Beeldvorming

Op 14 april 2010, de avond van haar vrijspraak door het Arnhemse hof van zevenvoudige moord en drie pogingen tot moord, zat Lucia de Berk in de uitzending van Pauw en Witteman. Ze kwam vriendelijk en openhartig over en leek in de verste verte niet op de heksachtige tekeningen die gedurende haar proces in de kranten stonden.

Wat een lijdensweg moeten de afgelopen acht jaar voor haar zijn geweest. En wat een horrorscenario voor alle andere betrokkenen die hebben bijgedragen aan haar eerdere veroordelingen tot levenslange gevangenisstraf. Onverwacht is de vrijspraak niet, na de gegrondverklaring van het herzieningsverzoek en de voorlopige invrijheidsstelling van Lucia op 2 april 2008. Verrassend is wel dat deze niet gebaseerd is op het ontbreken van bewijs dat Lucia de haar tenlaste gelegde delicten heeft gepleegd, maar op de vaststelling dat er geen sprake is van feiten en omstandigheden ‘die grond kunnen geven voor de gedachte aan een onnatuurlijke of zelfs criminele oorzaak’ van de overlijdensgevallen. Kortom, er waren helemaal geen misdrijven. De formulering van het hof is opvallend: als er zelfs geen grond is voor ‘de gedachte’, hoe is het dan mogelijk dat Lucia na haar arrestatie in 2001 toch door drie feitelijke instanties is veroordeeld wegens een hele serie moorden?

Volgens het Arnhemse hof was het bewijs bij de veroordeling van Lucia in hoge mate gebaseerd op suggestie en circelredeneringen. Een van de voorbeelden die het hof noemt, is dat het Hof Den Haag bij de veroordeling is uitgegaan van ‘medisch onverklaarbaar overlijden’, waarmee gemakkelijk de suggestie wordt gewekt dat er dus een externe oorzaak van het overlijden moet zijn, terwijl volgens het hof die conclusie geenszins dwingend is. Het hof spreekt liever van ‘medisch onverklaard’ en benadrukt dat ook wat medisch niet verklaard kan worden, niet meteen op strafbaar handelen of nalaten duidt. De kern van de kritiek op de veroordeling door het Haagse hof is dat bij het toepassen van schakelbewijs - waarbij het bewijs van het ene strafbare feit mede gebruikt wordt voor het bewijs van een ander strafbaar feit – ‘een reeds bestaande overtuiging invulling aan het bewijsmiddel’ geeft waarbij het hof enigszins droog opmerkt dat ‘dit niet de in de strafrechtspleging voorgestane volgorde is’. Het is het ergste verwijt dat je een rechter kunt maken, want het duidt op vooringenomenheid.

Opvallend is dan ook dat Van Emster, voorzitter van de Raad voor rechtspraak, in zijn reactie op de vrijspraak weliswaar spijt betuigt over de eerdere veroordelingen, maar verder stelt dat de oorzaak van dit drama is gelegen in een verkeerde interpretatie van conclusies van deskundigen. Hij benadrukt dat de betrokken rechters professioneel en integer hebben gehandeld, dat het juridisch systeem uiteindelijk heeft gewerkt en dat het hier om een uitzonderlijke zaak gaat. De reactie vertoont geen spoor van spijt over de mogelijke vooringenomenheid. Het is onmiskenbaar dat het deskundigenbewijs in deze zaak complex en tegenstrijdig was, maar dat is niet de enige oorzaak van de dwaling als we het Arnhemse hof moeten geloven. Op de vraag of de rechters die tot een veroordeling zijn gekomen onder druk van de media hebben gestaan, antwoordt Van Emster: ‘Nee. Dat durf ik zonder meer te beweren. Rechters zijn professionals, getraind om feiten vast te stellen en zich niet door persoonlijke emotie te laten leiden of toe te geven aan druk van buitenaf. Alleen de feiten tellen.’ Deze reactie wringt nog het meest.

De kritiek die mede naar aanleiding van deze zaak vanuit gedragswetenschappelijke hoek op de rechtspleging is geuit, is dat juristen tamelijk blind zijn voor de valkuilen die ieder mens op zijn weg vindt, als het gaat om iets vast te stellen dat zich buiten zijn aanwezigheid in het verleden heeft afgespeeld. Moet niet erkend worden, hoe pijnlijk ook, dat deze kritiek op de strafrechtelijke waarheidsvinding – zonder welke er geen herziening zou zijn gekomen - gegrond was en dat we wat dit aangaat best wat training kunnen gebruiken? Alle betrokkenen in de strafrechtspleging, en dan heb ik het over politie, OM, rechters, advocaten en ook forensische deskundigen, zouden zich meer bewust moeten zijn van het feit dat niemand immuun is voor suggestieve beeldvorming. Het zit ingebakken in de manier waarop we waarnemen en reageren. We hebben een referentiekader nodig om situaties in te schatten en te beoordelen. In het dagelijkse leven gaat dat ook meestal goed. Maar als het gaat om het bewijzen van iets dat zich in het verleden heeft afgespeeld, dan kan het ook goed fout gaan. Ik geloof niet dat dit alleen incidenteel gebeurt. Het wordt alleen incidenteel ontdekt en dan vaak ook nog na een harde juridische strijd. Binnen de huidige strafrechtspleging staat iedereen onder druk. Dat geldt, nogmaals, voor alle professionele betrokkenen. Efficiency en routinematig afwikkelen van zaken voeren de boventoon. De veiligheidsdrempels die in onze strafvordering zijn ingebouwd worden daarbij – hinderlijk als ze zijn - afgevlakt. De onschuldpresumptie, het onmiddellijkheidsbeginsel, adversaire procedures, de unus testis regel, de motiveringsplicht, in dubio pro reo, het zijn allemaal procedurele waarborgen om fouten te voorkomen. Maar ze dreigen te verwateren door productiedruk. Wat de zaak van Lucia de Berk (weer) leert, is hoe belangrijk het is om een open blik te houden, te luisteren naar andere mogelijke scenario’s, maar ook om vast te houden aan de klassieke waarborgen van het strafproces en hoe gevaarlijk het is toevlucht te nemen tot bewijsconstructies die alleen nog geworteld zijn in beeldvorming in plaats van vastgestelde feiten.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/784, afl. 16, p. 1027.

Bron afbeelding: dbking

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 19 april 2010

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

henri sarolea schreef op :
Met de reactie van Hoogendoorn, en vooral zijn advies het raadkamergeheim aan te passen op een wijze als door hem voorgesteld, kan ik instemmen. Als namelijk een rechter, anders dan nu, zich niet langer meer kan verschuilen achter het argument 'niet de mogelijkheid gehad te hebben tot publicatie van een dissenting opinion' zal daar zonder meer een preventieve werking van uit gaan. De wil om de eigen naam als jurist hoog te houden, in combinatie met de mogelijkheid om naderhand op geleverd werk herkend te worden (en op recepties daarop aangesproken te kunnen worden), vergroot de kans op beter werk dan geleverd is in de onderhavige zaak. Bovendien valt ook te verwachten dat alleen al het bestaan van een recht tot publicatie van een dissenting opinion alle rechters scherper zal maken en dat zeker als de minderheid aan de anderen laat doorschemeren van zijn of haar recht gebruik te gaan maken dan naar verwachting de meerderheid hierin een aansporing zal zien het eigen oordeel nog eens extra kritisch te bezien en beter te motiveren. Te meer waar rechterlijke misslagen helaas echt geen incident zijn is er derhalve alle aanleiding om op dit punt onze weinig moderne regelgeving eindelijk te gaan herzien. Er zijn mij in ieder geval geen voldoende overtuigende argumenten bekend die pleiten voor volledige handhaving van het raadkamergeheim.

Overigens moet geconstateerd worden dat juist in de zaak van Lucia de Berk er sprake lijkt te zijn geweest van een schending van het raadkamergeheim. Maar dit met een duidelijk minder nobel motief en juist om daarmee het proces van waarheidsvinding en herziening tegen te gaan! Ik doel op de aanval destijds van J. Verburg, president van het Haagse gerechtshof op de commissie Grimbergen in de NRC van 1 november 2007 (Opiniepagina). Zoals ik toen al enkele dagel later in de zelfde krant heb opgemerkt was het heel curieus dat de president ons liet weten dat het belastende oordeel van de statisticus Elffers op geen enkele wijze had bijgedragen aan de voor de bewezenverklaring ook noodzakelijke overtuiging van zijn rechters.... Zo leken hij en de (alle?) raadsheren voor wie hij toen opkwam ogenschijnlijk even geen boodschap te hebben aan het geheim van de raadkamer. Maar de bijzondere actie vanuit de rechterlijke macht zelf - een ingezonden stuk naar de NRC - was nog méér discutabel omdat het arrest zélf op het tegendeel wees. Taru Spronken plaatst dan ook terecht kritische kanttekeningen bij het oordeel van Van Emster die van kritiek op het functioneren van de rechterlijke macht in deze niet wil weten.
M.J. Hoogendoorn schreef op :
Men kan zich afvragen of meer opleiding tot het gewenste resultaat zal leiden. Het belangrijkste euvel is immers niet het ontbreken van kennis, maar een gebrek aan kritische zin. Iedereen maar weer naar dezelfde cursus sturen zal dat niet verhelpen. Beter kan men kijken of bepaalde kenmerken van ons rechtssysteem het genoemde euvel in stand houden.

Zelf denk ik dat er voor een strafrechter die kritischer is dan zijn collega’s, in ons huidige systeem weinig eer te behalen valt. Indien een rechter van een meervoudige strafkamer een afwijkende opvatting heeft, komt deze niet in het vonnis, in geval van recidive ervaren collega's hem/haar wellicht als een lastpak, en, als achteraf blijkt dat het afwijkende standpunt juist is, zal niemand dat ooit weten wegens het geheim van de raadkamer. Een rechter die doorslaat kan zelfs strafrechtelijk vervolgd worden wegens(LJN BL 5429).

Er staat, kortom, een bonus op het zich conformeren en een straf op een kritische, onafhankelijke opstelling. Van een rechter wordt verwacht dat deze zich committeert aan de eenmaal genomen meerderheidsbeslissing en daaraan rigide vasthoudt; een neiging die bij normale mensen toch al geen stimulans nodig heeft

Dit euvel zou eenvoudig verholpen kunnen worden indien men het rechters van meervoudige kamers zou toestaan een dissenting opinion te publiceren. Op die wijze heeft een rechter eer van zijn kritische houding, ook als deze in de concrete zaak niet de doorslag geeft. Het heeft het bijkomende voordeel, dat niet slechts de zorgvuldig geselecteerde bewijsmiddelen die een veroordeling ondersteunen hun weg naar het publiek vinden, maar ook ontlastende bewijsmiddelen in de openbaarheid komen.

Het is wellicht ook wat veel gevraagd om van een rechter, die volgens de wet ook overtuigd moet zijn van de schuld van de verdachte, te verwachten dat hij zich overtuigd betoont omdat zijn/haar collega's dat zijn.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.