De Uitspraak: Mag het parket langer dan twee jaar wachten met het vervolgen van een minderjarige?

Mag het Openbaar Ministerie langer dan twee jaar wachten met het vervolgen van een minderjarige?

De Zaak.

Een 17-jarige Amsterdammer wil de 20 euro die hij uitleende aan een kennis terug. Met vrienden wacht hij zijn debiteur op, in het Vondelpark. Daarbij vallen klappen, in het gezicht. De man wordt ook geschopt. Hij geeft het geld terug, maar doet ook aangifte bij de politie wegens diefstal met geweld. Daarop wordt de minderjarige ‘s nachts van zijn bed gelicht, aangehouden en ingesloten op het bureau. Vervolgens duurt het 27 maanden voordat de zaak op de zitting komt. De verdachte is tegen die tijd 20.

Wat gebeurt er op zitting?

Het slachtoffer zegt dat hij het incident is vergeten en hoopt dat de vervolging wordt gestaakt. De verdachte, zonder strafblad, kwam in de ruim twee jaar sinds het incident niet opnieuw in contact met de politie. Hij vond zijn arrestatie, bejegening door de politie en insluiting op het bureau ‘met een luidruchtige, meerderjarige Poolse man’ traumatisch. Sindsdien durft hij niet meer in kleine ruimtes te verblijven. Hij is enorm geschrokken.

Zijn arrestatie viel vlak voor een schoolexamen, waarvoor hij zakte. De Raad voor de Kinderbescherming zegt dat een straf inmiddels geen pedagogische waarde meer heeft en adviseert een voorwaardelijke straf.

Hoe kijkt de kinderrechter hier tegen aan?

Die vindt dit een eenvoudige zaak, waarvan de ernst en zwaarte ook niet echt duidelijk zijn. De klappen lijken door een ander te zijn gegeven, niet door deze jongen. De grote vertraging was niet aan zijn advocaat te wijten. Ook het politieonderzoek was niet heel moeilijk. Het is aannemelijk, gezien zijn gedrag sindsdien en ook ervoor, dat de verdachte geen strafbare feiten meer zal plegen. Een straf is hier onnodig. Een schuldigverklaring zonder straf zou betekenen dat de verdachte geen Verklaring Omtrent het Gedrag bij de gemeente meer kan krijgen. En dus geen stage of werkplek. Daarom verklaart de rechter het OM niet-ontvankelijk, wegens te lang wachten.

Maar dat had de Hoge Raad toch verboden?

Bij herhaling heeft de hoogste rechter verklaard dat ‘overschrijding van de redelijke termijn’ door het OM niet kan leiden tot het verlies van het recht om te vervolgen. ‘Ook niet in uitzonderlijke gevallen’.

Hoe zeilt de rechter daar om heen?

Die constateert dat de verjaringsregels sinds deze uitspraak zijn verruimd, zodat de bescherming tegen inactiviteit van politie en justitie objectief minder is geworden. En die is nodig omdat het OM ‘met enige regelmaat’ zaken tegen jeugdigen ‘zeer laat’ aanbrengt. Het OM houdt zelf een maximale termijn van vier jaar aan. De rechter vindt dat het OM rekening moet houden met het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht. Omdat kinderen snel veranderen moet een procedure vlot, doeltreffend en op maat zijn. „Naarmate die langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts werken.” Internationale normen voor het vervolgen van kinderen zijn ook scherper dan voor volwassenen. Die moeten ‘zonder vertraging’ worden ingezet. Dat is strenger dan ‘binnen een redelijke termijn’.

Lees de uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2013:6633) hier.

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.


Bron afbeelding: Nico Kwakman

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 12 november 2013

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Ido Weijers schreef op :

Met haar beslissing dat het OM in deze zaak het recht om te vervolgen heeft verspeeld, tikt de rechtbank Amsterdam niet alleen het OM op de vingers, maar keert zij zich tevens tegen de stellingname van de Hoge Raad. In 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn door het OM niet kan leiden tot verlies van het recht om te vervolgen en alleen nog mag worden gecompenseerd door strafvermindering. Vorig jaar heeft de Hoge Raad deze regel bevestigd in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte.

Toch zijn er zwaarwegende argumenten tegen deze regel. Maar allereerst een beleidsmatige kanttekening. Laksheid van het OM, waarbij de vervolging van minderjarige verdachten soms bijna 2,5 jaar duurt, verdraagt zich allerminst met de geldende Kalsbeek-normen. De ‘Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen’ hanteert een maximum van 6 maanden. (Het getreuzel van het OM staat ook haaks op de huidige ZSM-werkwijze.)

Een eerste argument tegen de bepaling van de Hoge Raad betreft de verjaringsregels. De Hoge Raad stelt dat deze de verdachte voldoende beschermen tegen treuzelen van politie en justitie. Echter, per 1 april jl. zijn deze regels ingrijpend aangescherpt. Daarmee is de bescherming tegen inactiviteit van politie en justitie voor een groot aantal delicten waaraan ook jongeren zich nogal eens schuldig maken sterk afgenomen. Daarmee is de centrale peiler onder de redenering van de Hoge Raad weggevallen.

Een tweede argument betreft de stelligheid waarmee de Hoge Raad poneert dat ook in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid van het OM ongepast zou zijn. Paul Mevis heeft er op gewezen dat strafvermindering ook vóór de herijking door de Hoge Raad algemeen gebruikelijk was, maar dat in uitzonderlijke gevallen wel degelijk behoefte bestond aan niet-ontvankelijk verklaren van het OM. De Hoge Raad geeft geen argumenten waarom dit ook in uitzonderlijke gevallen niet (meer) wordt toegestaan.

Een derde argument heeft betrekking op het specifieke karakter van het jeugdstrafrecht. Jaren geleden verzuchtte Jaap Doek (naar aanleiding van een heel andere kwestie) dat ‘het jeugdstrafrecht bij de Hoge Raad niet in goede handen’ was (FJR, 2005, p.146). Nog steeds lijkt de Hoge Raad voorbij te zien aan de aparte status van minderjarigen in het strafrecht. Die is behalve met aparte sancties en regels voor de vervolging en berechting van minderjarige verdachten bijvoorbeeld ook vastgelegd in de eerder genoemde Kalsbeek-normen en de Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen. Zo bepaalt het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind dat in zaken betreffende minderjarige verdachten ‘zonder vertraging een beslissing moet worden genomen’ (art. 40, lid 2 sub b IVRK). Het VN-comite dat toezicht houdt op de naleving van het IVRK heeft in haar General Comment nr.10 (2007) uitdrukkelijk aangegeven dat ‘zonder vertraging’ bij minderjarigen strikter moet worden geinterpreteerd dan de norm ‘binnen redelijke termijn’, zoals geformuleerd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Dat betekent dat de termijnen voor vervolging en berechting van minderjarigen veel korter moeten zijn dan voor volwassenen. Kortom, hoog tijd om tenminste voor deze gevallen de mogelijkheid van niet-ontvankelijkheid te herstellen.

Ido Weijers is hoogleraar Jeugdbescherming aan de Universiteit Utrecht en NJB-expert.

Nico Kwakman schreef op :

Het strafprocesrecht is geen rustig bezit. Sterker nog: het strafprocesrecht beleeft turbulente tijden en is sterk in ontwikkeling, zij het dat op gezette tijden de (altijd voorlopige) uitkomst van deze rechtsontwikkeling wordt vastgelegd in beleid, in wet- en regelgeving en in de uitleg de Hoge Raad daaraan geeft. Niet alleen met het oog op de rechtszekerheid (burgers moeten weten waar ze aan toe zijn) maar ook met het oog op de tegenhanger daarvan: de ‘rule of law’ (rechtsontwikkeling of niet, willekeur is verboden. Ook de overheid dient zich te houden aan haar eigen regels).

In dat verband zouden we kunnen spreken van ‘gestolde rechtsontwikkeling’. Geen ‘versteende’ maar tijdelijk ‘gestolde’ rechtsontwikkeling omdat beleid, wet- en regelgeving en jurisprudentie, altijd voldoende ruimte en flexibiliteit behoren te bieden om adequaat te kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en inzichten.

Deze twee-eenheid, stabiliteit en flexibiliteit, staan op gespannen voet met elkaar. Aan elk van deze beide kanten van dezelfde medaille kunnen geen absolute claims worden ontleend. De vraag is alleen wie in geval van een disbalans bepaalt of en in hoeverre van het geldend recht mag worden afgeweken om bijvoorbeeld recht te doen aan nieuwe ontwikkelingen en eigentijdse inzichten.

Voor de onderhavige zaak is van belang dat – althans in de ogen van de Hoge Raad – overschrijding van de redelijke termijn waarin een zaak moet zijn afgehandeld, nooit (ook niet in bijzondere gevallen) tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie mag leiden.

Toch lappen lagere rechters deze regel geregeld, en op vaak creatieve wijze, aan hun laars. Met het oog op de rechtsbescherming van verdachten tegen ‘willekeurige’ overschrijdingen van de redelijke termijn (dat wil zeggen: zonder goede redenen en/of uit laksheid en/of vanwege een tekort aan capaciteit), wordt deze overschrijding soms zozeer in strijd geacht met de regels van behoorlijke procesorde dat lagere rechters niet-ontvankelijkheid van het OM als het enige passende signaal beschouwen.

Dat leunt dicht aan tegen de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria die gelden voor niet-ontvankelijkheid van het OM wegens vormverzuimen in het vooronderzoek (art. 359a Sv). Kern daarvan is dat niet-ontvankelijkheid van het OM alleen in de rede ligt als met het vormverzuim een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Dat alles geldt in versterkte mate voor het jeugdstraf(proces)recht. Algemeen wordt aanvaard dat nieuwe wetenschappelijke inzichten in de (geestelijke) ontwikkeling van jeugdigen consequenties heeft voor de functies van het jeugdstraf(proces)recht en de rechtsbescherming die in dat verband kan en behoort te worden geboden aan jeugdige verdachten en delinquenten.

De rechter vond die eigentijdse inzichten en opvattingen in deze zaak zo doorslaggevend dat hij zich genoodzaakt zag de rechtsontwikkeling met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsleerstuk enigszins bij te sturen en af te stemmen op de criteria van 359a Sv. Maar was de lagere rechter eigenlijk wel bevoegd af te wijken van de lijn die onze hoogste rechter, de Hoge Raad, had uitgestippeld.

Daarvoor moeten we te rade gaan bij de president van de Hoge raad, Geert Corstens. In een voordracht tijdens een symposium van de Radboud Universiteit Nijmegen op 10 september 2013 stelt Corstens (met betrekking tot de samenwerkingsverhouding tussen de nationale rechter en het EHRM): ‘(…) Dat betekent dat de nationale rechter de rechtspraak van het EHRM loyaal maar niet slaafs behoeft te volgen. (…) Ook kan de nationale rechter, net zoals de feitenrechter dat ten opzichte van de cassatierechter wel eens doet, afwijken om te proberen het EHRM een andere richting te doen inslaan. Dat is de scheppende rol van de ongehoorzaamheid’ (curs. N.K.).

Wel kan met Corstens worden ingestemd dat de rechter een afwijkende beslissing zeer goed zal moeten motiveren. Lukt het niet om (in dit geval) de Hoge Raad te overtuigen, dan eist de structuur van de rechtsorde dat de rechter de Hoge Raad alsnog volgt.

Kortom, een mooi voorbeeld van rechtsontwikkeling, zij het met een bedenkelijke aanleiding en oorzaak. Dat wil zeggen: een steeds verder uitgekleed OM dat niet langer over voldoende capaciteit beschikt om in alle gevallen een redelijke afhandelingstermijn in acht te nemen.

Daar komt nog bij dat de bescherming tegen inactiviteit van het OM – zoals de rechter in de onderhavige zaak opmerkt – beduidend minder is geworden vanwege het oprekken van de verjaringstermijnen.

Het moet wel raar lopen wil de HR zich niet laten overtuigen door het argument van de feitenrechters dat alleen effectief tegenwicht kan worden geboden tegen deze ontwikkelingen door toepassing van het instrument van de niet-ontvankelijkheid.

Nico Kwakman is universitair docent straf(proces)recht aan de Rijksuniversiteit Groningen en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.