Een vak apart

Het is toch een apart vak. Komt een man thuis na zijn werk. Hij opent de deur, struikelt over de deurmat en loopt knieletsel op. Is zijn werkgever nu aansprakelijk? Wanneer de zaak zo wordt opgediend, zal degene die ermee wordt geconfronteerd zijn verbazing moeilijk kunnen onderdrukken. De werkgever aansprakelijk!? 

In mijn vak Aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht komt ook ‘causaliteit’ aan bod. Vlak voor de bewuste bijeenkomst verscheen een arrest over werkgeversaansprakelijkheid waarin causaliteitsvragen centraal staan. Altijd leuk om studenten die toch al een lijst fraaie arresten mogen bestuderen vlak voor het weekend via Blackboard mee te delen dat zojuist een prachtige zaak op rechtspraak.nl is opgedoken... 

Centraal staat een heftruckchauffeur die op 10/5/2006 wordt aangereden door een collega. Hij breekt een aantal tenen van zijn rechtervoet. Aansprakelijkheid ex art. 7:658 wordt erkend. Nadat het slachtoffer enige tijd aangepast werk heeft gedaan, gaat hij in overleg met de arboarts (‘kijk maar hoe het gaat’) op 28/6/2006 voor het eerst weer eens ‘op de heftruck werken’. Op die dag thuisgekomen struikelt hij over de deurmat. Is zijn werkgever nu aansprakelijk voor het ontstane knieletsel?

Nu lijkt bevestigende beantwoording minder gek. De werkgever is immers aansprakelijk voor het eerste ongeval en wanneer het tweede daarmee verband houdt zouden de gevolgen daarvan wel degelijk ten laste van hem gebracht kunnen worden.

Bij causaliteit is de eerste vraag of er c.s.q.n.-verband bestaat tussen knieletsel en primair ongeval. Bij ontkennende beantwoording zijn we uitgepraat, bij bevestigende komt het ‘toerekeningsverband’ van art 6:98 in beeld: worden deze gevolgen, die dus in c.s.q.n.-verband staan tot het primaire ongeval, ook in redelijkheid aan de werkgever toegerekend? Of toerekening aan de orde is, vergt een weging van factoren als aard van de aansprakelijkheid en van de schade, zoals art. 6:98 zelf al aangeeft, en verder o.m. nog van de voorzienbaarheid en de mate van schuld. Studenten, en niet alleen zij, worden hier onrustig: dit geeft toch geen houvast? Meestal noemen zij, omdat hand- en studieboeken daarnaar nog altijd indringend verwijzen, de ‘deelregels’ van Brunner. Deze heeft in 1981 in Verkeersrecht op basis van de rechtspraak tot dan toe een 6-tal regels geformuleerd van de volgende twee typen: (1) ‘naarmate het gevolg naar ervaringsregels waarschijnlijker is, is toerekening eerder gerechtvaardigd’ en (2) ‘naarmate de schuld aan het schadeveroorzakend gebeuren groter is, is een ruimere toerekening gerechtvaardigd’. ‘Eerder’ en ‘ruimer’ zijn trefwoorden, niet alleen bij Brunner maar ook bij studenten: eerdere of snellere toerekening, ruime of minder ruime. Maar hoe werkt dat nu?

In onze zaak neemt het hof c.s.q.n.-verband aan tussen eerste en tweede ongeval omdat aannemelijk is dat de heftruckchauffeur juist op die dag door zijn werk weer meer last had van zijn voet en daardoor bij het lopen werd gehinderd. Van toerekening ex art. 6:98 wil het hof echter niet weten. Hoewel het zich realiseert dat het om letsel én om schuldaansprakelijkheid gaat, acht het het knieletsel geen redelijkerwijs te verwachten gevolg van het arbeidsongeval en spreekt het zelfs van een zeer verwijderd verband tot dat ongeval. In cassatie zijn twee giftige pijlen afgevuurd: het oordeel past slecht in de ruime toerekening bij schending van verkeers- en veiligheidsnormen en bij letselschade en is overigens ook onbegrijpelijk. Dat goed te volgen is dat een in zijn lopen gehinderde persoon valt bij een oneffenheid is toch niet te rijmen met een zeer ver verwijderd verband tussen arbeidsongeval en valpartij?

Waar A-G Spier de zaak inderdaad in het teken zet van ruime toerekening bij schending van verkeers- en veiligheidsnormen – art. 7:658 ziet op veiligheid – brandt de Raad zich daar niet aan, herhaalt hij nog eens dat het bij art. 6:98 om alle omstandigheden van het geval gaat, doch casseert hij ’s hofs beslissing omdat zij onbegrijpelijk is (NJ 2014, 429).

Mijn studenten waren teleurgesteld.  ‘Aardige casus maar geen mooi arrest’ nu de Hoge Raad geen houvast biedt, niet eens meer dan ‘die regels van Brunner’. Waarom zegt hij niets over ruime toerekening en wanneer zij aangewezen is? Mijn voorspelling dat de verwijzingsrechter, uitgaande van c.s.q.n.-verband, weinig anders kan dan toerekeningsverband aannemen, verraste hen. Ik presenteerde een eenvoudig beslisschema dat afgeleid kan worden uit de rechtspraak zoals die zich zeker ook na 1981 heeft ontwikkeld:
- is het gevolg normaal, typisch, in de lijn der verwachtingen liggend? Zo ja, dan vindt toerekening plaats;
- is het gevolg abnormaal of buiten de lijn der verwachtingen liggend (denk aan gevolgen van geestelijke of lichamelijke kwetsbaarheid, medische fout bij behandeling van het primaire letsel, tweede ongeval) dan vraagt toerekening om een nadere rechtvaardiging;
- deze kan gevonden worden in de aard van de aansprakelijkheid (schending van verkeers- of veiligheidsnorm, risicoaansprakelijkheid met ruime beschermende strekking), de aard van de schade (letselschade bijvoorbeeld), een hoge mate van schuld of een combinatie van dergelijke factoren.

Het knieletsel is zeker een opmerkelijk ongevalsgevolg maar nu het schending van een veiligheidsnorm betreft en (dus) letselschade, is toerekening aangewezen.

Het beslisschema beviel de studenten goed, maar ‘waarom zegt de Hoge Raad dat dan niet gewoon?’ en ‘waarom staat dit niet in uw eigen studieboek?’ Waarom wordt daar, overigens net als in andere boeken, nog altijd verwezen naar een rechtspraakanalyse uit 1981 waaraan hooguit latere rechtspraak als illustratie of voetnoot is toegevoegd? Waarom hebben Hoge Raad en doctrine de betekenis van de rechtspraak niet opnieuw doordacht en op een rijtje gezet?

Verklaringen die voor mij voor de hand liggen – ik weet inmiddels hoe het werkt – heb ik ingeslikt. De teleurstelling van mijn studenten over rechtspraak en literatuur stemt tot nadenken. Zo gek zijn hun verwachtingen en die van andere gebruikers van het recht natuurlijk niet. Daaraan beantwoorden is kennelijk een vak apart.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2014/2108, afl. 41, p. 2917

Ton Hartlief

Naam auteur: Ton Hartlief
Geschreven op: 24 november 2014

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.