Het slachtoffer als mede-eiser

Op 5 oktober jongstleden heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel gepresenteerd waarbij de positie van slachtoffers in het strafproces radicaal wordt uitgebreid. Het was al aangekondigd in het regeerakkoord: de nu geldende beperkingen waarbij slachtoffers zich op de zitting alleen mogen uitlaten over de impact die het strafbare feit op hen persoonlijk heeft gehad, moeten worden losgelaten en zij zouden ook iets moeten kunnen zeggen over de door hen gewenste straf.

Gedacht werd aan de invoering van een tweefasenproces, waarin door de rechter eerst over de schuld wordt beslist en als deze is vastgesteld de procedure wordt voortgezet over de strafmaat, waarbij slachtoffers meer ruimte krijgen om hun standpunten naar voren te brengen. Hiermee zou zowel recht kunnen worden gedaan aan de positie van de verdachte, die voorafgaand aan de vaststelling van schuld voor onschuldig moet worden gehouden, als aan de positie van het slachtoffer dat nu maar beperkt spreekrecht heeft in een fase waarin schuld nog niet is vastgesteld. Met name bij dat laatste wringt er iets. Voor de rechter is het lastig om onpartijdigheid te combineren met empathie voor het slachtoffer en een verdachte heeft het recht om te zwijgen of te ontkennen, wat voor het slachtoffer soms moeilijk te verteren is. Een tweefasenproces zou de verdachte meer ruimte bieden spijt te betonen tegenover het slachtoffer en mee te werken aan herstel of genoegdoening.

Het WODC kreeg opdracht om de voor- en nadelen die verbonden zijn aan de invoering van een tweefasenproces te onderzoeken.1 Uit het rapport blijkt dat de invoering van een tweefasenproces meer voetangels en klemmen heeft dan je zo op het eerste gezicht zou denken. Met name als er over de vaststelling van schuld tot aan de Hoge Raad wordt doorgeprocedeerd, kan het wel eens heel lang duren voordat het debat over de straftoemeting kan beginnen. Dat is eigenlijk voor niemand goed. Hierom heeft men bijvoorbeeld in België en Duitsland afgezien van een tweefasenproces. De onderzoekers komen met een alternatief: naast het spreekrecht zou aan het slachtoffer een adviesrecht kunnen worden gegeven waarbij het slachtoffer zich kan uitlaten over de schuld en de straf. Dit zou dan wel na het requisitoir moeten zodat de officier van justitie het voortouw kan nemen.Bijstand door een advocaat lijkt daarbij noodzakelijk, omdat van het slachtoffer niet de juridische kennis verwacht kan worden zinvol aan het debat over het bewijs en de strafmaat deel te nemen. De invoering van een tweefasenproces is dan volgens de onderzoekers niet nodig. Als men al voor een tweedeling zou willen kiezen, dan zou dat ook kunnen binnen het huidige strafproces waarin procesvoering in twee fasen mogelijk is door in een tussenvonnis de bewezenverklaring en de kwalificatie op te nemen.2

Wat is er nu van deze bevindingen terug te vinden in het wetsvoorstel? Van een splitsing in twee fasen wordt afgezien. Het invoeren van het adviesrecht naast het spreekrecht wordt wel omarmd, maar de staatssecretaris ziet niet in waarom dit na het requisitoir zou moeten en ook verplichte bijstand van een advocaat acht hij niet nodig; dat zou de uitoefening van het spreek- en adviesrecht te veel ‘juridificeren’. Uitgangspunt van de voorgestelde regeling is dat het spreekrecht in de huidige vorm wordt gehandhaafd en daaraan een adviesrecht wordt toegevoegd waarin het slachtoffer zich – desgewenst zonder bijstand van een advocaat – en dus voorafgaand aan het requistitoir, kan uitlaten over de bewijsvraag, de kwalificatie, eventuele strafuitsluitingsgronden en welke straf of maatregel zou moeten worden opgelegd. De officier van justitie en de verdediging kunnen hier het slachtoffer over ondervragen en zo nodig kan het slachtoffer als getuige worden beëdigd en gehoord zodat zijn verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt. Zo krijgt het slachtoffer als procesdeelnemer meer gewicht ‘en groeit hij naar die van procespartij’, aldus de MvT. Ook de motiveringsplicht van de rechter wordt aangescherpt want deze zal afwijkende beweringen over de toedracht van de feiten van het slachtoffer niet onweersproken mogen laten. Onderkend wordt dat indien het slachtoffer ervoor kiest om gebruik te maken van zijn adviesrecht, dit nogal wat consequenties kan hebben, zoals een stevige ondervraging door de verdediging en dat het niet altijd gemakkelijk zal zijn de risico’s op voorhand goed in te schatten. Maar dat is all in the game. Het strafproces krijgt volgens de staatssecretaris dan immers een meer adversair karakter en speelt zich niet meer primair tussen OM en verdediging af maar tussen de verdediging en het slachtoffer, dat er ‘veelal op uit zal zijn de verklaringen van de verdachte te ontkrachten.’ Ik zie het al voor me. Als we als een van de kernfuncties van het strafrecht nog steeds het kanaliseren van de behoefte aan vergelding zien op een manier waarbij rechtsbescherming van alle betrokkenen en evenredigheid tussen daad en straf vooropstaan, dan moeten we een adviesrecht van het slachtoffer in deze vorm niet willen. Het heeft méér repercussies dan de invoering van een tweefasenproces, want introduceert een derde procespartij, maar ook weer niet heus, met een onwerkbare motiveringsplicht voor de rechter en het gevaar van escalatie op de zitting. Laten we het recht om te bepalen welke straf de dader opgelegd moet krijgen overlaten aan de rechter en ook niet de indruk wekken dat het slachtoffer daar iets wezenlijks over te zeggen heeft, maar vooral ook zonder het slachtoffer te mangelen.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/2188, afl. 37, p. 2587.


Bron afbeelding: evanforester

  1. B.F.Keulen, A.A. van Dijk, E.Gritter, N.J.M. Kwakman en K. Lindenberg, Naar een tweefasenproces? WODC 2013. 
  2. De onderzoekers verwijzen naar HR 22 januari 2008, NJ 2008, 193. 
Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 22 oktober 2013

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Wouter Jong schreef op :
Eens met Spronken dat het als een boomerang terugkomt bij het slachtoffer. Denkt stevig van wal te kunnen steken, maar wordt door verdediging vervolgens op de pijnbank gelegd. Want het slachtoffer is immers procespartij. Ben bang dat het op de lange termijn vooral tot gedesillusioneerde slachtoffers zal leiden. Vraag me af of de wetgever zich dat risico voldoende beseft.
Frits Jansen schreef op :
Zo wordt pijnllijk duidelijk wat een verwoestende invloed het populisme niet alleen van de PVV maar zeker ook van de VVD op het recht heeft.

Is er wel bij stil gestaan dat er in veel strafzaken helemaal geen aanwijsbaar, individueel slachtoffer is? Van dronken rijden tot miljardenfraude is er niet één specifiek slachtoffer. Moeten de verdachten van zulk soort misdrijven dus maar blij zijn dat zij het lekker alleen met een OvJ en rechter kunnen afdoen?

Het fundamentele misverstand is dat een strafzaak welhaast een civiel proces wordt van het slachtoffer tegenover de dader, zij het dat een (voor het slachtoffer gratis) OvJ als advocaat van de gelaedeerde optreedt?

Het misverstand begint al met de nadruk die tegenwoordig wordt gelegd op de aangifte. Wettelijk is het nog steeds zo dat een aangifte niet meer is dan een melding aan justitie, en dus gedaan kan worden door een ieder die uit eigen wetenschap kennis draagt van een strafbaar feit. Als ik in de krant lees dat justitie hoopt op aangifte teneinde iemand te kunnen vervolgen dan is dat klinkklare onzin. Vervolging is ook mogelijk als de autoriteiten uit andere bron weten van een strafbaar feit, met klachtdelicten als (beperkte) uitzondering (strikt genomen is zelfs voor klachtdelicten geen aangifte nodig, maar wel een verzoek van het slachtoffer). Uiteraard is het wel handig als de (eventuele) slachtoffers bekend zijn, om hun verklaringen te kunnen opnemen.

Toen ik geconfronteerd werd met een poging tot oplichting werd mij aangeraden dat aan de politie te melden, als informatie voor een cybercrime team dat zulke strafbare feiten systematisch in de gaten houdt. Toen ik aangifte had gedaan meldde de politie mij niets te zullen doen in mijn individuele geval. Maar dat was ook helemaal niet mijn bedoeling! Ik wilde slechts een signaal geven aan beleidsmakers.

Als je aangifte wilt doen word je trouwens nog steeds gevraagd naar het bureau te komen. Als ik schriftelijk aangifte doe, citeer ik daarom altijd het wetboek van strafvordering, dat uitdrukkelijk bepaalt dat aangifte ook schriftelijk kan geschieden (art. 163 lid 1 Sv). In hardnekkige gevallen stuurde ik mijn aangifte door aan de Officier van Justitie, die ook verplicht is aangiften in ontvangst te nemen (art. 163 lid 6 Sv). Volledigheidshalve wijs ik dan ook op het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv). Want ook onze politie mag niet van de wet afwijken! De politie wil graag dat je langskomt zodat ze je identificatie kunnen controleren, maar daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag. Ja, het past misschien wel in de gedachte dat het slachtoffer een soort procespartij is, maar niet in de oorspronkelijke opzet van ons strafrecht waarin de aangifte slechts een melding is aan de autoriteiten die vervolgens de vrijheid hebben om te beslissen of zij in het algemeen belang tot vervolging overgaan. Maar dat opportuniteitsbeginsel past ook slecht bij een slachtoffergericht strafrecht.

Enfin, het begon al toen de politiek wilde dat een iemand die zich op noodweer beroept niet meer als verdachte wordt beschouwd. En dus ook niet de rechten heeft die een verdachte heeft, zoals het zwijgrecht! het werkelijke probleem is intussen dat de politie geneigd is verdachten alvast als daders te beschouwen die alleen “verdachten” moeten worden genoemd vanwege hinderlijk juristengeneuzel, maar ze wel keihard aanpakt, met handboeien die ver boven de pijngrens worden aangedraaid, opsluiting dei meestal langer duurt dan strikt nodig voor “het onderzoek” (wat alleen bij bepaalde zware misdrijven is toegestaan), en voor de ongelukkigen die te laat op de avond worden aangehouden een overnachting in een politiecel waar de hele nacht fel licht blijft branden, zogenaamd voor de veiligheid van de verdachte, maar in werkelijkheid met de bedoeling dat hij de volgende ochtend doodmoe zich heel meegaand op het verhoor zal gedragen. Wat al kan beginnen met de instinker dat als de verdachte zegt “ik wil gebruik maken van mijn zwijgrecht en geen verklaring afleggen” oom agent noteert: “de verdachte legt de verklaring af [enzovoort]”

Helaas spreek ik uit eigen ervaring. Toen ik op zitting met een volgens met waterdicht kwalificatieverweer kwam, viel ik voor een Teeven-achtige de OvJ door de mand: “u bent jurist!” Ik was te verbaasd om te antwoorden dat ik in Delft heb gestudeerd (at óók het geval is). Gelukkig aanvaardde het Hof mijn verweer wel. Of ik vandaag de dag nog in beroep zou kunnen gaan weet ik niet. Ik geloof dat ze liefst het verschil tussen dader en verdachte zouden afschaffen, zeker voor ernstige misdrijven.

Het lullige is dat je in dit soort zaken waar de boete nog lager is dan het uurloon van een advocaat kansloos bent als niet-jurist, terwijl de gang van zaken toch heel vervelend is, al moet je – als je veroordeeld wordt – niet meer dan pakweg € 300 betalen.
N.J.M. Kwakman schreef op :
Met het standpunt ‘een adviesrecht voor het slachtoffer gaat te ver’ ben ik het wel eens. Alhoewel: denkbaar is dat een adviesrecht tot op zekere hoogte toch een functie kan hebben. Het slachtoffer kan bijv. te kennen geven beslist geen contact meer te willen met de dader. De rechter kan daar rekening mee houden door bijv. een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een contact- of gebiedsverbod. Maar veel verder behoort het m.i. ook niet te gaan.

Wat betreft het tweefasenproces:
In theorie is daar veel voor te zeggen. Er is zelfs wel iets voor te zeggen ook het ‘spreekrecht’ te verhuizen naar de tweede fase. Sommigen menen dat het slachtofferschap de toegangsticket vormt voor participatie in het strafproces. Dat zou dan onder meer inhouden dat het slachtoffer zo spoedig mogelijk in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zegje te doen en gebruik te maken van andere rechten en bevoegdheden. Daar kan zeker mee worden ingestemd.

Maar daar kan ook tegen in worden gebracht dat het nog maar helemaal de vraag is of het slachtoffer het slachtoffer is van déze verdachte. Dat kan tot de onwenselijke situatie leiden dat de verdachte (in het kader van de uitoefening van het spreekrecht van het slachtoffer) direct of indirect iets wordt verweten terwijl achteraf blijkt dat de verdachte de dader helemaal niet is. Ook dat zou pleiten voor een tweefasenstructuur.

Maar als gezegd: uit een nadere analyse blijkt dat daar nogal wat bezwaren aan kleven. Zo rijst de vraag of de tweede fase pas ingaat zodra hetgeen is vastgesteld in de eerste fase, onherroepelijk is geworden (dus als alle rechtsmiddelen zijn uitgeput), of dat reeds in de eerste instantie het proces moet worden opgedeeld in twee fasen.
Dat laatste brengt het risico met zich mee dat hetgeen in de eerste fase (in eerste instantie) is vastgesteld, in hoger beroep geen stand houdt. In dat geval doorkruist het hoger beroep alsnog de ratio en de voordelen van een tweefasenprocedure, nog afgezien van het feit dat de verhouding tussen de behandeling in eerste instantie in twee fasen, en de behandeling in hoger beroep, nog tal van andere complicaties met zich meebrengt.

Daarnaast moet worden gedacht aan problemen met de (zelfde?) samenstelling van de rechtbank.

Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat een harde knip tussen de bewijsvraag en de straftoemeting in theorie misschien wel mogelijk lijkt, maar dat er in de praktijk veelal sprake is van in elkaar overvloeiende deelaspecten, mede ook gegeven het feit dat het procesdossier op beide deelaspecten betrekking heeft.

Op grond van dat alles hebben wij er de voorkeur voor uitgesproken het spreekrecht en het adviesrecht te ‘situeren’ op verschillende momenten van het onderzoek ter terechtzitting: het spreekrecht tijdens de informatiefase (m.b.t. het bewijs, de wederrechtelijkeheid en verwijtbaarheid, etc.), het adviesrecht tijdens de fase van de waardering van de informatie die op de zitting aan de orde is geweest (de fase van het requisitoir, pleidooi, etc.).
a. zecha schreef op :
De wederzijdse invloed en/of belangen van media en politieke partijvertegenwoordigers ten opzichte van elkaar is m.i. moeilijk te ontkennen. Het valt mij op dat over de gevolgen ervan zo weinig wordt gediscussieerd / -schreven alsof het gevoelige snaren zou betreffen.

Dat iets dergelijks ook in het strafproces “nieuwe stijl” zal of kan ontstaan is m.i. plausibel.
De vraag rijst vervolgens wat de gevolgen voor een onafhankelijke rechtspraak zal zijn indien dit politiek nog gewenst is. .
Tot slot: hoe gaat het kostenplaatje er uitzien en wie betaalt het?
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.