Barsten in het verlofstelsel in strafzaken?

Op de route van mijn huis naar mijn werk prijkt op een van de panden die ik passeer de tekst: What we see mainly depends on what we look for. Mooie tekst, toepasselijk in veel situaties, vooral als het gaat om gebeurtenissen die we niet hebben (willen) zien aankomen. Van de andere kant zet deze regel ook aan tot creativiteit en het wandelen buiten de geijkte paden; het ligt er maar aan hoe je het bekijkt.

Wat velen wellicht niet hebben zien aankomen is de uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité van 30 juli 2010 waarin de Nederlandse praktijk van het verlofstelsel in strafzaken in strijd wordt geacht met artikel 14 lid 5 van het IVBPR.1 Deze uitspraak was er niet gekomen zonder het activisme van de betrokken advocaat die deze kwestie aan het Mensenrechtencomité voorlegde.2 Onze blik is vooral gericht op het EVRM en het komt niet veel voor dat Nederlandse zaken in Genève belanden.

In de zaak ging het om een vrouw die zich bij de opening van de Betuwelijn had vastgeketend aan de spoorrails en geweigerd had gevolg te geven aan een ambtelijk bevel zich van die rails te verwijderen. Zij moest terechtstaan wegens overtreding van art. 184 Sr en werd door de politierechter veroordeeld tot een boete van € 200. Het ingestelde hoger beroep werd door de voorzitter van het Hof Den Haag conform het verlofstelsel buiten behandeling gelaten. Het verlofstelsel, dat in 2007 bij de Wet stroomlijning hoger beroep is ingevoerd, komt er kort gezegd op neer dat in relatief lichte zaken waarbij uitsluitend een geldboete is opgelegd van ten hoogste € 500, hoger beroep alleen mogelijk is als de voorzitter van de appelinstantie beslist dat hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. In dit soort gevallen gaat het meestal om een mondeling vonnis van de politierechter dat, als het aan de criteria van art. 410a Sv voldoet, niet hoeft te worden voorzien van een motivering of uitwerking van de bewijsmiddelen. De ‘verlofrechter’ krijgt alleen de processtukken te zien. Zelfs het proces-verbaal van de zitting hoeft niet te worden uitgewerkt. Dit alles is uiteraard ingegeven door overwegingen van kostenbesparing: vonnissen in lichte zaken hoeven niet te worden uitgewerkt en volgens de Nederlandse regering voorkomt het verlofstelsel op jaarbasis zo’n 4200 appelzaken. Met name deze mix van werklastverlichtende maatregelen blijkt het verlofstelsel nu op te breken. Het gaat in de uitspraak namelijk niet om de vraag of een verlofstelsel als zodanig in strijd is met artikel 14 lid 5 van het IVBPR, dat het recht op een hogere voorziening in strafzaken waarborgt, maar om de gebreken in de verlofprocedure. Het Mensenrechtencomité blijkt ongevoelig voor de Nederlandse kostenargumenten en is van oordeel dat nu de verdediging noch de verlofrechter beschikten over een gemotiveerd vonnis voorzien van bewijsmiddelen, een inhoudelijke behandeling van het verzoek om verlof voor hoger beroep niet conform artikel 14 lid 5 IVBPR heeft kunnen plaatsvinden.

Had men dit nu niet kunnen zien aankomen? Eigenlijk wel. In het General Comment van 27 juli 2007 no. 32 stelt het Mensenrechtencomité:

“The right to have one’s conviction reviewed can only be exercised effectively if the convicted person is entitled to have access to a duly reasoned, written judgement of the trial court, and, at least in the court of first appeal where domestic law provides for several instances of appeal, also to other documents, such as trial transcripts, necessary to enjoy the effective exercise of the right to appeal.” Het Mensenrechtencomité past deze criteria nu ook toe op de verlofprocedure en benadrukt het waarborgen van “adequate facilities for the preparation of the defence and conditions for a genuine review[..] by a higher tribunal”.


Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet stroomlijning hoger beroep werden de bezwaren gebaseerd op artikel 14 lid 5 IVBPR door de regering gepareerd met de stelling dat de verlofrechter alle stukken tot zijn beschikking krijgt. Voor het feit dat bij die stukken geen uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de zitting zit, werden de ogen gesloten. De beoogde kostenbesparing zou immers grotendeels ‘verdampen’ als vonnissen en processen-verbaal zouden moeten worden uitgewerkt.

We zullen moeten terugkomen op de regeling dat bij appelzaken die onder het verlofstelsel vallen volstaan kan worden met een verkort vonnis en dat uitwerking van het proces-verbaal van de zitting achterwege kan blijven. De wetgever is nu aan zet.

Interessante vraag blijft nog, zolang de wettelijke regeling niet is aangepast, of de verdachte die appel instelt en daarbij verlof nodig heeft, met deze uitspraak in de hand aanspraak kan maken op een uitgewerkt vonnis en proces-verbaal van de zitting. De Hoge Raad heeft herhaaldelijk uitgemaakt dat art. 14 lid 5 IVBPR zich niet leent voor rechtstreekse toepassing.3 Maar daarbij ging het steeds om het gesloten systeem van rechtsmiddelen en het ontbreken van appelmogelijkheden. De rechter kan op basis van art. 14 lid 5 IVBPR geen nieuwe appelmogelijkheden creëren. Maar als het gaat om de procedurele waarborgen die bij de verlofprocedure in acht moeten worden genomen? De criteria die het Mensenrechtencomité aanlegt zijn vergelijkbaar met de waarborgen van art. 6 lid 3 EVRM en dat is in ieder geval rechtstreeks van toepassing.4 We zullen het zien.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/1648, afl. 31, p. 2019.

Bron afbeelding: liknes

 

1. Human Rights Committee 30 July 2010, Communication No. 1797/2008; HR 31 maart 2009, NJ 2010, 338, mnt. Y. Buruma.
2. W.H. Jebbink, 'Verlofstelsel in strafzaken: schijnrechtspraak in strijd met het IVBPR', DD 2008, 59.
3. Zie bijv. HR 6 januari 1998, NJ 1998, 644.
4. Zie EHRM 2 juni 2009, NJ 2010, 326, m.nt. Y. Buruma.

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 13 september 2010

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

ing E A Renwarin schreef op :
Beste mensen,

Door de toepassing van het verlofstelsel heeft het Hof in Den Haag mijn pro-forma hoger beroepszaak met betrekking tot het dossier Doorrijden na een aanrijding te Rotterdam-Lombardijen geblokkeerd dan wel afgewezen, terwijl ik de zaak met een goede juridsche reden heb gestaafd. Ik vind dat ik als `verdachte` conform het `PROCES-VERBAAL` van de tegenpartij die mij had aangereden en is doorgereden, niet meer juridisch kan weerleggen en mijn ONSCHULD kan bewijzen. Zou ik de zaak nog opnieuw kunnen aanbrengen bij het Hof? In afwachting van een SPOEDIGE reactie.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.