Het Huis van de toekomst

Het Huis van de toekomst heeft eigenlijk weinig om het lijf. Straks kopen we wellicht niet meer dan een casco om dat vervolgens aan te kleden met allerlei ‘servicepakketten’ met betrekking tot zaken als dakbedekking, gevel(bedekking), energie, wassen, verlichting.

Het door Philips ontwikkelde concept ‘lighting-as-a-service’, waarbij tegen betaling voor verlichting wordt gezorgd, is een goed voorbeeld. We ‘kopen’ zo dan als het ware functionaliteit, maar in wezen huren (leasen) we van de producent/verhuurder. Daarbij maken we gebruik van de mogelijkheden die ‘slimme apparaten’ en het Internet of Things ons bieden: de producent/verhuurder kan op afstand zien of onderhoud, reparatie of vervanging nodig is en wij bedienen de apparatuur met onze smartphone.1

Het Huis van de toekomst is straks een toonbeeld van de circulaire economie. Die moet ons in staat stellen de klimaatopgave te halen waar de samenleving voor staat en die in het Klimaatakkoord invulling heeft gekregen. Duurzaam wonen en kringloopbouwen is het devies en dat niet alleen in ons eigen belang, maar vooral ook in dat van degenen die na ons komen.

De circulaire economie zet haar geld op het dienstenmodel om producenten te prikkelen tot hogere kwaliteit (lampen die een leven lang meegaan bijvoorbeeld, modulair gefabriceerde apparaten die eenvoudig gerepareerd kunnen worden, gevels en dakbedekking die CO2- reduceren) en hergebruik. Zij bieden ‘service’ aan de klant, die dus niet langer eigendom en bezit verkrijgt,2 maar enkel ‘gebruik’. De producent/verhuurder verzorgt bijvoorbeeld de verlichting en stelt daartoe armaturen en lampen beschikbaar, maar blijft daarvan eigenaar. In die hoedanigheid heeft de producent/verhuurder belang bij hoge kwaliteit en bij herbruikbare materialen. Bijkomend voordeel van dit model is dat bepaalde gedragsveranderingen (neem de energietransitie) ook gemakkelijker te realiseren zijn: waar aanschaf van nieuwe apparatuur voor afnemers financieel niet haalbaar is, is betaling van ‘servicekosten’ dat wellicht wel.

Naar verluidt gaat het allemaal nog niet snel genoeg. Dat heeft vele oorzaken, maar er zijn in ieder geval ook juridische belemmeringen. Ook het privaatrecht blijkt een sta-in-de-weg. Daarbij gaat het niet om het verbintenissenrecht; integendeel, dat rechtsgebied is eerder een motor voor de verschuiving van ‘bezit naar gebruik’. De problemen liggen veeleer op het terrein van het goederenrecht. Wat verbintenisrechtelijk kan3 en wordt uitgedacht, stuit op basale noties en fundamentele beginselen van goederenrecht, zoals het eenheidsbeginsel, dat behalve waardebehoud (de waarde van het geheel is hoger dan die van de losse onderdelen opgeteld) ook rechtszekerheid bevordert (bij een fiets hoeven we ons niet af te vragen of de eigendom ook het zadel omvat en bij een huis niet of de eigendom ook die van het dak insluit). Zo maakt uiteindelijk het goederenrecht uit wat haalbaar is. Voor de zojuist in het licht geplaatste constructies vormen op het eenheidsbeginsel terug te voeren figuren als bestanddeelvorming en natrekking een obstakel. De producent/verhuurder verliest de eigendom en daarmee valt de bodem onder het model weg.4

Wat te doen? Uiteraard verkennen praktijk en literatuur de ruimte die het gesloten stelsel van beperkte rechten in het goederenrecht (numerus clausus) biedt: kan de verhuurder van zonnepanelen uit de voeten met een opstalrecht bijvoorbeeld en de producent/verhuurder van een CO2-reducerende gevel met een recht van erfpacht?Behalve dat het aldus door het goederenrecht aangereikte pak bij deze toepassingen niet echt als gegoten zit, brengt vestiging van een beperkt recht serieuze kosten met zich. Een andere optie waarin de rechter het initiatief gegeven wordt, is het afstoffen van arresten over bestanddeelvorming en natrekking en op zoek te gaan naar ruimte voor een moderne invulling. Wanneer is heden ten dage een zaak bijvoorbeeld compleet? Is een ‘duurzame’ uitleg van het type ‘anders dan tot voor kort gemeen goed was, maakt het dak een huis niet af’ bijvoorbeeld mogelijk? Kan daar waar ook in het goederenrecht betekenis toekomt aan de ‘verkeersopvattingen’ (vgl. art. 3:4 lid 1 BW) niet gezegd worden dat deze in een door kringloop- en duurzaamheidsdenken gedomineerde samenleving (gaan) veranderen?

Het zou best kunnen, maar veel houvast biedt deze strategie niet in een tijd waarin haast geboden is. Het ligt daarom voor de hand het vizier te richten op de wetgever die in het spoor van de recente voorstellen tot herziening van het Belgische BW bijvoorbeeld meer ruimte aan partijautonomie in het goederenrecht zou kunnen bieden om aldus de praktijk de gelegenheid te geven binnen een minder gesloten stelsel op maat gesneden duurzaamheidsoplossingen te ontwikkelen.6 Voorstanders kunnen ook hier hameren op het aambeeld van de technologie: bepaald niet ondenkbaar zijn openbare 3D-registers waarin niet alleen (de rechten op) het casco maar ook (die op) aankledende elementen, materialen en apparatuur in beeld worden gebracht.

Tegenstanders die het goederenrecht liever rustig bezit laten zijn, zullen ongetwijfeld wijzen op al dan niet vermoede consequenties voor de vastgoedmarkt en de financierings- en insolventiepraktijk en aandringen op realisme en bezinning. Dat juist het notariaat deze week Duurzaam wonen centraal zet in zijn jaarvergadering7 en ‘werk aan de winkel!’ een rode draad lijkt in de preadviezen,8 geeft echter hoop.

Voor het Huis van de toekomst moet het goederenrecht in de steigers.

 

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2019/1429, afl. 25

 

  1. Dat zo ook waardevolle data beschikbaar komen, laat ik nu daar. Net als de vraag of de producent de apparatuur op afstand mag uitschakelen. Zie Berlee, MvV 2018, p. 255 e.v.
  2. Zie ook De eigendom voorbij, Ars Aequi 2018/7-8.
  3.  (De roep om extra) Dwingendrechtelijke (consumenten)bescherming daargelaten.
  4. Zie o.m. Koolhoven, WPNR 7914 (2018) en in Circulair bouwen, preadvies, Den Haag: VBR 2019, p. 6 e.v.
  5. Zie bijvoorbeeld Van der Plank en De Jong, WPNR 7224 (2019).
  6. Zie Sagaert, Partij-autonomie in het goederenrecht, preadvies VVSRBN, Den Haag: Bju 2018, p. 189 e.v.
  7. Akkermans e.a., Duurzaam wonen, preadviezen KNB, WPNR-Boekenreeks nr. 10.
  8. Overigens ook in de bespreking door Bartels, WPNR 7241 (2019).
Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 24 juni 2019

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.