De Uitspraak: Mag een zedenverdachte een schoolexamen worden geweigerd?

Mag een MBO-opleiding een student weigeren voor het eindexamen sportcoördinator omdat Justitie hem verdenkt van ontucht met leerlingen?

De Zaak.

Een laatstejaars student sport- en bewegingscoördinator wordt verdacht van ontucht met leerlingen van alle drie basisscholen waar hij stage liep. De opleiding schorst hem en verbiedt hem de toegang. Het Openbaar Ministerie kondigt aan hem te vervolgen. De rechter-commissaris beslist dat de student niet in voorarrest hoeft.

Wat eist de student?

De student wil dat hij wordt toegelaten tot de laatste proef die hij moet doen voor zijn diploma. De opleiding wil dat alleen bij vrijspraak of een sepot.

Hoe onderbouwt de school dat?

De opleiding vindt dat zij een zorgplicht heeft om geen diploma’s af te geven aan studenten die ongeschikt zijn voor het beroep waarvoor wordt opgeleid. Wie gaat werken met minderjarigen dient zich niet aan hen te vergrijpen is het argument. Voor de laatste ‘proeve van bekwaamheid’ moet de student bovendien een dag op een basisschool werken. Welke basisschool zou toestaan dat een zedenverdachte er examen als docent komt doen?
De opleiding vindt op basis van de onderwijsovereenkomst dat ze bevoegd is studenten te verwijderen als ze schuldig zijn aan ‘ernstig wangedrag’. ‘In gevallen waarin de overeenkomst niet voorziet’ is de directie ‘na overleg’ met de deelnemer bevoegd om andere maatregelen te nemen, zoals examen weigeren en schorsen.

Hoe oordeelt de civiele rechter?

De rechter vindt de mening van de school over de geschiktheid voor het beroep wel begrijpelijk, maar niet juist. In het algemeen is het volgens de rechter niet de taak van een opleiding om eenmaal toegelaten studenten van examens te weerhouden omdat ze voor het beroep niet geschikt zouden zijn. Dat geldt ook bij verdenking van strafbare feiten. Als personen uit een beroep geweerd moeten worden, dan zijn daar andere regels voor. Bijvoorbeeld de eis voor een Verklaring omtrent het Gedrag. Een zorgplicht voor de arbeidsmarkt van een school bestaat wettelijk niet. Wie slaagde voor alle examens moet ook tot het laatste examen worden toegelaten. Weigeren is onbillijk.
Verder staat het nog niet vast dat er inderdaad sprake was van ‘ernstig wangedrag’. De student hoefde immers niet in voorarrest. Of de aangiften inderdaad tot een veroordeling zullen leiden is niet onderbouwd. Net zo min als de eventuele onrust op de opleiding als de student blijft komen. De rechter erkent dat het voor basisschoolleerlingen niet zonder risico is, voor de opleiding ‘ongemakkelijk’, gezien de eigen reputatie, en ook lastig om een school te vinden waar deze student zijn examen kan doen. Anderzijds duurt het maar een dag, personeel van de opleiding is toch aanwezig en kan dan best op de student letten. Deze inspanning mag van de opleiding worden gevergd. De belangen van de student zijn te groot. Hij investeerde vier jaar en slaagde voor alle examens. Als hij niet mag afstuderen kan hij ook niet naar eventueel een andere HBO opleiding. Het wachten op de strafzaak kan nog jaren duren, zegt de rechter. En vooralsnog is hij onschuldig. De school moet hem tot het examen toelaten.

Lees hier de uitspraak (ECLI:NL:RBGEL:2014:7595)

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 12 januari 2015

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Tom Barkhuysen en Machteld Claessens schreef op :

De kortgedingrechter van de rechtbank Gelderland heeft zich gebogen over een lastige zaak: mag een student die van ontucht met minderjarigen wordt verdacht, worden geweerd van zijn laatste examen van de mbo-opleiding Sport en bewegingscoördinator? De uitspraak laat zien dat de kortgedingrechter worstelt met deze zaak. Zij vindt het standpunt van het betrokken ROC “begrijpelijk”, maar komt voor dat ROC toch tot een “ongemakkelijke” uitspraak.

Het ontbreekt het ROC namelijk aan een juridische grondslag om de student te kunnen weren. Bovendien zouden de gevolgen voor de student (te) ingrijpend zijn – hij behaalt geen diploma; opschorting van zijn examen totdat er een strafrechtelijke uitspraak is kan nog jaren duren – terwijl het nog te verrichten praktijkexamen onder strenge controle doorgang zou moeten kunnen vinden ter voorkoming dat de student “buiten aanwezigheid van anderen contact heeft met een minderjarige.” Daarbij erkent de rechtbank overigens wel het praktische probleem dat mogelijk geen school aan ‘de proeve van bekwaamheid’ van de opleiding zou willen meewerken.

Bij het lezen van de uitspraak dachten wij direct aan de kwestie met betrekking tot een pedofiele student die zich wilde inschrijven aan de Universiteit Leiden voor de opleiding Pedagogiek. De universiteit weigerde deze inschrijving met als reden dat de eigenschappen van de student in kwestie “zozeer haaks staan” op hetgeen de opleiding als uitgangspunt hanteert, dat het de opleiding kort gezegd zou ontwrichten. Het College van Beroep van het Hoger Onderwijs kwam tot het oordeel dat de universiteit terecht had kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid die artikel 7.37 lid 1 WHW ter zake biedt (uitspraak 20 juni 2008, kenmerk 2008/008).

In de Wet educatie en beroepsonderwijs, die in de onderhavige casus van toepassing is, is net als in de andere onderwijswetten geregeld dat een docent in het bezit moet zijn van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) (in het kader waarvan ook openstaande strafzaken worden onderzocht). De ratio van deze verplichte VOG is dat de kwetsbare groep kinderen moet worden beschermd tegen het risico op bijvoorbeeld ontucht. Het zou logisch zijn wanneer een VOG ook voor een stagiair wettelijk verplicht zou worden gesteld, wat als mooie bijkomstigheid heeft dat de school waar de student de opleiding volgt dan ter zake niet zelf een beoordeling hoeft te maken (daarvoor ontbreekt het haar ook aan de nodige expertise). De VOG zou bijvoorbeeld (jaarlijks) bij de inschrijving aan de opleiding kunnen worden bijgevoegd.

Anders dan in de mbo-sector kunnen in het hoger onderwijs aan de toekomstige student naast de vooropleidingseisen ook (nu al) concrete aanvullende eisen worden gesteld, zoals de eis van “voldoende aanleg en geschiktheid” voor de opleiding tot leraar Lichamelijke Opvoeding (vgl. artikel 7.26 WHW en bijlage D bij de Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs). Een dergelijke eis is ook goed denkbaar in andere onderwijssectoren. Daarvoor zou dan eveneens de wet moeten worden aangepast. Overigens kan de school met een dergelijke regeling in beginsel alleen invloed uitoefenen ten tijde van de inschrijving en niet zozeer wanneer de student al is ingeschreven. Een (aangepaste) onderwijsovereenkomst tussen het ROC en de student, en de al besproken regeling over de VOG zouden in dat verband de nodige verdere waarborgen kunnen bieden.

Tom Barkhuysen is advocaat bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden & Machteld Claessens is advocaat bij Stibbe, beiden zijn NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.