‘Evidence based wetgeving’ tussen droom en daad

In een week waarin de aandacht vooral uitging naar de Algemene Politieke Beschouwingen in de Tweede Kamer was er voor de Senaat ‘gewoon’ werk aan de winkel. Op de agenda stond het initiatief-wetsvoorstel van het CDA-kamerlid Çörüz (Kamerstukken 30 519), inmiddels verdedigd door partijgenoot Oskam. Het beoogt een oplossing te bieden voor een kennelijk groeiend probleem: jongeren die zich schuldig maken aan vandalisme, diefstal en geweldpleging blijken niet in staat de aldus ontstane schade te vergoeden.

Van een kikker is het nu eenmaal slecht veren plukken. Als het niet de benadeelden zijn die met hun schade blijven zitten, dan zijn het wel hun schadeverzekeraars of de overheid. De initiatiefnemers dromen van een betere wereld en zetten hun geld op aanpassing van het aansprakelijkheidsrecht.

Op dit moment geldt nog een genuanceerd stelsel. Tot 14 jaar zijn de jongeren zelf niet aansprakelijk voor hun onrechtmatig gedrag (art. 6:164 BW), in hun plaats zijn hun ouders risicoaansprakelijk ex art. 6:169 lid 1. Vanaf 14 zijn de jongeren zelf aansprakelijk. Bovendien zijn hun ouders, voor zover het om 14- en 15-jarigen gaat, ook, naast hen dus, aansprakelijk, zij het dat de ouders aan aansprakelijkheid ontkomen wanneer hen uiteindelijk geen verwijt te maken valt. Aan dit ‘getrapte’ systeem ligt ten grondslag dat jongeren naarmate ze ouder worden meer verantwoordelijkheid (en meer aansprakelijkheid) aankunnen, terwijl voor hun ouders juist geldt dat zij, bij het klimmen van de leeftijd van hun kinderen en het toenemen van hun zelfstandigheid, steeds minder grip op de zaak hebben. Daar sluit het regime van de ouderlijke aansprakelijkheid bij aan: van risicoaansprakelijkheid ‘daalt’ het recht, via een (vermoeden van) schuldaansprakelijkheid, af naar niet-aansprakelijkheid.

De initiatiefnemers zien een ander stelsel voor zich en hebben in de Tweede Kamer de handen op elkaar gekregen voor de volgende tekst van art. 6:169 lid 2:

Voor schade aan een derde toegebracht door een fout van een minderjarige die de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarige uitoefent aansprakelijk. In de onderlinge verhouding met de minderjarige behoeft degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent niet in de schadevergoeding bij te dragen.

De eerste zin breidt de risicoaansprakelijkheid van de ouders drastisch uit: in het voorstel worden de ouders aansprakelijk voor onrechtmatige daden van hun kinderen tot 18 jaar.1 Hoewel ouders dit wellicht anders zullen beleven, baseren de indieners deze aansprakelijkheid nadrukkelijk niet op de gedachte dat ouders hebben gefaald (zij het dat dit niet voor iedereen wordt uitgesloten), maar op hun uit Boek 1 voortvloeiende verantwoordelijkheid. Wat de initiatiefnemers willen is duidelijk: behalve betere verhaalsmogelijkheden voor getroffenen, zij krijgen er gewoon een – in de regel meer solvente – debiteur bij, is dat prikkelwerking. Ouders zullen in het nieuwe regime geprikkeld worden om (meer) werk te maken van hun verantwoordelijkheden. Zo wordt ook het hogere doel van preventie gediend.

Behalve de Tweede Kamer blijkt ook staatssecretaris Teeven enthousiast: hij noemt het voorstel in de Senaat een mooie aanvulling op het nieuwe strafrecht voor adolescenten dat immers ook preventie beoogt. Langs deze weg worden nu ook hun ouders bereikt.

De toelichtende stukken en het debat in de kamers geven blijk van vooronderstellingen onder meer omtrent de omvang van de problematiek – de indruk wordt gewekt dat sprake is van een groot maatschappelijk probleem – en vooral van verwachtingen omtrent de werking van het aansprakelijkheidsrecht. Men ziet belangrijke (gedrags)effecten voor zich: ouders gaan meer werk maken van hun verantwoordelijkheid, zodat jongeren beter opgevoed, meer gecorrigeerd en beter onder controle zullen worden gehouden.

Naar moderne, onder meer in het zojuist verschenen Handboek empirie en privaatrecht2 terug te vinden, inzichten zijn beleid en regelgeving niet op meningen maar op (hard) bewijs gestoeld; zijn zij niet opinion based maar evidence based. Hoewel dit ideaal wat hoog gegrepen lijkt, is vanuit dit perspectief toch opvallend dat basale vragen van senatoren over de omvang van de door jongeren veroorzaakte schade, wie er nu precies met de schade blijft zitten (zijn dat burgers, of juist openbaar vervoersondernemingen dan wel de overheid?) en het aantal gevallen waarin ouders van 14- en 15-jarigen op dit moment aan aansprakelijkheid ontsnappen omdat zij met succes het verweer voeren dat hen niets te verwijten valt, eigenlijk onbeantwoord blijven. En dat met een al dan niet terecht beroep op een gebrek aan gegevens. Opmerkelijk is bovendien hoe luchtig in de Senaat over de verzekerbaarheid van het nieuwe regime wordt gesproken, terwijl dit zijn Achilleshiel is: zonder de vertrouwde aansprakelijkheidsverzekeringsdekking kunnen ouders toch moeilijk risicoaansprakelijk gemaakt worden voor jongeren die de leeftijd van 18 jaar naderen? Er moet serieus rekening worden gehouden met het scenario dat verzekeraars deze uitbreiding van aansprakelijkheid niet verzekeren.3 En dan hebben we het nog niet over de beoogde gedragseffecten. Een rode draad in genoemd Handboek is dat voor de in het algemeen veronderstelde preventieve werking van het aansprakelijkheidsrecht (nog) geen bewijs is. Hier gaat het dan ook nog om een bijzondere situatie: het gaat om jongeren die op weg zijn naar volwassenheid, in een leeftijdsgroep (nl. 15-25 jaar) zitten die volgens recente neurologische inzichten toch al vatbaar(der) is voor risicovol (en crimineel) gedrag en die ook nog eens (extra) gevoelig zijn voor peer pressure.4 En dan dromen wij over stevig ouderlijk gezag… Gelukkig is de Eerste Kamer toch zo kritisch dat de behandeling nu is aangehouden. Wat mij betreft toont zij nog meer daadkracht om te voorkomen dat dit voorstel, dat een stevige basis mist, de eindstreep haalt.


Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/2060, afl. 34, p. 2305.


Bron afbeelding: Mutasim Billah

  1. De tweede zin leert dat kinderen van 14 tot 18 jaar uiteindelijk draagplichtig zouden moeten zijn, niet hun ouders. 
  2. Onder redactie van Van Boom, Giesen en Verheij, BJu, Den Haag 2013.
  3. Zie Frenk, ‘Utopische wetgeving en verzekerbaarheid’, AV&S 2006/17.
  4. Hiemstra en Verheij in Handboek empirie en privaatrecht, p. 565 e.v.
Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 1 oktober 2013

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Henk schreef op :
Vooral de opzettelijke daden zijn ‘prachtig’. Geen opzet van de ouders dus op die uitsluiting in de avp kan geen beroep worden gedaan. Dat betekent dat verzekeraars de schade aan slachtoffers van groepsverkrachtingen kunnen gaan regelen ( http://vorige.nrc.nl/binnenland/article1606138.e … en van -bijvoorbeeld- een doodgeschopte grensrechter…

Zou nu werkelijk gedacht worden dat ouders als ze weten dat ze de schade moeten betalen (die in de huidig polissen op de avp kan worden afgewenteld…) beter gaan opvoeden? Dus als ik moet betalen vind ik de groepsverkrachting waaraan mijn zoon meedoet erger en voed ik hem beter op…?

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.