Duizenden onschuldig veroordeeld?

De afgelopen weken heeft het nieuwe boek van de wetenschapsfilosoof Ton Derksen Onschuldig vast, waarin hij stelt dat in Nederland jaarlijks zo’n duizend mensen onterecht veroordeeld worden en een gelijk aantal onschuldig in voorlopige hechtenis zit, stof doen opwaaien. Zelfs zodanig, dat in de Tweede Kamer stemmen opgaan om de herzieningsmogelijkheden te verruimen.

Derksen stelt voor het novumvereiste af te schaffen. Of dat de oplossing is, waag ik te betwijfelen. De commotie deed mij denken aan een geval waarin een man zijn uitkering kwam opeisen met een pistool. Hij werd vervolgd wegens bedreiging van de bijstandsambtenaar met een misdrijf tegen het leven. Het proces-verbaal van aangifte meldde dat hij het pistool op de slaap van de ambtenaar had gezet. Dat ontkende de man. Hij had een pistool bij zich gehad, jazeker, maar had dit naast zijn lichaam gehouden. De ambtenaar werd als getuige op de zitting gehoord en bevestigde de lezing van de man. Hoe het dan kon, dat dit wel in het proces-verbaal stond dat de ambtenaar nota bene zelf bij de politie had ondertekend, wilde de rechter weten. Tja, dat zat zo. Hij was behoorlijk van de kaart geweest die dag en had bij de politie uren zitten wachten totdat hij aan de beurt was om aangifte te doen. Hij had zijn verhaal gedaan. Het opnemen daarvan duurde voor zijn gevoel eindeloos. Hij had het niet meer nagelezen maar meteen ondertekend. Hij wilde naar huis.

Deze zaak maakt duidelijk hoe precair de strafrechtelijke waarheidsvinding is en hoe – meestal onbedoeld – niet helemaal accurate lezingen van feiten in het proces-verbaal van de politie terecht komen en later voor het bewijs een eigen leven gaan leiden. Soms kan dit zelfs een oorzaak zijn van een rechterlijke dwaling. Het reconstrueren van feiten die zich in het verleden hebben afgespeeld is moeilijk en papier is wat dat betreft geduldig.

Maar loopt het echt zo’n vaart als Derksen beweert? De aanleiding voor zijn zoektocht naar het aantal onschuldigen dat vast zit, is een vijftal gerechtelijke dwalingen: de Schiedammer parkmoord, Lucia de Berk, Ina Post, de Puttense moordzaak en de Hilversumse showbizzmoord. Hij is ervan overtuigd dat dit het topje van de ijsberg is en dat de beperkte mogelijkheden onherroepelijke veroordelingen te herzien, namelijk alleen bij een nieuw feit dat na de veroordeling bekend is geworden, de ware omvang van het probleem aan het zicht onttrekken. De inschatting dat tussen 5 en 10 procent van de strafrechtelijke veroordelingen onterecht (moeten) zijn, baseert Derksen op een scala van factoren dat een rol speelt bij de rechterlijke waarheidsvinding, zoals de confirmation bias, oftewel tunnelvisie, en (andere) structurele tekortkomingen in het opsporingsonderzoek waarin de politie en het OM volgens Derksen vooral op zoek zijn naar belastend materiaal en ontlastend materiaal negeren. Omdat zij het dossier samenstellen krijgt de rechter een vertekend beeld, waartegen de verdediging door slecht advocatenwerk onvoldoende weerwerk biedt. Daarnaast verwijst Derksen naar empirisch onderzoek dat in de VS is gedaan naar onschuldig veroordeelden en naar het aantal veroordelingen dat in het VK op jaarbasis herzien wordt. Ook citeert hij uitvoering uit eigen zaaksonderzoek1 en gesprekken die hij gevoerd heeft met advocaten, rechters, politie, veroordeelden, bewaarders en gevangenisdirecteuren, aan wie hij heeft gevraagd hoe hoog zij het percentage van onschuldig veroordeelden schatten.

Opmerkelijk is in de eerste plaats, dat Derksen zijn conclusies over het aantal onterechte veroordelingen op waarschijnlijkheden en extrapolaties baseert en deze toetst aan meningen van geïnterviewden. Zo ontleent hij bijvoorbeeld een foutpercentage van 11,1 % aan de omstandigheid dat 4 van de 36 sinds 1982 tot levenslang veroordeelden volgens zijn eigen onderzoek zeker, dan wel hoogstwaarschijnlijk, onschuldig zijn. Een vergelijkbaar foutpercentage komt vervolgens weer uit interviews die hij bij 11 veelplegers heeft afgenomen. Hij erkent dat de onderzoeken waarop hij zich beroept een ‘ietwat dubieuze status’ hebben, maar stelt dat de resultaten ervan bij elkaar genomen aan waarschijnlijkheid winnen, vanwege de consilience of dubious inductions: als verschillende onderzoeken waarin verschillende methoden worden gehanteerd onafhankelijk van elkaar tot hetzelfde percentage van onterechte veroordelingen leiden, dan neemt de waarschijnlijkheid toe dat die foutmarge juist is, ook al zijn de onderzoeken ieder afzonderlijk minder betrouwbaar. Dat lijkt me gelet op de bronnen die Derksen gebruikt een boude stelling. Zijn aannames zijn gebaseerd op een mix van statistische vergelijkingen (mede gegrond op gegevens uit andere rechtsstelsels waarvan het de vraag is of die vergelijkbaar zijn met de Nederlandse situatie) en niet te controleren meningen.

Het onderzoek van Derksen toont niet aan hoeveel onschuldigen veroordeeld zijn, net zo min als aangetoond kan worden dat het foutenpercentage dat hij aanneemt niet klopt. We weten het gewoonweg niet. Maar ook al zou het aantal onterecht veroordeelden hoger zijn dan het aantal herzieningsverzoeken doet vermoeden, dat waren er tussen 2013 en 2015 – inclusief afwijzingen – nog geen 40 per jaar, ook dan is een versoepeling van de herzieningsgronden mijns inziens geen oplossing voor de problemen waarmee de strafpraktijk bij de waarheidsvinding wordt geconfronteerd. Iedere gerechtelijke dwaling drukt ons met de neus op het feit hoe belangrijk procedurele waarborgen zijn, zoals de presumptie van onschuld, het zwijgrecht, adequate rechtsbijstand, het pressieverbod, minimum bewijsregels, hoor en wederhoor en de motiveringsplicht. Deze zijn bedoeld om te voorkomen dat onschuldigen worden veroordeeld. Er moet geïnvesteerd worden in de politie, het OM, de advocatuur en de rechterlijke macht zodat zij in staat worden gesteld zorgvuldig en kwalitatief hoogwaardig te werken: dat kost tijd en geld. Mijn advies aan de Tweede Kamer is dan ook daar energie in te steken, in plaats van in een aanpassing van de herzieningsprocedure. Dat mag ook, maar is toch meer mosterd na de maaltijd.

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/2218, afl. 43, p. 3165

 

  1. Onder andere in de zaken Lucia de Berk en Baybasin.

 

 

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 5 december 2016

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.