De Uitspraak: Tot welke leeftijd kun je bij je vader een toelage afdwingen?

Kun je bij je gescheiden vader een toelage afdwingen omdat je na je 21e een nieuwe opleiding wil volgen?

De Zaak.

Een student maatschappelijke en pedagogische zorg aan het MBO eist bij de rechter dat zijn vader doorgaat met het betalen van een bijdrage aan zijn levensonderhoud. Ook nadat hij 21 is geworden. De zoon eist van zijn vader een bedrag van maandelijks €463, te betalen zolang het de rechtbank billijk lijkt. De gescheiden vader betaalt sinds 1994 mee aan de verzorging en opvoeding van zijn zoon. Sinds 2005 is dat ongeveer €300. De vader heeft gezegd op te zullen houden met het betalen van deze kindbijdrage als zijn zoon 21 wordt. De zoon vindt dat hij daar recht op blijft houden omdat hij nog schoolgaand is.

Wat is de situatie van de zoon?

De jongen woont zelfstandig in een appartement van zijn moeder, die zelf in het buitenland woont. Hij wordt in mei 2014 21; hij rondt zijn opleiding af in juni van dat jaar. Daarna wil hij echter doorstuderen, aan een andere MBO. Hij werkt hele zomers fulltime in de horeca en in de rest van het jaar één dag per week. Hij zegt dat hij zijn vader tijdig telefonisch van zijn studieplannen op de hoogte heeft gesteld en dat hij begreep dat zijn vader wilde blijven betalen.

Hoe verweert de vader zich?

Hij zegt dat de plicht voor de ouder om bij te dragen in de kosten wettelijk eindigt op het 21e jaar van het kind. Tenzij het kind op dat moment nog ‘behoeftig’ is. Dat is hier niet het geval. Voor de studiefinanciering kwalificeert zijn zoon als uitwonend, waardoor hij een basisbeurs van €257,93 ontvangt en een OV-kaart. Ook kan hij eventueel studiefinanciering bijlenen, €519,49 per maand. Verder ontvangt zijn zoon uit zijn werk ook inkomsten, namelijk € 269,42 per maand. Hij voldoet dus niet aan de eis van ‘behoeftigheid’.
In het echtscheidingsconvenant is destijds ook niet afgesproken dat zijn onderhoudsplicht zou doorlopen na de meerderjarigheid van zijn zoon. Verder zou het om de derde MBO-opleiding gaan die zijn zoon wil volgen. Daarvoor is geen noodzaak. Dat zijn zoon niet vertelt om welke opleiding het gaat, noch hoe lang zijn betalingsplicht nog moet duren noemt de vader ‘bevreemdend’.

Hoe oordeelt de rechter?

Die is gauw klaar met de vraag of de zoon na zijn 21e nog ‘behoeftig’ is in de zin der wet. Nee, dus. Van een meerderjarige in deze situatie „mag worden verwacht dat hij, onafhankelijk van zijn ouders, door arbeid voorziet in zijn eigen levensonderhoud.”
Het volgen van een derde MBO opleiding, na twee succesvol afgeronde eerdere studies, vindt de rechtbank typisch een keuze, geen noodzaak. Dat de vader telefonisch beloofd zou hebben een toelage te blijven betalen, en wel tot het 23e levensjaar, zoals de zoon claimt, vindt de rechtbank niet onderbouwd. Zijn eis wordt dus afgewezen. De vader is bevrijd van deze financiële verplichting.

 

Lees de uitspraak (ecli:nl:rbhno:2014:11113) hier

 

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.


Bron afbeelding: Phoney Nickle

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 7 april 2015

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Vervolgens is de vraag of de advocaat die de stumper aanried te procederen kan worden aangehouden op grond van meineend op zijn advocateneed.
Mirella Peereboom-van Drunick schreef op :
Het oordeel van de rechtbank is helder. Ingevolge artikel 1:392 BW eerste en tweede lid zijn ouders jegens hun meerderjarige kinderen verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud in geval van behoeftigheid. Met andere woorden; de vader in deze casus is slechts onderhoudsplichtig jegens zijn meerderjarige zoon indien deze geen of onvoldoende eigen middelen heeft tot zijn onderhoud en deze ook niet (in redelijkheid) door arbeid kan verkrijgen. In dit geval kan hij aanspraak maken op een basisbeurs, een rentedragende lening bij DUO en heeft hij inkomsten uit arbeid. Naar het oordeel van de rechtbank is er om die reden geen sprake van behoeftigheid en dient het verzoek van de zoon te worden afgewezen. De argumentatie van de rechtbank is sluitend en mijns inziens in overeenstemming met het recht.
Het draait bij de vraag naar het bestaan van een onderhoudsplicht tussen ouders en hun meerderjarige kinderen in de eerste plaats om behoeftigheid. Behoeftigheid dient onderscheiden te worden van het begrip behoefte. Kort gezegd is behoefte datgene wat je nodig hebt om in je levensonderhoud te kunnen voorzien en behoeftigheid dat deel van de behoefte waarin je niet zelf kunt voorzien. De onderhoudsverplichting eindigt op het moment dat een kind 21 jaar wordt, ook als een kind op dat moment nog studeert. Het feit dat je studeert betekent niet automatisch dat iemand om die reden nog steeds behoeftig is. Behoeftigheid moet worden aangetoond. Als je daarin niet slaagt is een verzoek gedoemd te mislukken.
Kennelijk heeft de zoon in deze zaak nog een aantal andere factoren aangedragen die er toe leiden dat de rechtbank voorts overweegt dat er evenmin sprake is van een – uit hoofde van een andere rechtsgrond dan artikel 1:392 BW – in rechte afdwingbare verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud. Dit werpt de vraag op wanneer er dan wel (anders dan op grond van artikel 1:392 BW) sprake kan zijn van een dergelijke verplichting? Enerzijds kan daar sprake van zijn ingeval van een contractuele verplichting op basis waarvan een kind aanspraak kan maken op levensonderhoud na zijn 21ste levensjaar. Een voorbeeld is een echtscheidingsconvenant waarin ouders hieromtrent afspraken met elkaar hebben gemaakt. Anderzijds kun je betogen dat indien een kind met toestemming van zijn ouders is begonnen aan een studie dit voor de ouders een (morele) verplichting schept om binnen redelijke grenzen een kind financieel in staat te stellen deze opleiding te voltooien. In dit geval zou er sprake kunnen zijn van een rechtens afdwingbare versterkte natuurlijke verbintenis. Ook hier volg ik de overweging van de rechtbank. Allereerst is van het bestaan van enige verbintenis niet gebleken en daarbij blijkt uit de casus dat hij binnen twee maanden ná het eindigen van zijn onderhoudsbijdrage zijn huidige opleiding beëindigt en dat hij daarna met een nieuwe opleiding wil beginnen. Duidelijk is dat dat een keuze is en geen noodzaak, en die keuze moet volgens deze rechtbank volledig voor rekening en risico komen van de zoon. En dat is in dit geval volgens mij volkomen terecht.

Mirella Peereboom-van Drunick is docent privaatrecht Universiteit van Amsterdam en NJB-expert

Naomi Spalter schreef op :
In de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 december 2014 ging het om de vraag of een 21-jarige nog studerende zoon recht heeft op alimentatie van zijn vader. Ongeacht of ouders gescheiden zijn, heeft een (stief)ouder de wettelijke plicht om financieel te zorgen voor een kind die nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Voor jongmeerderjarige kinderen van 18 tot 21 jaar geldt dat de ouder verplicht is om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie. Daarbij is niet vereist dat de jongmeerderjarige behoeftig is; dat wil zeggen dat de onderhoudsplicht van de ouder eveneens bestaat als het kind zélf inkomen of vermogen heeft. Wanneer het kind de 21-jarige leeftijd heeft bereikt, heeft de ouder jegens zijn meerderjarige kind ingevolge artikel 1:392 lid 2 BW nog slechts een onderhoudsplicht als deze behoeftig is (en de ouder voldoende draagkracht heeft). Het uitgangspunt van het Nederlandse alimentatierecht is namelijk dat in principe iedere volwassene in eigen levensonderhoud moet voorzien.
Vanwege het feit dat in onderhavige uitspraak de zoon reeds 21 jaar was, diende de rechter derhalve na te gaan of de zoon behoeftig is. Hiervan is sprake als hij onvoldoende eigen middelen heeft om in eigen levensonderhoud te voorzien, of anders gezegd: indien zijn middelen niet zijn behoeften dekken. De rechtbank kwam echter tot de conclusie dat van de zoon mocht worden verwacht dat hij – net als iedere volwassene – in eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank hield in zijn oordeel rekening met de daadwerkelijke middelen die de zoon heeft om te voorzien in zijn behoeften. Deze zijn de gelden die hij ontvangt uit de basisbeurs voor studerenden, een gratis OV-chipkaart en inkomsten uit arbeid.
Bij de vaststelling van de middelen van een kind van 21 jaar en ouder, worden echter niet slechts de daadwerkelijke inkomsten en/of vermogen van het kind in ogenschouw genomen, maar ook het inkomen dat het kind in redelijkheid zou kunnen verwerven. De rechtbank besloot dat de zoon naast de basisbeurs die hij reeds ontving, als studerende tevens een rentedragende lening bij DUO kan afsluiten ter hoogte van € 519,49 per maand. Eveneens was de rechtbank van mening dat de zoon geen noodzaak meer had om verder te studeren omdat hij reeds twee Mbo-opleidingen succesvol had afgerond. Met andere woorden: de keuze van de zoon om verder te studeren diende voor (financieel) risico van hemzelf te blijven.
De uitspraak van de rechtbank is geheel in lijn met de wet en weinig opzienbarend. Een gemis in de uitspraak van de rechtbank is echter dat geheel niet is ingegaan op de vraag welke behoeften de zoon precies heeft. Zoals gezegd, dient om te kunnen beoordelen of de zoon behoeftig is, logischerwijs te worden onderzocht of zijn middelen zijn behoeften dekken. Bij de vaststelling van de behoeften van een kind wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de strikt noodzakelijke lasten, zoals de bijstandsnorm en redelijke extra woonlasten en/of de premie voor de zorgverzekeringswet. Doordat de rechtbank de behoeften van de zoon niet in de uitspraak heeft opgenomen, blinkt deze daarom mijns inziens niet uit in helderheid.

Naomi Spalter is gepromoveerd op alimentatierecht en NJB-expert

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.