wil van de meerderheid overschrijdt een grens; een grens die bewaakt moet worden door instellingen zoals het Hof. In andere materies heeft het Hof die rol ook voluit gespeeld en grenzen gesteld.4 Bij het boerkaverbod blijken diezelfde grondwettelijk grenzen echter verworden tot een soort Schengenzone...

Jelle Flo is advocaat aan de balie van Brussel. Jogchum Vrielink is postdoctoraal onderzoeker aan de KU Leuven (Instituut voor Constitutioneel Recht) en coördinator van het Centrum voor Discriminatierecht. Een (iets ingekorte en aangepaste) versie van de tekst verschijnt ook, in print, in de (Vlaamse) Juristenkrant.



1. Voluit: Wet van 1 juni 2011 tot instelling van een verbod op het dragen van kleding die het gezicht volledig dan wel grotendeels verbergt, Belgisch Staatsblad 13 juli 2011. Inwerkingtreding: 23 juli 2011.
2. Zie bijv. J. Vrielink, S. Ouald Chaib en E. Brems, “Boerkaverbod. Juridische aspecten van lokale en algemene verboden op gezichtsverhulling in België”, Nieuw Juridisch Weekblad 2011, nr. 244, 398-414.
3. Voor overtredingen is in het Belgisch strafrecht (enkel) onachtzaamheid vereist indien de wet hierover zelf niets vermeldt. Opzet is alleen vereist als de wet dat uitdrukkelijk bepaalt.
4. Daarbij kan bijv. gedacht worden aan de, onder invloed van de ‘jacht’ op het (vroegere) Vlaams Blok, doorgeslagen wetgeving inzake racistische meningsuitingen. In die materie stelde het Hof paal en perk aan de steeds verdergaande inperkingen op de vrijheden waartoe de Belgische wetgever overging.

Jogchum Vrielink

Naam auteur: Jogchum Vrielink
Geschreven op: 18 december 2012

Verbonden aan het Centre interdisciplinaire de recherches en droit constitutionnel et administratif (CIRC) van de Université Saint-Louis (Brussel)

Naam auteur: Jelle Flo
Geschreven op: 18 december 2012

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
Sommige Islamitische staten hebben voor vrouwen in de openbare ruimte wettelijke kledingvoorschriften, die gebaseerd zijn op godsdienstige beschouwingen en overtuigingen..
Sommige (democratische?) Europese staten laten de vrouw in de openbare ruimte niet vrij hun kledingkeuze zelf te bepalen op grond van a- of anti- godsdienstige overtuigingen.
Voor deze vrouwen is het m.i. om het even of ze van de hond of van de kat worden gebeten.
a.zecha
Frits Jansen schreef op :
@Ticu: kent u dit prachtige verhaal: Kortmann, C A J M: 'Open communicatie' en het 'boerkaverbod', Nederlandsch juristenblad; vol. 87 (2012), afl. 11, pag. 740-742 (2) / 2012? Wellicht was het Nederlandse wetsontwerp vager dan de Belgische wet, want het verbood elke gezichtsbedekking. Tot handen voor het gezicht? Kortmann noemt met name e-mail als communicatievorm waar oogcontact evenmin mogelijk is. dan zouden ze ook Skype-met-video verplicht moeten stellen!

Behalve rechtmatigheid is er ook doelmatigheid. Daar gaan rechters niet over, maar beleidsmaker moeten zich wel realiseren dat met het boerkaverbod de politie de vijand wordt van een (overigens heel kleine) groep burgers die voor hun eigen gevoel niets onrechtmatigs doen. Dat ondermijnt het gezag en dat is gevaarlijk. Nee, dat los je ook niet op met strengere straffen, de standaard-oplossing van onze bewindslieden op Justitie voor alle denkbare problemen. Staatsterrorisme is et zo weinig overtuigend als ander terrorisme.
Mihai Martoiu Ticu schreef op :
==De Belgische wetgever meende dat een persoon van wie alleen de ogen zichtbaar zijn “onmogelijk kan deelnemen aan de democratische dynamiek”.==

Ik vraag me af, of ik nu in België naar de rechter kan stappen en eisen dat radio, kranten, boeken en internet verboden worden. Ik kan immers het gezicht van die auteurs niet zien. Hoe zouden ze dan aan de democratische dynamiek kunnen deelnemen?

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.