Een dienend voorzitterschap ... voorzien van verstandig idealisme

We wisten het al langer, maar 2015 bood wederom overtuigend bewijs: het Europese ‘project’ weet burgers en politieke leiders te enthousiasmeren en inspireren zolang de EU-lidstaten zich in rust en voorspoed kunnen wentelen. Maar zodra instabiliteit om de hoek komt kijken, blijkt Europa hopeloos verdeeld. Europese regeringsleiders hebben dan te tonen over voldoende voorstellingsvermogen en leiderschap te beschikken. Dat blijkt hen lang niet altijd gegeven


In tegendeel, veelal staan tegenstrijdige nationale belangen en bijbehorende politieke verlamming een aanpak voor de langere termijn in de weg. Of aan de instabiliteit nu politieke, financiële dan wel humanitaire factoren ten grondslag liggen, het fundament waarop Europa is gebouwd blijkt telkens weer ideologisch dun en wankelt  onder talloze institutionele spanningen. En waar het Europese bouwwerk de afgelopen jaren wel werd gestut, gebeurde dat slechts door pragmatisme. Velen, en zeker niet de minsten (zelfs Eurocommissaris Timmermans), twijfelen inmiddels openlijk aan een toekomst voor het idee Europa.

Bij de overgang naar een nieuw jaar zijn mijn gevoelens gemengd. In negatieve zin: Europa blijkt ten diepste verdeeld over de aanpak van een humanitaire crisis van ongekende omvang. Op de achtergrond smeulen nog immer brandhaarden die eerder oplaaiden: de voor Europa in politiek en economisch opzicht risicovolle oorlog in de Oekraïne en de afgrond waar de Euro bijna in verdween door toedoen van de Griekse crisis. En dan hebben we het nog niet over de variëteit en complexiteit van talloze andere uitdagingen: instant dood en verderf gezaaid door IS, groeiende populistische sentimenten onder Europese burgers, aanhoudende zorgen over extreem weer, een hoge jeugdwerkeloosheid en toenemende risico’s van cyberterrorisme. In positieve zin: er is door sommigen – met de Duitse bondskanselier Merkel voorop – wel degelijk leiderschap getoond. Het beeld van onmacht verhoudt zich ook niet met de stappen die wel zijn gezet in het verstevigen van (het toezicht op) de bancaire sector. En voor het eerst weten vele EU-burgers hoe de premier van Griekenland heet. Europa is geen ver van ons bed show meer, ook al uit zich dat in verdeeldheid over ‘hoe nu verder’. Maar de discussie wordt in ieder geval gevoerd. En: problemen en uitdagingen als terreur, overstromingen en werkeloosheid zijn weliswaar nationale zorgen, maar geen enkel land kan nog pretenderen deze op eigen kracht te kunnen aanpakken. En van die wederzijdse afhankelijkheid  - een hoofdconclusie van onder meer het onder voorzitterschap van de oud-minister van Buitenlandse zaken van de VS, Albright, opgestelde rapport Confronting the Crisis of Global Governance1 - zijn de Europese lidstaten zich inmiddels steeds meer bewust.

Eén ding is zeker: het is waarlijk geen eenvoudige tijd en context voor Nederland om het voorzitterschap van de Europese Raad ter hand te nemen. Ook de bijdragen in deze aan het voorzitterschap gewijde NJB-aflevering maken dat duidelijk. Voor een belangrijk deel wordt de agenda voor de komende maanden gedicteerd door de actualiteit van de genoemde uitdagingen. Tussen de bedrijven door ambieert ons land nog een bescheiden eigen agenda af te werken, zo lezen we in de bijdrage van Stevens en Terstegen. Onder meer is er de ambitie om in EU-verband een impuls te geven aan samenwerking tegen mensenhandel en de Europese geïntegreerde aanpak van de georganiseerde criminaliteit te versterken.

Maar de verwachtingen mogen vooral niet te hoog gespannen zijn, aldus Luuk van Middelaar. Met het van kracht worden van het Verdrag van Lissabon moet ons land de voorzittershamer immers delen met drie niet-roterende voorzitterschappen: het voorzitterschap van de Europese Raad, de Raad Buitenlandse Zaken en de Eurogroep van de ministers van Financiën van de eurolanden. Nederland beoogt dan ook niet meer dan een 'dienende' voorzitter te zijn. Volgens Van Middelaar is deze dienende rol vooral gelegen in het faciliteren van het ‘brandweerteam’ gevormd door de drie niet-roterende voorzitterschappen en het bespoedigen van de besluitvorming. “Het voorzitterschap houdt zich niet bezig met crisismanagement, maar speelt een cruciale rol in de daarmee samenhangende crisispreventie, om ervoor te zorgen dat – wat de crisis ook inhield – dit nooit wéér zal gebeuren en de Unie er in de toekomst beter mee kan omgaan.”, aldus de auteur.

De agenda van deze dienende voorzitter Nederland wordt zoals al opgemerkt gevuld door de actualiteit, de lopende wetgevingsagenda en een bescheiden eigen ambitie. Aanvullend formuleren Nederlandse Europarlementariërs nog wensen. En niet de minste, zo lezen we in de bijdrage van Sophie in’t Veld. Ze spreekt de hoop uit dat ons land het voorzitterschap aangrijpt om de waarden verankerd in de EU-Verdragen en het EU-Handvest te verstevigen. Daar is alle reden toe. Lidstaten als Hongarije en Litouwen nemen al langer met een zekere regelmaat een loopje met waarden als onafhankelijke rechtspraak en media. En ook in Polen dreigt de rechtsstaat inmiddels sluipenderwijs te worden uitgehold. Volgens In’t Veld heeft de EU een te beperkt instrumentarium om lidstaten bij te sturen als deze gedeelde Europese waarden schenden. Bovendien hanteert de Commissie een enge benadering van deze instrumenten en grijpt slechts in bij overtreding van de EU-wetten, maar toetst niet of nauwelijks op schendingen van de Verdragen of het Handvest. Ook voor de rechtsstaat geldt in Europa helaas “dat de politieke wil en kracht om lidstaten op de vingers te tikken ontbreekt”.

Kan het anders? Hoe verder met de Europese samenwerking? Het afgelopen jaar zijn verschillende opvattingen en modaliteiten gepresenteerd. Voor de  voormalig voorzitter van de Europese Raad, Van Rompuy, zijn geen institutionele aanpassingen nodig. Hij roept ons in zijn rechtsstaatlezing van afgelopen november op vertrouwen te hebben in de Europese instellingen en hun vermogen te komen tot een systematische aanpak.2 Wel ziet hij een leiderschaps-deficiet en benadrukt werk te maken van een visie op de toekomst van Europa. Een volk zonder visie gaat uiteindelijk ten onder, aldus Van Rompuy. Verhofstadt daarentegen bepleit in zijn boek ‘De ziekte van Europa’ de vorming van een federale structuur, de Verenigde Staten van Europa. Donner wees deze suggestie in zijn Cleveringa-oratie van de hand en ziet in een coöperatieve, gemengde orde, “waarbij we vragen uit het klassieke staatsrecht over soevereiniteit en burgers behendig omzeilen” de beste mogelijkheid om de vraagstukken van deze tijd aan te pakken. “Essentie is dat de Unie en de lidstaten niet als onderscheiden entiteiten gezien moeten worden maar als één gemengde, coöperatieve orde waarbinnen zij elkaar aanvullen en versterken zodat het totaal meer is dan de som der delen”, aldus de vice-president van de Raad van State en Leidse gasthoogleraar.3 Hirsch Ballin zoekt in deze aflevering een meer bindend en daadkrachtig vermogen van de Unie in de erkenning van verscheidenheid binnen eenheid. In zijn historisch rijke betoog toont hij ons waar ruimte zit voor een op wezenlijke punten gedifferentieerde Europese Unie. Het verbod op het maken van onderscheid naar gelang van de nationaliteit behoort, aldus Hirsch Ballin, “tot de harde kern van het Europese recht. Dit betekent niet dat elk onderwerp van wetgeving in elke lidstaat gelijkluidend moet zijn, en verzet zich er ook niet per se tegen dat sommige lidstaten verder gaan in de harmonisatie dan andere, mits in alle de daar geldende wetgeving niet discrimineert tussen de EU-burgers.” Het zou het Nederlandse voorzitterschap goed doen, aldus de auteur, het groeiende verlangen bij lidstaten naar meer flexibiliteit te onderkennen. Het pleidooi van Hirsch Ballin spreekt aan. Ook omdat het opbouwend is, vanuit een vertrouwen in het idee Europa en de ruimte die het historisch fundament van de Unie daartoe biedt.

Na lezing van alle bijdragen blijft wel de vraag hangen hoe Europese leiders gezamenlijk de stevigheid van een verstandig idealisme weten te vinden. De houding die zo noodzakelijk is voor de aanpak van de talloze problemen die zich weinig aantrekken van Europese grenzen. Het zijn immers de regeringsleiders die voorop moeten lopen in de bereidheid om de Unie niet alleen van binnen naar buiten, maar ook van buiten naar binnen te laten kijken. Die het voortouw moeten nemen in het vermogen om zowel in politiekbestuurlijke zin maar ook moreel opzicht over de Europese schaduw heen te stappen. Bijvoorbeeld vanuit het besef dat vreemdelingen wel te vertrouwen zijn. Stevigheid van een dergelijk verstandig idealisme valt alleen te vinden als we niet langer zelfvoldaan menen dat alles wat zich afspeelt buiten de geografische grenzen van fort Europa anders is in de zin van: niet strookt met het morele, rechtsstatelijke en politiek-bestuurlijke bouwwerk dat we hebben opgebouwd en krampachtig moeten afschermen.

Maar met welke maatregelen is een Unie te bouwen die de wereld met een open houding tegemoet treedt? Het vinden van een antwoord is verre van eenvoudig. Duidelijk is dat de route naar dat antwoord in ieder geval niet ligt in het uitsluitend streven naar een effectievere Unie via institutionele maatregelen, hoezeer dergelijke maatregelen ook noodzakelijk zijn om een solide monetair en ander EU-beleid te kunnen voeren. De echte kracht kan nergens anders liggen dan in maatregelen die zijn verankerd in de ideologische fundamenten waar de Unie ooit op is gebouwd. De Duitse bondskanselier Merkel toonde zich vorig jaar moreel leidster van de Unie en bracht solidariteit in herinnering. In de overtuiging dat anders zijn niet impliceert de mindere te zijn. Vanuit dit ideologische fundament is de grootste uitdaging erin gelegen tot een politieke articulatie te komen van het grondrecht dat we weliswaar vurig bepleiten, maar vaak zo mager concretiseren: het in artikel 1 EU-Handvest verankerde grondrecht van de menselijke waardigheid.

Ook in een dienende rol kan ons land zich daarom laten inspireren en motiveren door een manier van denken die teruggrijpt op de ideologische oorsprong van Europa. Zeker nu Nederland zich 65 jaar geleden - aankomende 18 april – met de ondertekening van het Verdrag van Parijs als een van zes eerste Europese landen aan het idee Europa verbond. Wezenlijk daarbij is dat Europa hoeder van vrede en vrijheid is, maar ook de verantwoordelijkheid draagt dat die vrede en vrijheid een ieder toekomt. Zelfs als we in eerste instantie vreemd tegenover de ander staan. Dit brengt me wederom bij de bijdrage van Hirsch Ballin en wel waar hij spreekt over de preambule van het EEG-verdrag, ondertekend in 1957. Daarin wordt gesproken over het streven “de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren”. In de loop der jaren heeft de gedachte postgevat dat deze passage noodzaakt tot een publiekrechtelijke superstructuur. Ten onrechte, zo laat Hirsch Ballin zien. Het ging de opstellers om de relatie tussen de Europese volkeren “die zo lang vreemd tegenover elkaar hadden gestaan.” Ook in zijn postuum verschenen boek ‘Een steeds hechter verbond. Europa op weg naar Europa’ toont Hans Nieuwenhuis ons dat door de uitwisseling van waarden als vrijheid en gelijkheid, de vijand in de loop van de eeuwen ook vaak een bondgenoot werd. Nu, anno 2016, staan we wederom vreemd tegenover andere volkeren. Laten we met het verstandig idealisme dat regeringsleiders 65 jaar geleden wist te motiveren ook in de huidige tijd de uitdagingen aangaan. Dat vraagt om een voorzitterschap dat de dienende rol niet flets maar met bezieling inkleuring geeft.

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/1 (themanummer: De Europese Unie onder Nederlands voorzitterschap)


  1. http://www.globalsecurityjusticegovernance.org/publications-resources/report/
  2. Gepubliceerd in NRC Handelsblad, zie ook het interview aldaar van 15 oktober 2015.
  3. Cleveringa-oratie, Universiteit Leiden 26 november 2015. Beschikbaar via www.montesquieu-instituut.nl
Corien Prins

Naam auteur: Corien Prins
Geschreven op: 4 januari 2016

Hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Er is nog iets heel anders aan de hand: de media verzuimen volkomen om ons te vertellen wat er werkelijk in de EU gebeurt, zodat giftige populusten samen met relzoekende journalisten het beeld bepalen wat men van de EU heeft: een ondemocratische bureaucratische moloch.
Informatievrijheid is essentieel voor een democratie. Waar die in vroegere tijden en verre landen bedreigd wordt door persbreidel is in het internet-tijdperk het probleem dat journalisten moeten vechten om te overleven. Helaas leidt concurrentie hier niet tot kwaliteitsverbetering maar tot jou4nalistiek die kijkers luisteraars en lezers behaagt door hun vooroordeel te bevestigen. Met als voorlopig dieptepunt het referendum over het associatieverdrag met Oekraiene.
Als Staatssecretaris Dekker zoekt naar een moderne invulling van de Publieke Omroep dan zou hij een verplicht Europa-journaal moeten instellen. Natuurlijk journalistiek onafhankelijk, maar wel.met de opdracht tot feitelijke verslaggeving over het reilen en zeilen van EU organen.
Ean zou het ook snel afgelopen zijn met het fenomeen dat verkiezingen voor het Europees Parlement ontaarden in een tussentijdse peiling voor de binnenlandse partijen. De kiezer moet een parlement (kunnen) afrekenen op beleid. Maar niemand heeft een benul van waar het Europees Parlement mee bezig is. Alleen als weer eens een PVV-er zich misdragen heeft horen we wat over het EP.
Intussen houden Dominique van der Heyde en Ron Fresen de mythe in stand dat "alles" op het Binnenhof gebeurt.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.