Herbezinning op wettelijk kader ter bestrijding van anti-democratische bewegingen is nodig

Moeten we gedogen dat vertegenwoordigers van antidemocratische en soms zelfs gewelddadigheid predikende partijen, politici en ideologen een podium krijgen in Nederland? Een aantal recente incidenten geeft aanleiding ons op deze vraag te bezinnen.

Allereerst is daar de kwestie Eindhoven. De islamitische stichting Waqf nodigde voor een conferentie in de Al Fourqaan-moskee zeven ‘gastsprekers’ uit die vanuit een minder welwillend perspectief vaak worden aangeduid als ‘haatpredikers’. De toenmalige burgemeester van de gemeente Eindhoven, Rob van Gijzel (PvdA), won inlichtingen in over de predikers bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Dick Schoof. Dat leidde tot een negatief advies. Van Gijzel verbood vervolgens de komst van de islamitische predikers naar de moskee uit angst voor verstoring van de openbare orde. De visa van de imams uit Egypte, Syrië, Saudi-Arabië, Soedan en Koeweit, werden ingetrokken. De mannen hadden zich beledigend uitgelaten over homo’s, Joden, ongelovigen en vrouwen. Maar ook zouden ze de gewelddadige jihad hebben verheerlijkt. Een kort geding steunde het verbod van de burgemeester, maar in de bodemzaak kreeg Eindhoven ongelijk: een ontoelaatbare inbreuk op het recht op vergadering, volgens de Rechtbank Den Bosch (zie Rb. Oost-Brabant 23 december 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:7607; Rb. Oost-Brabant, 30 januari 2017, SHE 16/2650).

Een tweede kwestie gaat over een conferentie in centrum De Koningshof in Veldhoven waar zeshonderd Eritreeërs zouden samenkomen. Het gaat om de jaarlijkse Europese conferentie van de jongerenafdeling van de enige partij die in Eritrea is toegestaan. Zij zouden worden toegesproken door Yemane Gebreab, de tweede man achter president Isaias Afewerki, die zijn land op dictatoriale wijze regeert.

Net als in het geval van de ‘haatpredikers’ zijn de Nederlandse autoriteiten niet blij met de komst van Gebreab. Hij krijgt geen officiële ontvangst. Hij wordt niet te woord gestaan door Nederlandse ambtenaren. Zijn bezoek wordt gezien als een privéaangelegenheid. Als reden wordt door het kabinet opgegeven: ‘De regering is bezorgd over de mensenrechtensituatie in Eritrea.’ Ook vindt het kabinet het bezoek ‘ongemakkelijk’, omdat Gebreab Eritreeërs gaat toespreken die hun land hebben verlaten.

Maar volgens Mirjam Van Reisen (Tilburg University) is er meer aan de hand. De conferentie is ook bedoeld om de in Nederland aanwezige Eritreeërs te intimideren. Dat kan zelfs leiden tot geweld. De Eritrese vluchteling Fikadu Hagos (25) werd in 2012 mishandeld op een feest met aanhangers van het regime. Hij had tegen vrienden gezegd dat hij tegen de president was. Kort daarna werd hij in elkaar geslagen. In Nederland leven zo’n 20 000 Eritreeërs. Zij vormen na Syriërs de grootste groep asielzoekers in Nederland.

En dan hebben we als derde ook nog het diplomatiek conflict tussen Nederland en Turkije over een landingsverbod voor een Turkse minister en een andere minister die het land werd uitgezet. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken Cavusoglu wilde campagne komen voeren onder Turkse Nederlanders, hoewel het kabinet had aangegeven dat hij hier niet welkom was. De landingsrechten voor het vliegtuig van Cavusoglu werden ingetrokken en de minister kon onverrichterzake naar huis. De Turkse minister van Familiezaken Fatma Kaya werd tot ongewenste gast bestempeld en onder politiebegeleiding via de Duitse grens ‘uitgeleid’.

De Turkse kwestie had een voor de VVD gunstig bijeffect. Zoals Arie-Jan Korteweg schrijft in De Volkskrant van 15 maart 2017: ‘Afgelopen weekeinde doemde uit de mist van de diplomatieke rel bij het Turkse consulaat een helder silhouet op: dat van Mark Rutte de leider. De man die bereid was “ongekend scherpe maatregelen” te nemen tegen leden van de Turkse regering. En die in staat bleek daarin zowat alle anderen achter zich te verzamelen.’ Dat die ongekend scherpe maatregelen van de premier voornamelijk waren gestimuleerd door de PVV die de grootste partij dreigde te worden werd door velen voor lief genomen. Nog eens Korteweg: ‘Zo was het een gebeurtenis van buiten die de VVD op koers zette.’

De Turkse president Recep Tayyip Erdogan verklaarde naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg te willen gaan. Nederland zou rekenschap moeten afleggen over het optreden van het kabinet tegenover Turkije. Ook zou Turkije diplomatieke sancties aanwenden tegen Nederland.

Bescherming van democratie

Hebben de hier gereleveerde incidenten met elkaar te maken? En zo ja, wat? Heeft Nederland juist gehandeld? Of zijn fouten gemaakt en zo ja, welke?

Een voor de hand liggend antwoord is dat Nederland de vrijheid van expressie en de vrijheid van vergadering heeft geschonden. Dat zou het geval zijn met de zeven haatpredikers in Eindhoven, maar ook in de Eritrese en Turkse kwestie. Waarom zou een Eritrese politicus geen aanhangers in Nederland mogen toespreken? Waarom zou een Turkse politicus dat niet mogen doen tegenover Turkse Nederlanders? Gelden mensenrechten niet voor iedereen? Dus ook voor mensen uit Saoedi-Arabië, Eritrea en Turkije? Is Nederland geloofwaardig wanneer men kennelijk met twee maten meet? Dat de mensenrechten in Turkije en Eritrea met de voeten worden getreden is erg genoeg, maar dat ontslaat ‘ons’ toch niet van de plicht om het goede voorbeeld te geven?

Deze reacties, hoe sympathiek ook, geven zich onvoldoende rekenschap van de nieuwe situatie waarin de wereld zich bevindt en die met zich meebrengt dat ons oude wettelijke kader wellicht niet langer geheel adequate instrumenten biedt voor een specifieke, nieuwe uitdaging. Uiteraard is een wettelijk kader bindend tot een nieuw wettelijk kader is aangenomen, ik kom daar nog op terug aan het eind van deze bijdrage. Maar ik wil beginnen met een paar opmerkingen over die nieuwe uitdaging.

Onze tijd is er een van globalisering. Het is een cliché, maar toch: afstanden zijn kleiner geworden. Een rede van Wilders kan tot demonstraties leiden in Pakistan. Een cartoon in een Deense krant leidt tot onrust in Afrika. En ook in Nederland hebben we te maken met wat predikers uit Jordanië of Saoedi-Arabië denken en proclameren. Hun – voor ons – ‘gekke’ opvattingen kunnen vergaande consequenties hebben voor de veiligheid van niet alleen ‘religieuze minderheden’ in ons land, maar ook voor anderen.

En de grote trend die de drie hier besproken gevallen met elkaar verbindt, is dat het gaat om ondemocratische opvattingen die gehoor vragen, nee ‘opeisen’ (Erdogan!) in een democratisch land. Dat is de uitdaging waar Europese democratieën voor gesteld worden. De vraag is of men de dictator van Eritrea, de autoritaire leider van Turkije, en de ideologische wegbereiders van de theocratie (want dat zijn de zeven haatpredikers) een podium moet bieden om als democratie geloofwaardig te zijn en te blijven.

Vanuit een bepaald perspectief wel. Maar vanuit een ander eveneens democratisch perspectief beslist ook niet. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft Nederland het tot voorwerp van buitenlands beleid gemaakt dictaturen aan te spreken op het ‘mensenrechtenbeleid’. Zo zou men China moeten aanspreken op de doodstraf. Rusland op de houding tegenover homoseksualiteit. Vaak gebeurt dat volgens de betrokken bewindslieden van buitenlandse zaken in ‘stille diplomatie’. Dat wil zeggen dat onze minister van buitenlandse zaken bij een bezoek van of aan een buitenlandse collega uit een dictatuur (bijvoorbeeld Saoedi-Arabië) verklaart de ‘mensenrechtensituatie’ in dat land in een sfeer van ‘goed overleg’ aan de orde te hebben gesteld. Maar of dat werkelijk is gebeurd komt het grote publiek niet te weten en of het echt helpt weten we evenmin.

Ligt het niet veel meer voor de hand dat een democratie die echt werk wil maken van het beleid om democratie te ondersteunen en de mensenrechten serieus te nemen, dictaturen en democratieën niet gelijk behandelt? Dat wil zeggen dat men Erdogan en Afewerki niet dezelfde behandeling geeft als Angela Merkel of Theresa May.

Waarom? Om de eenvoudige reden dat het in het eerste geval gaat om dictaturen, of staten die hard op weg zijn in autocratieën te veranderen, oftewel: bestuursvormen die men in een democratie afwijst, en in het tweede geval om democratieën, waarvan men het bestaan juist wil bevorderen. Dan wordt de ‘stille diplomatie’ dus ‘luidruchtige diplomatie’. Dat democratie verkieslijk is boven dictatuur wordt zo door democratieën die het ernst is met de democratie ook daadwerkelijk uitgedragen. Men kan zelfs zeggen dat een democratie die haar eigen idealen serieus neemt dat zou moeten doen.

Deze strategie van versterkt democratisch zelfbewustzijn (vooruit, noem het maar de ‘assertieve democratie’) is ook nodig in een wereld waarin democratieën het zwaar hebben. Autocratische vormen van heerschappij maken een herleving door op een schaal die we enkele jaren geleden nog voor onmogelijk zouden hebben gehouden. Het is naïef te denken dat democratieën het gemakkelijk ‘winnen’ van autocratieën, dictaturen en theocratieën.

De Turkse en Eritrese dictator, maar in feite ook de pleitbezorgers van de theocratie in Eindhoven (‘gastsprekers’) komen hier om propaganda te maken voor ernstig verkeerde systemen. Het is niet de vraag of een democratie daartegen in het geweer mag komen, de vraag is of een dictatuur daartegen niet in het geweer moet komen.
De Amsterdamse hoogleraar G. van den Bergh (1890-1966) bepleitte in 1936 dat een democratie niet vanzelfsprekend ruimte hoeft te bieden aan antidemocratische partijen.1 Democratie is meer dan beslissing bij meerderheid, maar ook het vermogen tot zelfcorrectie.2 We hoeven dus niet te dulden dat niet-democratische partijen met een beroep op de democratie de democratie afschaffen. Rob van Gijzel, de burgemeester van Eindhoven, was dus goed wakker toen hij aan de alarmbel trok toen zeven ‘haatpredikers’ dreigden af te reizen naar Nederland. De Rechtbank Den Bosch heeft gemeend de Stichting Waqf in het gelijk te moeten stellen wat ook wel begrijpelijk is gezien ons verouderd wettelijk kader dat op deze zaken moet worden toegepast.3 Het punt is namelijk helemaal niet of deze mensen iets onaardigs, kwetsends, beledigends of discriminerends gaan zeggen over homoseksuelen, vrouwen, atheïsten of apostaten. Natuurlijk doen ze dat. Dat is hun ‘core business’. De centrale vraag is of zij komen om de Nederlandse democratie te ondermijnen en iedereen die ook maar iets weet van de wereldbeschouwing van deze mensen (‘islamisme’) weet dat dit het geval is.4 Deze ‘predikers’ hebben de diepe overtuiging dat een democratie een inferieur systeem is aan een theocratie. En de democratie moet dus omver worden gegooid. Het is gekunsteld om te denken dat je deze mensen eerst aan het woord moet laten op een conferentie om te beoordelen of ze dat inderdaad gaan zeggen. Dat gaan ze zeggen, omdat zij een track record hebben op dat gebied. Zij zouden overigens zelf net zo verbaasd zijn als Joseph Goebbels en zijn trawanten dat waren in 1928 toen een democratie hen gelijke rechten gaf om de democratie om zeep te komen brengen.5 Dat doen Egypte, Syrië, Saudi-Arabië, Soedan en Koeweit ook beslist niet met ‘gastsprekers’ uit Frankrijk of Nederland. En uit de uitspraken van de ‘gastsprekers’ die nu in Eindhoven zijn geweigerd kan men ook afleiden dat als hun politieke opvattingen worden gerealiseerd in een concreet staatsverband daar evenmin ruimte is voor oppositie. Het lezen van literatuur, zoals Boualem Sansal’s 2084: La fin du monde, 20176 of Houellebecq’s Soumission, 20157 is misschien wel de beste manier om dit inzicht te laten landen.

Dit alles is ook relevant voor de Turkse kwestie. Ideologisch gezien hoopte Europa dat de partij van Erdogan niet zou afglijden in de richting van het islamisme. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de Refah-zaak, 2003 ook nog geprobeerd om, geheel in de lijn van het gedachtegoed van Van den Berg, de toenmalige meer secularistische Turkse regering te steunen in haar strijd tegen het oprukkend islamisme. En uit die uitspraak zou ook de Rechtbank Den Bosch inspiratie kunnen hebben geput om te zoeken naar mogelijkheden om de Nederlandse democratie te beschermen tegen de krachten die deze willen ondermijnen.

Eritrea

De kwestie Eritrea heeft nog een eigen karakter. Eén van de centrale elementen van een democratie is de woordenstrijd. In een democratie wordt gestreden met woorden, met opvattingen. En er is (nu verval ik in herhaling), maar één opvatting die in een democratie geen aanspraak kan maken op een gelijke behandeling: de opvatting dat de democratie zou moeten worden afgeschaft. Maar verder geldt: de strijd der meningen.

Die strijd der meningen staat tegenover de strijd met daadwerkelijk geweld. Daarom zou men in een democratie ook zeer oplettend moeten zijn om elk begin van een erosie van de woordenstrijd die wordt vervangen door fysiek geweld te onderkennen. Toen op 2 november 2004 Theo van Gogh was omgelegd door een moordenaar die de ideologie is toegedaan die ook de zeven ‘haatpredikers’ graag in Eindhoven nog eens komen uitleggen was dat ook een drama voor de democratie. En het zou ons ook alert moeten maken dat in Eritrea dreiging met geweld tot het normale politieke patroon behoort, een praktijk die men zelfs meeneemt naar Nederland (als men de kans krijgt).

Het weigeren om de Turkse, Eritrese en islamistische ideologen dus een podium te verschaffen is niet iets waartoe een democratie alleen maar bedremmeld en schuldbewust kan overgaan; het verschaffen van toegang zou ons juist als democratie ongeloofwaardig maken. Als ons huidig wettelijk kader ons onvoldoende aanknopingspunten geeft voor een effectieve bescherming van de democratie in de aangegeven zin,dan zal de wetgeving moeten worden veranderd.Dit lijkt het geval. Het bestaande wettelijk kader is georiënteerd op de vraag of de ‘openbare orde’ in gevaar zou zijn. Tot welke onwenselijke situaties dat kan leiden hebben we in de besproken casus gezien. In de zaak Eritrea blies de burgemeester de bijeenkomst af ter bescherming van de openbare orde, maar daarvoor was eerst nodig dat demonstranten op de been kwamen om te protesteren tegen de komst van een vertegenwoordiger van een dictatoriaal regiem. Vervolgens krijgt de burgemeester door de presentatrice van Nieuwsuur de vraag voorgelegd of door het afblazen van de vergadering niet de demonstranten ‘hun zin krijgen’. Dit is de wereld op zijn kop. De verdedigers van democratie worden in de beklaagdenbank gezet.

Ook de preoccupatie met censuur (zo ferm afgewezen in de Nederlandse grondwet die daarvoor vaak wordt geprezen)10 dateert uit een andere tijd. Een tijd namelijk, waarin de dreiging voornamelijk kwam vanuit de nationale samenleving. In die tijd kon men degene die zich beroept op de vrijheid van godsdienst (de ‘haatpredikers’) of op de vrijheid van meningsuiting of op de vrijheid van vereniging en vergadering eerst zijn omstreden uitspraken laten doen en deze vervolgens voor het gerecht brengen. Maar we hebben nu te maken met vertegenwoordigers van on- en antidemocratische regiems en theocratieën die komen binnenvliegen en het land weer hebben verlaten tegen de tijd dat verantwoording voor de Nederlandse rechter moet worden afgelegd.11 Ook de artikelen 137c en d Sr., waarin aanzetten tot ‘haat’, aanzetten tot ‘belediging’, aanzetten tot ‘discriminatie’ en ‘belediging’ centraal staan leiden af van de werkelijk belangrijke vragen. We zijn toe aan een revisie van ons wettelijk kader ter bescherming van onze democratie. En uitgangspunt moet zijn: wie komt om de democratie te ondermijnen, kan niet van diezelfde democratie profiteren.



Dit artikel is verschen in NJB 2017/1458, afl. 27, p. 1890.  Prof. dr. P.B. Cliteur is visiting professor aan de University of California Hastings College of the Law en schrijver van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, 2016.

In NJB 2017/2184, afl. 41 verscheen een reactie op dit stuk geschreven door prof. mr. Jan Brouwer en prof. mr. Jon Schilder, 'Antidemocratische bewegingen niet bestrijden met censuur'. Cliteur schreef een naschrift. Deze stukken zijn hieronder opgenomen.




  1. B. Rijpkema (red.), Wat te doen met antidemocratische partijen? De oratie van George van den Bergh uit 1936, Ingeleid door B. Rijpkema, met een voorwoord van R. Cuperus en een nawoord van P. Cliteur, Amsterdam: Elsevier Boeken 2014.
  2. Zie daarover uitgebreid: B. Rijpkema, Weerbare democratie: de grenzen van democratische tolerantie, Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2015.
  3. Zie daarover ook G. Molier & B. Rijpkema, ‘Naar een afzonderlijke wettelijke bepaling inzake een partijverbod’, in: NJB 2017/555, afl. 10, p. 662-663.
  4. S. Admiraal, ‘Gedachten over islamitisch terrorisme, Islam en islamisme’, in: F. Bosch (red.), Waarom haten ze ons eigenlijk?, Groningen: De blauwe tijger, 2016; B. Tibi, Islamism and Islam, New Haven and London: Yale University Press 2012; T. Osman, Islamism: What it means for the Middle East and the World, New Haven and London: Yale University Press 2016.
  5. J. Goebbels, ‘Why do we want to join the Reichstag?’, translated by Randall Bytwerk, in: Der Angrif, 30 April 1928. Beschikbaar op: https://research.calvin.edu/german-propaganda-archive/angrif06.htm.
  6. B. Sansal, 2084: La fin du monde, Parijs: Folio 2017.
  7. M. Houellebecq, Soumission, Parijs: Flammarion 2015.
  8. Voor de mogelijkheden die er zijn verwijs ik naar: W. Voermans, ‘Bedreigend, als het regime waarvoor je bent gevlucht zich hier manifesteert. Wat kan Nederland doen?’, De Volkskrant 14 april 2017; G. Boogaard, ‘De vrijheid van meningsuiting van Turkse ministers’, in: Publiekrecht & Politiek 14 maart 2017.
  9. Zoals Molier & Rijpkema voorstellen ten aanzien van art. 2:20 BW, waaraan een afzonderlijk lid 4 zou moeten worden toegevoegd dat specifiek betrekking heeft op politieke partijen die een gevaar vormen voor de democratische rechtsstaat. Zie: Ibid., p. 663.
  10. Bijv. door J.G. Brouwer en B. Roorda, ‘Openbare orde geen argument om Turkse minister het spreken te beletten’, op website Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid 10 maart 2017; ook in J.G. Brouwer en A.E. Schilder, annotatie bij Rb. Oost-Brabant, 23 december 2015, 15/6861, AB 2016/190, p. 1124-1125.
  11. Waarbij ik nog aanteken dat de theocraten een grotere mate van ideologische afstand hebben tot het ideaal van democratie dan dictators à la Erdogan en Afewerki.

Naam auteur: Paul Cliteur
Geschreven op: 30 november 2017

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Reinier Bakels schreef op :
Cliteur begint nog enigszins voorzichtig, maar gaandeweg komt de aap steeds verder uit de mouw: zijn centrale stelling is dat de radicale islam veel erger is dan de meeste mensen denken (waaronder Brouwer en Schilder), en met name een groot gevaar vormt voor onze democratie.
Ik zal Cliteur hierin niet tegenspreken, want dan zal ook ik ongetwijfeld voor naïeveling worden aangezien. Wel denk ik dat zijn doodsbange betoog enige aanvulling verdient.
Censuur is natuurlijk geen oplossing, tenzij het Nederlandse deel van het internet wordt afgegrendeld met de methoden die daarvoor in landen als China en Iran worden toegepast, met wisselend succes. Terzijde wijs ik erop dat ons land ook heel stiekem via “sociale media” wordt ondermijnd, door de Russen en wie weet ook de Amerikanen. Een haatprediker gaat tenminste openlijk te werk.
Het gebruikelijke middel om een democratie te beschermen is een sterke grondwet, die wordt gehandhaafd door de rechter, in ofwel een speciale rechtbank (Bundesverfassungsgericht), ofwel een algemeen oppergerecht (U.S. Supreme Court). Dat betekent dat niet alleen het toetsingsverbod van art. 120 Gw moet vervallen, maar dat de hele grondwet op de schop moet, want Thorbecke schreef die in 1848 om het probleem van die tijd op te lossen, namelijk de macht van de koning beperken ten gunste van het parlement. Maar hij schoot door en voorzag niet in controle van het parlement door de rechter. In essentie zitten we nog steeds met diezelfde grondwet.
Het staat mij bij dat Cliteur een verklaard tegenstander is van rechterlijke controle van politici, en de gedachte aanhangt van “het primaat van de politiek”, dat in VVD-kringen veel aanhang heeft. Ik herinner me een giftige column van Patrick van Schie, directeur van de aan de VVD gerelateerde Teldersstichting, die de rechters van het EHRM uitschold voor “politici in toga”. De opvatting dat de politiek het primaat zou moeten hebben is echter lijnrecht in strijd met de klassieke rechtsstaat, met gescheiden machten. Ik zou bijna zeggen: als we beginnen met spreekverboden moet Cliteur zelf misschien wel het zwijgen worden opgelegd, want hij is regelrecht een gevaar voor de rechtsstaat, zeker als VVD-politici hem kritiekloos napraten.
Het bezwaar dat rechters zonder democratische legitimering politieke beslissingen kunnen nemen wordt ondervangen door rechters alleen zeggenschap te geven over rechtmatigheid – zoals overigens al sinds jaar en dag geldt voor de bestuursrechter. Als het Bundesverfassungsgericht vaststelt dat een wet in strijd is met het Grundgesetz krijgt “de politiek” de opdracht om met een betere wet te komen (binnen een gestelde termijn). Dat is het leerstuk van het Parlamentsvorbehalt.
Toen Donner ooit heel academisch riep dat in Nederland de Sharia zou kunnen worden ingevoerd zodra een meerderheid dat wil was het huis te klein, maar in feite legde hij de vinger op de zere plek van een gebrek van ons systeem, het ontbreken van gestructureerde rechterlijke controle op politieke beslissingen.
Cliteur heeft het over de “theocratie”. Dat is inderdaad geen verschijnsel om blij van te worden – maar het is onjuist een volstrekte tegenstelling tussen theocratie en democratie te zien: het theocratische kader legt alleen beperkingen op aan democratische beslissingen. Zoals constituties politici ook beperkingen kunnen opleggen, als ze bijv. de Sharia willen invoeren, of de doodstraf.
Ten slotte wil ik er op wijzen dat het zwart maken van die “enge” moslims ook terrorisme in de hand kan werken, door een escalatie van wederzijdse haat. Dan kan zo’n waarschuwing als die van Cliteur averechts werken. Natuurlijk wil ik hier niet de wandaden van IS (Daesch) goedpraten, of de Iraanse wetten die de rechten van vrouwen beperken. Maar onder de 1,7 miljard moslims op de wereld zijn natuurlijk een heleboel gematigde lieden (al beweert Wilders bij hoog en laag dat een gematigde islam niet bestaat). Begrip hoef je niet per se te hebben, maar het heeft wel zin om te proberen moslims te begrijpen, en niet te blijven hangen in de gedachte dat de westerse cultuur “uiteraard veruit superieur” is. Maar Cliteur staat er om bekend dat hij “cultuurrelativisme” verwerpt. Nu zal ik hier de “cultuur” van Daesch niet ophemelen, maar een waarschuwing tegen de “koloniale” mentaliteit dat wij witte mensen onszelf als vanzelf superieur vinden is toch zeker op zijn plaats. Misschien moeten we oppassen voor fanatieke gelovigen (onder moslims, maar ook christenen), maar we moeten ons ook realiseren dat bijv. in het Verre Oosten hoogstaande culturen bloeiden in tijden dat hier de Batavieren nog hun vrouwen verdobbelden.
Voor één haatprediker moeten we onze grenzen misschien wel sluiten: voor Cliteur als hij terugkomt uit de VS. De argumentatie “wie het gevaar niet ziet is naïef” diskwalificeert mensen die genuanceerd willen denken, en kan een self-fulfilling prophecy worden.
Daniel van der Engh schreef op :
Wat je natuurlijk ook kunt doen, is die haatpreken van die imams live en ondertiteld uitzenden op TV. Primetime. Op diverse kanalen tegelijkertijd. En dan een beetje nabespreken enzo. Exposen dus. Dan wordt alles meteen een beetje duidelijk voor iedereen.
Paul Cliteur schreef op :

Naschrift: The Times They Are A-Changin’

Heel langzaam lijkt er iets te gaan veranderen in Den Haag ten aanzien van de houding tegenover democratie-ondermijnende ideologieën. De belangrijkste ideologie waar we tegenwoordig mee te maken hebben volgens AIVD en NCTV, is het Salafisme, jihadisme, de radicale Islam, het islamisme (er zijn talloze benamingen in omloop). De invloed van deze stroming manifesteert zich bij de Syrië-gangers, maar ook in de preken van zogenaamde haat-predikers in moskeeën, zoals sjeik Fawaz met zijn Haagse boekwinkeltje en zijn vervloekingen van Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh.

De Nederlandse rechtsorde is hier nog niet op ingesteld; niet wat wetgeving betreft, maar ook niet qua mentaliteit. De reactie van Jan Brouwer & Jon Schilder op mijn artikel maakt dat pijnlijk duidelijk. Dat de Nederlandse juristen totaal geen idee hebben van wat dat salafisme en jihadisme inhoudt blijkt uit de veelvuldig gemaakte vergelijkingen met orthodox christelijke stromingen. Zie wat Brouwer & Schilder opmerken over gemeenten met een ‘streng christelijk-gereformeerd karakter, te weten Rijssen en Kampen’. Wat zij zouden moeten doen, is heel goed kijken naar Raqqa in plaats van Rijssen.

Gelukkig heeft de nieuwe burgemeester van Den Haag, Krikke, gebroken met de desastreuze appeasement-politiek van haar voorganger Van Aartsen (die salafisten inschakelde als hulpje voor de politie).1 ­Gelukkig heeft het nieuwe kabinet aangegeven antidemocratische organisaties harder te gaan aanpakken. Hiervoor komt er een expliciet verbod in de wet op radicale groeperingen die de democratische rechtsstaat omver willen werpen (een aanvulling op artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek, waarin slechts gewerkt wordt met het vagere begrip ‘openbare orde’). Gelukkig begint een besef te dagen dat de artikelen 137c en d Sr. niet alleen als politiek instrument kunnen worden ingezet om zogenoemde ‘populistische partijen’ de mond te snoeren, maar ook ter bescherming van de democratie tegenover het oprukkend theocratisch gedachtegoed. Drei berichtigende Worte des Gesetzgebers und ganze Bibliotheken werden zu Makulatur, zei Von Kirchmann. De ‘genuanceerde oplossingen’ die Roel de Lange voor deze problematiek heeft bedacht (noot 4 van Brouwer & Schilder (noot 3 in de versie die hieronder staat, red.)) en die Brouwer & Schilder met mijn kennelijk ongenuanceerde benadering contrasteren zullen dus, als het meezit, binnenkort verlaten zijn en dan zullen de staatsrechtsgeleerden het nieuwe recht moeten gaan onderwijzen. Het zal even slikken zijn, maar daar wennen ze wel aan.

 

Dit Naschrift is  gepubliceerd in NJB 2017/2185, afl. 41. 

 

  1. A. Nanninga, ‘Van Aartsen (VVD) en zijn Haagse salafistische ordetroepen  Welkom in de stad van het Recht en de Vrede’, ThePostonline 28 december 2015.
Jan Brouwer & Jon Schilder schreef op :

Reactie: Antidemocratische bewegingen niet bestrijden met censuur

Recentelijk legde de Minister van Veiligheid & Justitie de omstreden prediker Imam Fawaz Jneid op basis van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding een gebiedsverbod op voor delen in Den Haag waarbinnen ook ‘diens’ als moskee dienstdoende boekhandel is gelegen. Volgens de burgemeester van Den Haag die sterk op de maatregel aandrong, verkondigt Fawaz een ‘intolerante’ boodschap in een kwetsbare wijk die ontvankelijk is voor radicalisering.1

Op de keeper beschouwd komt dit gebiedsverbod neer op censuur: Fawaz’ godsdienst- en meningsvrijheid worden immers vooraf op grond van de inhoud beperkt, een maatregel waarvoor de genoemde antiterrorismewet geen basis verschaft – en overigens ook niet kan verschaffen, gelet op het delegatieverbod in artikel 7 Grondwet.

Cliteur zal de maatregel wellicht toejuichen. Hij bepleitte immers in dit blad  (NJB 2017/1458, zie hierboven, red.) een revisie van ons wettelijk kader met als doel om antidemocratische bewegingen en opvattingen beter te kunnen bestrijden. Volgens hem zijn we ons te weinig bewust van ‘de nieuwe situatie’ waarin de wereld zich bevindt en waarin ons oude wettelijke kader ‘wellicht niet langer geheel adequate instrumenten biedt voor een specifieke, nieuwe uitdaging’.

Uitgangspunt van deze revisie zou moeten zijn dat wie hier te lande komt om de democratie te ondermijnen, niet van diezelfde democratie kan profiteren als de ‘Nederlanders’, waarmee hij hopelijk ingezetenen bedoeld. Cliteur meent dat de ‘preoccupatie’ met censuur niet meer van deze tijd is.

Het per definitie repressieve strafrecht zou niet langer een effectief instrumentarium zijn om de aanvallen op de democratie af te weren. De vertegenwoordigers van on- en antidemocratische regiems en theocratieën die hier komen spreken, hebben het land al weer verlaten tegen de tijd dat ze verantwoording voor de Nederlandse rechter moet afleggen.

Cliteur suggereert hiermee dat de rol van het strafrecht in het verleden belangrijk is geweest om onze staatsvorm veilig te stellen. Van de strafbepalingen die antidemocratisch gedrag ontmoedigen – zoals het verbod om betogingen en vergaderingen te verstoren, enkele kiesrechtdelicten, het uniformverbod en de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers – is de betekenis echter altijd zeer bescheiden geweest.

Gaat het om delicten als het oproepen of aanzetten tot geweld, haat of discriminatie dan zal een verstekveroordeling van een haatprediker die ons land reeds heeft verlaten wel degelijk consequenties hebben voor een volgend bezoek aan ons land. In die zin heeft de strafdreiging dus wel zin.

Als we Cliteur mogen geloven staat de democratie als staatsvorm in de huidige tijd ernstig onder druk. Hierin staat hij zeker niet alleen. Niet voor niets lezen we in het meest recente Regeerakkoord onder het kopje ‘Berechting, straffen en maatregelen’ dat de regering voornemens is om artikel 2:20 BW aan te passen om de democratische rechtsstaat te beschermen tegen radicale antidemocratische krachten.2 Cliteurs zoektocht naar een weerbare democratie eindigt echter in een tamelijk radicale propositie. Hij wenst de mogelijkheid van censuur her in te voeren.3

Is daar echt aanleiding toe? Uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau van 2015 blijkt dat ruim driekwart van de Nederlanders tevreden is over de werking van de democratie. Ook vindt een overgrote meerderheid van de mensen de democratie nog altijd de beste manier om een land te besturen. De procentuele waarden liggen slechts verwaarloosbaar lager dan in 2012 toen 95% van de Nederlanders het belangrijk vond in een land te wonen dat democratisch wordt bestuurd.

Uit deze cijfers blijkt bepaald niet dat het democratische gedachtengoed in ons land onder druk staat. Er is daarom geen reden om vrijheid van meningsuiting te beknotten met als doel de democratie overeind te houden. Juist het beperken van uitingen op grond van inhoud maakt een einde aan de noodzakelijke ‘free trade of ideas’ in een democratie.

Hoewel we ons geen democratie zonder censuurverbod kunnen voorstellen, proberen we toch even mee te denken met Cliteur. Na de noodzakelijke grondwetswijziging, zal een formeel-wettelijke regeling in het leven geroepen moeten worden. Die is nodig om een autoriteit – welke? – de bevoegdheid te geven om op grond van nader omschreven criteria sprekers vooraf het zwijgen op te leggen.

Als we Cliteur goed begrijpen, moet het gaan om ‘intolerante’ of ‘ondemocratische‘ uitingen. Als de rechtspraak over uitingsdelicten één ding duidelijk maakt, is het wel dat een eenvoudig subsumptiemodel van feiten en regels zich niet leent om te bepalen of hiervan sprake is.
De criteria kunnen niet anders dan vaag zijn zodat rechtszekerheid bij de toepassing ervan slechts utopie is. De recente interpretatie door minister Blok van het begrip ‘bedreiging van de nationale veiligheid’ in de eerdere genoemde Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding vormt een perfecte illustratie.

Om die reden zal voor menig verkondiger van het Woord – binnen welke geloofsgemeenschap dan ook – een dergelijke bevoegdheid verlammend kunnen werken. Zij zullen zich de vraag moeten stellen of teksten in de Bijbel of de Koran zich nog wel lenen voor de gebruikelijke schriftlezing. Maar niet alleen imams, rabbijnen en andere voorgangers komen voor dit dilemma te staan. Hetzelfde geldt voor politici en hoogleraren die een intolerante boodschap uitdragen.
Het is ongetwijfeld waar dat de ideologie van Fawaz op veel punten botst met westerse waarden en normen. Ze is bestempeld als antidemocratisch, anti-integratief en dubbelzinnig op het gebied van de militaire jihad in Syrië en Irak.4 Onze eigen nationale geschiedenis leert echter dat het onderdrukken van meningen weinig kansrijk is om de verspreiding van een gewraakte ideologie te voorkomen. Dankt Nederland immers niet zijn bestaan aan een het vrije geloof onderdrukkend regiem? Het is alles behalve denkbeeldig dat maatregelen die ten doel hebben imams de mond te snoeren een averechts resultaat sorteren, zoals desintegratie en toenemende radicalisering, met alle destructieve gevolgen van dien.

Zorgwekkend is het daarom dat Nederlandse gezagsdragers ook zonder de door Cliteur bepleite afschaffing van het censuurverbod de inhoud van de (te verwachten) uitingen leidend laat zijn voor beperkende maatregelen. Ronduit verontrustend is dat menigeen deze praktijk toejuicht. Cliteur wijst zelf instemmend op het spreekverbod van de burgemeester van Eindhoven voor zeven haatimams eind 2015. Een maatregel die logischerwijs bij de rechtbank sneuvelde.
Het vergaderverbod voor de jongerenafdeling van het regime in Eritrea van de burgemeester van Veldhoven behoort straks in de rechtszaal een zelfde lot beschoren te zijn. Ook hier ontbraken de wettelijke gronden voor preventief ingrijpen. De Wet openbare manifestaties die het grondwettelijke censuurverbod nadrukkelijk bevestigt, laat daarover geen spoor van twijfel bestaan. Voor de gewelddadige betogers in Veldhoven daarentegen laat deze wet – anders dan Cliteur veronderstelt – geen enkele ruimte.

Al weer lang geleden leefden de auteurs van deze reactie in gemeenten met een streng christelijk-gereformeerd karakter, te weten Rijssen en Kampen. Over Rijssen schrijft Belcampo in ‘Het grote gebeuren’ dat alles er vijftig jaar later plaatsvindt dan elders in de wereld. Maar in één opzicht was Rijssen modern en zijn tijd ver vooruit, althans in Cliteurs perspectief.
Wie in het plaatselijke cultuurcentrum wilde optreden, diende vooraf de zegen te krijgen van het college van B&W. Artiesten die geen of onvoldoende recht deden aan de ter plaatse geldende christelijke normen en waarden, werd een podium geweigerd. Hypnotiseur Rasta Rostelli moest tot in hoogste instantie procederen om zijn recht te halen. De Hoge Raad overwoog dat de Grondwet iedere preventieve beperking door de overheid van de meningsuiting gegrond op de inhoud ervan verbiedt.5

De uitspraak heeft wat ons betreft nog niets aan actualiteit ingeboet. Manuscripten branden niet, schreef de Russische auteur Boelgakov. En ideeën ban je niet uit met repressie, zeggen wij.
Onze bezwaren zijn echter veelsoortiger. Om Velaers te citeren: ‘Censuur staat voor beknotting van de vrijheid, bekrompenheid, enggeestigheid, geborneerdheid, gebrek aan openheid, onverdraagzaamheid, controle-zucht ...’6

Deze reactie is gepubliceerd in NJB 2017/2184, afl. 41. 

 

  1. www.ad.nl/den-haag/imam-fawaz-krijgt-gebiedsverbod-vanwege-haatpreken~ad986312/.
  2. Art. 2:20 BW bevat de bevoegdheid voor het OM de civiele rechter te verzoeken een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden indien die werkzaamheden verricht in strijd met de openbare orde.
  3. Zie voor genuanceerdere oplossingen: R. de Lange, N. Efthymiou & F. van Tienen, Risico’s voor de democratie. Een juridische verkenning van het gevaar-criterium in het democratisch verdedigingsrepertoire in vijf landen: Duitsland, Frankrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, Rotterdam 2016.
  4. M. Zeegers, de Volkskrant 23 augustus 2017.
  5. HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2051.
  6. J. Velaers, Censures, Censuur, Actes du collogue du 16 mai 2003, Brussel: De Bock & Larcier 2003, p. 13.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.