Academie onder druk

Waar zijn wij mee bezig? Ik maak mij sterk dat deze vraag door vele van mijn collega-hoogleraren in dit land wordt gesteld, soms in de openbaarheid, veel vaker in de beslotenheid van de privé-omgeving.

De meesten van ons hebben voor ‘dit vak’ gekozen om in de inmiddels eerder mythische academische vrijheid het beste uit zichzelf en anderen te halen. Nog niet zo lang geleden had de hoogleraar daarbij een centrale positie. Hij of zij was vanwege gebleken kwaliteiten aangesteld en genoot daarom ook vertrouwen. In een zekere autonomie ten opzichte van de centrale organisatie bepaalde hij (m/v) de inhoud van de vakken en de wijze waarop zij werden gegeven. En op eenzelfde manier gaf hij vorm aan zijn eigen onderzoek en dat van anderen die onder zijn ‘leiding’ aan de slag gingen. Als vruchten van dit onderzoek konden artikelen, noten, bijdragen aan losbladigen, monografieën en proefschriften worden bijgeschreven. In ieder van deze categorieën wist men wel gezaghebbende of ‘fundamentele’ bijdragen aan te wijzen. Een proefschrift kreeg daarbij bijzondere aandacht, veelal omdat het om een levenswerk ging, vaak ook omdat het een bewijs bleek van bijzondere verdienste. Natuurlijk was het niet enkel goud dat er blonk: zo presteerde niet iedereen optimaal, was niet elke publicatie belangrijk en was ook het onderwijs voor verbetering vatbaar.

Vrijwel iedereen zal toegeven dat zijn of haar werkelijkheid een andere is. Zo heeft de hoogleraar autonomie moeten inleveren. Het is ‘de faculteit’ die onderwijskaders stelt (methode, vorm, materiaal, examinering) en hetzelfde geldt op het terrein van onderzoek waar men te maken heeft met wetenschapscommissies die onderzoeksbeleid voeren en gelden verdelen, met onderzoeksscholen die inhoudelijke richting geven én daarmee beperkingen stellen en die nadrukkelijk de onderzoeksagenda bepalen. Velen ervaren een grote afstand tussen ‘werkvloer’ en bestuurders. Dat geldt niet alleen de relatie tussen universiteit en faculteit maar zet zich door in facultaire verhoudingen. Een belangrijke oorzaak is de gewijzigde universitaire medezeggenschapswetgeving. Een serieuze bijdrage levert verder het idee dat een universiteit een onderneming is met als gevolg dat een bepaald menstype aan het roer is komen te staan. Dat type is niet dat van de facilitator of degene die op de winkel past. Het betreft personen met een missie, lieden die verandering hoog in het vaandel hebben staan, menen dat de werkvloer dringend behoefte heeft aan hun visie op wat daar zou moeten gebeuren en andersluidende opvattingen als ingecalculeerde weerstand negeren. Wijzigingen in de onderzoeksfinanciering, Haagse geldstromen bijvoorbeeld die niet langer rechtstreeks naar de universiteiten stromen maar via NWO lopen, houden niet alleen in dat men om onderzoeksgeld moet strijden maar brengen een verschuiving van ‘vrij’ naar thematisch onderzoek mee. Concurrentie met andere takken van sport heeft geleid tot voortdurende discussie over de wetenschappelijkheid van het onderzoek, onduidelijkheid over de status van klassiek juridisch onderzoek en een overheersende belangstelling voor multidisciplinair onderzoek. Publicatievormen als het artikel waarin een leerstuk wordt besproken, de noot waarin actuele rechtspraak centraal staat, liggen onder vuur, terwijl veel geld, letterlijk en figuurlijk, wordt gezet op het proefschrift. Faculteiten zijn, door gouden koorden geleid, promotiefabrieken geworden. Vertrouwen is er, ten slotte, niet zonder meer: ook de academie verkeert in een tijdperk van verantwoording en controle en merkt dat veel tijd, geld en energie gaat zitten in verslaglegging, visitaties en accreditatie.

De druk van het geld, neem het Hoofdlijnenakkoord OCW/VSNU, neemt toe. ‘Den Haag’ financiert op output, zodat diploma’s doel zijn aan het onderwijsfront, en proefschriften aan het onderzoeksfront. Bezuinigingen voeren de druk verder op: faculteiten moeten met steeds minder mensen steeds betere onderwijsprestaties leveren, althans zorgen voor betere rendementen (sneller afstuderen, minder uitval), wat niet hetzelfde is als verhoogde onderwijskwaliteit. Noodverbanden worden aangelegd: extra begeleiding van probleemgevallen, extra toetsgelegenheden. Ook het accent op proefschriften is terug te voeren op financiering; faculteiten worden geprikkeld om zoveel mogelijk promoties per jaar te realiseren, een prikkel die zij doorgeven aan hoogleraren. Opnieuw is een stijgend aantal, veelal resultaat van een tevoren gestelde ‘target’, geen bewijs van interessant en belangrijk onderzoek, ook niet van kwaliteit, laat staan van verhoogde kwaliteit.

De ‘academische’ balans is somber: verhoogde onderwijslast, verminderde vrijheid, nadruk op promovendibegeleiding en spanning tussen theorie (het officiële beleid staat in het teken van kwaliteitsverbetering) en praktijk (het onderwijs wordt volgens de staf niet steeds beter, net zo min als onderzoekers het idee hebben dat de onderzoekskwaliteit steeds hoger ligt).

Gevaren liggen op de loer: zo is een reëel scenario dat bekwame mensen de academie de rug toekeren en talent niet eens een poging waagt. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat ook de kwaliteit van universitaire opleidingen en diploma’s, visitaties en accredidaties ten spijt, voorwerp wordt van onderzoek in media en politiek. En als de universiteiten toch onder de loep worden genomen is het een kleine stap naar het onderzoek. Waren de rechtenfaculteiten, gekeken naar output, al die publicaties, al die proefschriften, werkelijk zoveel geld waard? Had dat niet beter kunnen worden besteed?

Misschien gloort er licht aan het einde van de tunnel en maakt de affaire Stapel een discussie los over de perverse effecten van score-indicatoren, publicatiedruk (peer review, internationaal publiceren, constant subsidies binnenhalen) en over het belang van onderzoek zonder druk. Vanuit dat perspectief baart het zorgen dat juristen de maat genomen wordt van disciplines met een andere publicatie- en onderzoekstraditie. Wil de rechtswetenschapper kans blijven maken op subsidie buiten de eerste geldstroom dan moet hij kunnen bogen op Veni, Vidi- en Europese subsidie-successen. Het is daarom zaak dat de rechtswetenschap voldoende ruimte binnen de eerste geldstroom houdt. Traditioneel op Nederland georiënteerd onderzoek is noodzakelijk om de maatschappelijke uitdagingen waar we ook op nationaal niveau voor staan aan te kunnen gaan.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/710, afl. 12, p. 791.

Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 19 maart 2012

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Reinier Bakels schreef op :
De universiteit verwordt van "Universität" tot "university". De "Universität" is een kenniscentrum op hoog niveau, waarvoor onderwijs slechts een soort noodzakelijk kwaad is, om de kennis over te dragen. De "university" naar Amerikaanse model is een instelling voor tertiair onderwijs, van welk niveau dan ook. Als wij ons willen spiegelen aan het model van de "muniversity" zal de lijn consequent moeten worden doorgetrokken: dan moet de universiteit zich specialiseren tot een zo efficiënt mogelijke lesfabriek. Maar er blijft in de maatschappij ook behoefte aan onafhankelijke kenniscentra die in de frontlijn van de wetenschap opereren. De "academische vrijheid" wordt vaak begrepen: de essentie is dat de wetenschappers die deze vrijheid genieten in alle vrijheid hun wetenschappelijke mening moeten kunnen vormen. Daarom dragen hoogleraren toga's, net als rechters. De "academische vrijheid" hóórt'te voorkomen dat Hartlief voor een opvattingen in het aansprakelijkheidsrecht moet pleiten waar hij niet achter staat, puur omdat hij dan lucratieve PAO cursussen kan organiseren voor rijke verzekeraars (fictief voorbeeld!).

Om de onmisbare functie van wetenschapscentra vervullen hebben wij instituten nodig naar het voorbeeld van de Duitse Max Planck instituten (die trouwens nog steeds nauw gelieerd zijn aan universiteiten).

Maar in Duitsland is de academische vrijheid dan ook een grondrecht, en niet zoals bij ons een bijna vergeten bepaling in de Wet op het Hoger Onderwijs die bijvoorbeeld niet eens van toepassing is voor het KNMI (zodat een minister *politiek* verantwoordelijk is voor het weerbericht!) Maar de "Freiheit der Lehre" (in één adem genoemd met de vrijheid van de kunsten in art. 5 lid 3 Grundgesetz) is dan ook een reactie op de nazi-tijd, en geldt algemeen.

Er is de laatste tijd veel aandacht geweest voor frauderende hoogleraren, zoals Diederik Stapel. Misschien wel zo belangrijk is het verschijnsel dat sluipenderwijze wetenschappers "commercieel-wetenschappelijk" gaan denken.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.