Een optelsom van ons recht

Voor 1200 werknemers van Philip Morris in Bergen op Zoom was 28 augustus daar de laatste werkdag. Inmiddels onderhandelt de gemeente over nieuwe vestigingen op het bedrijfsterrein. Grote kans dat deze nieuwe bedrijvigheid een ander karakter kent dan die van sigarettenproductie. Met technologische ontwikkelingen, veranderende consumentvoorkeuren en internationalisering wordt het namelijk noodzakelijk, maar ook eenvoudiger om productieketens in verschillende taken op te knippen.

Deze taken worden dan niet langer op één locatie, maar mondiaal verspreid uitgevoerd. Waar dat precies is, hangt af van overwegingen als relatieve loonkosten, lokale kwaliteitsstandaarden, fiscale ruimte, nabijheid van afzetmarkten en mogelijkheden om bedrijfsprocessen via ICT op afstand te sturen. Het bekendste voorbeeld van deze met de term global value chain aangeduide ontwikkeling is de productie van de Boeing 787 Dreamliner. Ongeveer 70% van dit vliegtuig wordt gefabriceerd door meer dan 40 bedrijven op ruim 130 productielocaties.

Voor Nederland biedt de ontwikkeling kansen op werkgelegenheid en economisch herstel. Maar anders dan voorheen betekent het dat de aandacht niet primair gericht moet zijn op het hierheen halen of voor ons land behouden van een allesomvattend productieproces van één bedrijf. Kansen liggen er nu in het meepikken van een graantje uit de global value chain van ettelijke bedrijven. Het is in dit verband dat de term reshoring opduikt. Waar in het verleden veelal sprake was van offshoring (verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar elders), gaat het bij reshoring om terughalen van werk uit het buitenland dan wel niet meer uitbesteden of in Nederland opstarten van activiteiten. Volgens het kabinet wordt reshoring in ons land nog onvoldoende benut. Minister Asscher presenteerde daarom in het kader van de nieuwe begrotingsplannen een kabinetsvisie (brief van 19 augustus 2014) met diverse maatregelen.

Een daarvan is het inzetten van de Participatiewet. Deze maakt het namelijk mogelijk om bedrijven een loonkostensubsidie te geven. De wet is, zoals bekend, bedoeld om de kansen op (regulier) werk voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten. Bedrijven kunnen subsidie ontvangen om het verschil tussen de loonwaarde van werknemers met een arbeidsbeperking en het wettelijk minimumloon te compenseren. Met de Participatiewet en daarmee de loonsubsidie in de hand kan het voor bedrijven aantrekkelijk zijn (weer) bepaalde werkzaamheden in Nederland te laten verrichten. Tegelijkertijd worden de kansen van mensen met een arbeidsbeperking vergroot. Maar het inzetten van de Participatiewet voor het terughalen naar of behouden van werk voor ons land legt wel de - niet in de kabinetsvisie geadresseerde - vraag op tafel waar de grenzen liggen. Stel, ons land zou de loonkosten drukken door massaal en structureel voor niets of met (loonkosten)subsidie uitkeringsgerechtigden in te zetten bij het reshoren van activiteiten? Het voordeel is niet alleen dat hiermee onze concurrentiepositie wat betreft lage-lonen-lasten flink toeneemt. Het mes snijdt nog aan een tweede kant, omdat ook de uitkeringslasten omlaag gaan. Het nadeel, of liever gezegd, het risico, is echter dat we op enig moment de grens met oneerlijke steun of protectionisme passeren omdat regels inzake staatssteun, mededinging en (on)eerlijke concurrentie worden overtreden. Aanleiding, kortom, voor een discussie over de rol van de veelal op klassieke bedrijvigheid geënte en tot het Westen beperkte, concurrentieregels bij bedrijvigheid die zich niet typeert door een in één land geclusterd productieproces, maar mondiaal verspreide takendistributie. Meer dan in het verleden zullen bedrijven, maar ook landen, op een mondiaal niveau hebben te concurreren met niet alleen hun arbeid en kennis, maar ook vestigingsklimaat. In China maakt men zich dan echt niet druk over staatssteun. En daarmee hebben staatskapitalistische bedrijven op voorhand een voorsprong. Roomser dan de paus zijn, impliceert voor Europa onherroepelijk kansen laten liggen in de beauty contest van meest aantrekkelijk vestigingsklimaat.  Begin september meldde de Economist dat de VS en Mexico in deze contest de stijgers en Brazilië en enkele Oost-Europese EU-landen de dalers zijn.

Natuurlijk: voor de top van mondiaal opererende bedrijven zal het niet doorslaggevend zijn dat ons land looncompensatie aanbiedt via de Participatiewet. Een scala aan overwegingen - fiscale tarieven, ontslag, pensioen, IP-bescherming, etc. - speelt evenzeer mee. En ieder bedrijf maakt daarin zijn eigen afwegingen. Maar dat op de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat via wet- en regelgeving valt te sturen en daarmee bedrijven zijn te verleiden tot reshoring van bepaalde taken, is duidelijk. Illustratief is het eerder dit jaar verschenen Britse onderzoek naar reshoring (Backing Brittan - www.eef.org.uk), waar niet alleen met loonkosten, maar ook rechtszekerheid wordt geëtaleerd.

Maar hoe valt - vanuit het perspectief van een ondernemer - de optelsom te maken van alle mogelijke voor- en nadelen die geldend recht in een bepaald land met zich meebrengt? Voor mondiaal opererende bedrijven is het verre van eenvoudig de bredere afweging te maken aan welk land de bedrijfsactiviteiten te gunnen. In de VS wordt daarom gewerkt aan een instrument dat inzicht biedt in de opeenstapeling van juridische regimes die het vestigingsklimaat in positieve dan wel negatieve zin beïnvloeden. Naar voorbeeld van dit Reshoring Initiative wordt in ons land onder leiding van de Tilburgse hoogleraar Wilthagen een zgn. total cost of ownership-model ontwikkeld. Ambitie is om aan de hand van informatie die met behulp van dit model bijeen wordt gebracht, bedrijven in staat te stellen een goede inschatting te maken wat de (juridische) kosten zijn van een vestigingsplaats. Het is een voor de BV-Nederland noodzakelijk, maar tegelijkertijd uitdagend initiatief. En het zet aan tot verder denken. Want zou het model uitsluitend dienst kunnen doen voor een afweging bij economische waarden - zoals bij vestigingsklimaat, of zou het ook toepassing kunnen vinden bij zachtere waarden als mensenrechten- of procesklimaat?

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2014/1627, afl. 31, p. 2171.


Bron afbeelding: www.driftingashore.com

 

 

Corien Prins

Naam auteur: Corien Prins
Geschreven op: 15 september 2014

Hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
In de Gouden Eeuw had ons land de VOC, de eerste multinationa ter wereld, en een odnernemering die over een eigen leger beschikte om onderhandelingen zo nodig gewapenderhand te ondersteunen.
De toenmalige juridische infrastructuur die dit toeliet heeft ons land geen windeieren gelegd.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.