De waarheid

Op 17 en 18 oktober organiseerde het Institute of Anglo-American Law1 van de Universiteit Leiden een bijeenkomst over de rol van de feiten in het recht, onder de titel ‘Do facts matter?’. Op het eerste gezicht een weinig spannend onderwerp, want ‘natuurlijk’ gaat het bij het recht primair om de feiten, zou men denken. De lezingen van John Cartwright en Daan Asser, op het snijvlak van common law en civil law, maakten duidelijk dat het zo simpel niet is.2

Zou de blik in de spiegel van het Anglo-Amerikaanse recht kunnen of moeten leiden tot herijking of verrijking van het continentaal-Europese zelfbeeld? In het systeem van rechtersrecht dat de common law van oudsher is, is de band tussen de feiten en het recht hecht; het recht is in fundamentele zin gebaseerd op, en vloeit voort uit de feiten. De regels die de rechter formuleert, zijn dan ook geen brede rechtsregels. Zij zijn smal getoonzet en toegesneden op het voorliggende geval; het is case law ten principale. Liggen de feiten anders, dan kan ook de regel zomaar een andere zijn. Anglo-Amerikaanse juristen zijn meesters in de art of distinguishing. En het Anglo-Amerikaanse (proces)recht is sterk toegesneden op feitenonderzoek en waarheidsvinding. Er is (pre-trial) discovery en advocaten moeten de waarheidsvinding dienen, al dan niet als officers of the court. De regels op het gebied van bewijsvoering en examination of witnesses zijn zeer goed ontwikkeld en fijnmazig. De nadruk in procedures ligt op een grondige mondelinge behandeling, waar de zaak zich ontvouwt in een samenspel tussen actieve advocaten en rechters. In relatie tot de feiten functioneert het recht dus bottom-up.

Het contrast met ons systeem is aanzienlijk, vooral wat betreft oorsprong, uitgangspunten en tradities. In ons burgerlijke (proces)recht staat nog immer de partijautonomie voorop en denken wij in algemene principes en rechtsregels, waarin de feiten moeten passen. In die zin werkt ons recht goeddeels top-down. Hoewel in de recente geschiedenis corrigerende maatregelen zijn getroffen,3 betekent een en ander nog immer dat  in onze civiele procedures de feiten (1)  selectief worden gepresenteerd en (2) ook direct worden toegeschreven naar de beweerdelijk toepasselijke rechtsregels. De nadruk ligt voorts op de schriftelijke argumentatie en bewijsvoering. We kennen een onderontwikkelde exhibitieplicht, een pover  bewijsrecht en laten onze getuigenverhoren voeren (áls daar al aan toe wordt gekomen) door degene die het slechtst van alle betrokkenen thuis is in de feiten, te weten de rechter. En in onze traditie past dat de rechter slechts die feiten behoeft vast te stellen die zijn oordeel schragen, zodat de feitenvaststellingen in rechterlijke uitspraken uitermate summier zijn.4 Een en ander bijeengenomen rechtvaardigt wat mij betreft de wat – ongenuanceerd en provocatief weergegeven - conclusie dat het bij onze civiele geschillenbeslechting uiteindelijk niet om de echte waarheid gaat, maar om een magere, gedeformeerde,  formele waarheid.

Met het bovenstaande wil niet betoogd worden dat het tijd zou zijn voor een grote omwenteling, in die zin dat wij ons (proces)recht integraal zouden moeten omvormen naar Anglo-Amerikaanse snit.5 Wel wil ik voorstellen om over een tweetal concrete punten verder te denken.

Allereerst zou wat mij betreft overweging verdienen om het verhoren van getuigen (en deskundigen) primair door de betrokken advocaten te laten doen, met de rechter als kundige en onpartijdige regisseur en (eventueel corrigerende) slotbevrager. Daarvan zouden ten behoeve van alle dossiers beeld- en geluidopnamen moeten worden gemaakt.6 Advocaten en rechters dienen dan wel grondig bijgeschoold te worden om zich de desbetreffende technieken, vaardigheden én begrenzingen eigen te maken (denk aan die welke in het Anglo-Amerikaanse recht zijn ontwikkeld). De rechtspraak zou kunnen overwegen om de belangrijkste principes en begrenzingen in een landelijk verhoorreglement op te nemen.

Ten tweede zouden de bestaande instrumenten van (met name) de artikelen 21 en 22 Rv vaker en scherper ingezet kunnen worden.7 We moeten af van de gedachte dat de partijautonomie8 fundamenteler is dan de waarheidsvinding. De rechter zal een actieve rol moeten spelen. Indien sneller zwaardere sancties worden verbonden aan – kort gezegd – het (aantoonbaar) creatief omgaan met de waarheid, dan zullen partijen en hun advocaten geleidelijk eieren voor hun geld gaan kiezen.

In het kader van het zogenoemde KEI-project zijn de eerste (concept)voorstellen gedaan voor een verdere stroomlijning en versnelling van ons procesrecht. Hoewel een vroege mondelinge behandeling daarbij centraal staat, zal die niet gaan dienen voor uitgebreide bewijsvoering. In de nieuwe basisprocedure zal aldus een grondige feitenvaststelling nog verder buiten beeld raken. Hopelijk zal de rechter die weg in het kader van maatwerk toch voldoende openen en zal er bij de verdere invulling van de nieuwe procedure aandacht zijn voor bovenstaande gedachten. Waarheidsvinding in het civiele (proces)recht is van vitaal belang, hoezeer ook – of misschien wel juist omdat – de feitenvaststelling door de rechter in de ogen van partijen, die hun eigen waarheid plegen te koesteren, zelden een perfecte zal zijn.


Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/2250, afl. 38, p. 2661.

 

1. Onder voorzitterschap van Henk Snijders.

2. Dit stuk is dan ook in hoge mate schatplichtig aan beide sprekers
3. Zie onder meer de artikelen 21, 22 en 111 lid 3 Rv. Zie ook art. 162 Rv.
4. Niet zelden worden feiten in  het midden gelaten, hetgeen in cassatie ertoe leidt dat van de juistheid van de feitelijke stellingen van de eiser in cassatie dient te worden uitgegaan, hetgeen tot verlenging van de procedures leidt, omdat na vernietiging en verwijzing die stellingen alsnog dienen te worden onderzocht.
5. Opmerking verdient in dit verband dat Anglo-Amerikaanse procedures veel duurder zijn en langer duren.
6. Het p-v van art. 180 Rv (bij de totstandkoming waarvan de wetgever het standaard doen van opnamen heeft verworpen op goeddeels gedateerde gronden) zou dan als optioneel (en samenvattend) opgevat kunnen worden.
7. Dat zou ook kunnen gelden voor bijvoorbeeld art. 843a Rv.
8. Of snelheid, zoals in het hierna te noemen KEI-project.

Coen Drion

Naam auteur: Coen Drion
Geschreven op: 30 oktober 2013

Advocaat-partner bij Jones Day.

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
M.i. heeft “de waarheid” een andere dimensie dan ”een waarheid”. “Een waarheid” is een deelverzameling van de verzameling “de waarheid”. Ook “een onwaarheid” of “een halve waarheid” ligt in de praktijk vaak als een deelverzameling besloten in de verzameling “de waarheid”.

Vermits onzekerheid een grote wissel trekt op de menselijke behoefte aan zekerheid zijn ook binnen ons rechtssysteem vele aangenomen en/of veronderstelde “waarheden” binnen gehaald. In deze optiek blijft waarheidsvinding afhankelijk van individuele en collectieve menselijke behoeften en blijven “de waarheid” en “waarheidsvinding” in ieder rechtsproces m.i. een utopie/illusie. Hetgeen niet wil zeggen dat het “waarheidsgehalte” van “de waarheid” geen grote verschillen kan inhouden. Echter kan überhaupt het waarheidsgehalte worden vastgesteld? Of bezit “het waarheidsgehalte” een analoge glibberigheid als “de waarheid”?

Indien gebeurtenissen schriftelijk worden vastgelegd en als een feiten verslag toepassing vindt, zouden wetenschappelijke criteria m.i. meer toepassing mogen vinden dan nu het geval is. Het zou onze rechtspleging op een meer wetenschappelijk niveau brengen.
Dit vergt echter betere opleidingen en daar hebben onze partij vertegenwoordigers er “de facto” een broertje aan dood vermits zij open gevallen formatie plaatsen bij voorkeur substitueren met minder duur opgeleiden.

Een nuttig artikel in een “opjaag”, “meer & meer” en “meer met minder” maatschappij.
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.