De Uitspraak: Mag de dokter op eigen houtje een rijbewijs laten weigeren?

Mag de dokter de Staat op eigen initiatief waarschuwen een patiënt een rijbewijs te weigeren?

De Zaak.

Een neuroloog adviseert het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om een patiënt ‘absoluut geen rijbewijs’ te geven. De nog jonge man heeft hersenschade door een ongeval. Het kost hem moeite zijn boosheid onder controle te krijgen.
De patiënt was voor hij de neuroloog bezocht, echter psychiatrisch goedgekeurd door het CBR. Door de brief van de neuroloog duurde het alsnog een jaar voordat hij een rijbewijs kreeg. De patiënt dient een klacht in bij het Tuchtcollege wegens het schenden van het medisch ambtsgeheim.

Wat heeft de patiënt?

In mei 2011 kreeg hij met zijn motor een ongeval met hersenletsel als gevolg: subduraal hygroom (vochtophoping in schedelholtes), hemorragische contusiehaarden (ernstige bloeding en kneuzingen) en diffuse axonale schade (verspreide schade door versnelling of vertraging na een botsing). Na revalidatie bleef de motorrijder kampen met sombere en ‘slechte’ gedachten. Ook had hij last van schokkende bewegingen. Verder werd hij regelmatig boos, wat pas na een paar uur weer zakte.

Wat brengt de neuroloog tot zijn advies?

Een rij-instructeur werd bedreigd door zijn patiënt, wat resulteerde in de plicht schadevergoeding te betalen. Bij het afleggen van een rijexamen was hij zo agressief tegen de examinator dat deze door de politie moest worden ontzet. Daarna eiste het CBR een psychiatrische keuring, waar de patiënt dus voor slaagde.

Hoe verliep de behandeling?

De neuroloog raakte na de revalidatie bij de patiënt betrokken. Hij verwees hem naar een neuropsychiatrisch behandelcentrum. Maar daar kwam hij zo vaak niet opdagen dat hij werd uitgeschreven. Als hij weer op consult komt, concludeert de neuroloog dat hij gezien zijn gedrag ongeschikt is voor een rijbewijs. Volgens de neuroloog zegt hij dat ook tegen de patiënt en krijgt hij toestemming om dat per brief aan het CBR mee te delen. De laatste zin van de brief luidt: "Patiënt weet dat ik dat vind en weet ook dat ik dit briefje schrijf".
Als het CBR daarna het rijbewijs op de lange baan schuift, komt de patiënt echter onaangekondigd op het spreekuur, spuugt de dokter in het gezicht en bedreigt hem. De patiënt zegt nooit meer iets met de dokter te maken willen hebben. Behalve dan bij de tuchtrechter. Daar zegt hij dat hij helemaal geen toestemming gaf om het CBR in te lichten. Hij wil juist zo snel mogelijk een rijbewijs.

Wat zegt het Tuchtcollege?

Uit de brief volgt niet dat de patiënt inderdaad toestemming gaf om het CBR in te lichten. Dat de patiënt weet dat de neuroloog hem ongeschikt vond en dat hij een brief zou schrijven, wil nog niet zeggen dat de patiënt het dan ook met de inhoud eens is. Dat de dokter de beste bedoelingen had – het voorkomen van problemen – helpt niet. Van overmacht was evenmin sprake. De klacht is dus gegrond. De neuroloog krijgt een waarschuwing, maar wordt ook een beetje getroost. De waarschuwing moet hij zien als een „zakelijke terechtwijzing” voor een onjuiste handelwijze waarop "geen stempel van laakbaarheid drukt".

Lees hier de uitspraak (ECLM:NL:TGZRAMS:2014:91 via: Tuchtrecht.nl).

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 3 november 2014

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Joep Hubben schreef op :
Het beroepsgeheim blijft een bron van geschillen in de gezondheidszorg. Soms gaat het om een flagrante schending van het beroepsgeheim, zoals het boek “Le grand secret” dat Claude Gubler, lijfarts van de Franse oud-president François Mitterand kort na diens overlijden publiceerde en waarin hij o.a. onthulde dat zijn patiënt in 1981 al wist dat hij aan kanker leed maar verlangde dat dit als een staatsgeheim werd bewaard. Een ander minder evident voorbeeld is de geruchtmakende Leidse balpenmoord. Die zaak werd op gang gebracht door een psychologe die aangifte bij de politie deed toen haar patiënt tijdens een therapiesessie aan haar toevertrouwde dat hij zijn moeder om het leven had gebracht door haar met een kruisboog een balpen door het oog te schieten. De psychologe is veroordeeld wegens het schenden van het beroepsgeheim. Hier lag de beoordeling al moeilijker omdat de vraag was of er een voldoende noodzaak was tot doorbreking van het beroepsgeheim nu de moeder immers al was overleden.

Over het beroepsgeheim bestaan ook bij dokters misverstanden. Een belangrijk misverstand is dat het beroepsgeheim een eigen recht van de dokter is. Dat misverstand wordt wellicht gevoed door het feit dat bij het afleggen van de eed van Hypocrates (die overigens zonder juridische betekenis is) door de arts wordt verklaard dat het beroepsgeheim in acht zal nemen. Het geheim behoort toe aan de patiënt. De arts moet dat geheim bewaren door te zwijgen. Daarbij gaat het om het algemeen belang van een vrije toegang tot de gezondheidszorg. Een patiënt moet zich zonder schroom tot een arts kunnen wenden zonder daarbij te vrezen dat vertrouwelijke gegevens bekend worden bij derden. Om die reden is het beroepsgeheim ook wettelijk beschermd en is het belang van de opsporing van strafbare feiten daarbij ten achter gesteld.

Ook de neuroloog in deze casus lijkt ervan uit te gaan dat het aan hem is om te beslissen of hij het beroepsgeheim kan doorbreken door het schrijven van een alarmerend briefje aan het CBR. De hoofdregel is dat het beroepsgeheim alleen doorbroken kan worden met toestemming van de patiënt. Die toestemming kan niet worden aangenomen op grond van het enkele feit dat de neuroloog aan de patiënt de mededeling heeft gedaan dat hij een dergelijk briefje gaat schrijven. In dat opzicht is de beslissing van het tuchtcollege terecht: er was geen toestemming van de patiënt.

Naast toestemming van de patiënt is het bestaan van een wettelijk voorschrift een tweede grond voor doorbreking van het beroepsgeheim. Het standaardvoorbeeld is de wettelijke regeling rond besmettelijke ziektes. Die uitzonderingsgrond is in deze casus niet relevant. Een derde uitzonderingsgrond is er indien de arts zich erop kan beroepen dat het handhaven van het beroepsgeheim hem in een noodtoestand in de zin van een conflict van plichten brengt. De criteria voor een beroep op het conflict van plichten zijn dat alles in het werk is gesteld toestemming te verkrijgen; niet doorbreken van het geheim ernstige schade oplevert; er geen andere weg is om het probleem op te lossen; het vrijwel zeker is dat doorbreking van het geheim de schade kan beperken en het geheim zo min mogelijk wordt doorbroken. De neuroloog had er beter aan gedaan zich op een conflict van plichten te beroepen. In het verleden heeft een arts die hulp verleende aan een dronken motorrijder en de politie waarschuwde toen de motorrijder zijn weg (per motor) vervolgde met succes een beroep op een conflict van plichten gedaan: de klacht over schending van het beroepsgeheim werd ongegrond verklaard. Ik waag het zeer te betwijfelen of dit de neuroloog ook zou zijn gelukt. Zelfs het eerste criterium is volgens het Tuchtcollege niet vervuld: er is niet eens duidelijk om toestemming gevraagd. Het is helder dat de neuroloog reden had om ernstig bezorgd te zijn, al is opmerkelijk dat kort tevoren een psychiater concludeerde dat de patiënt in kwestie zonder beperking een rijbewijs kon krijgen. De slotsom: een goede reden tot bezorgdheid is onvoldoende grondslag voor doorbreking van het beroepsgeheim.

Joep Hubben is hoogleraar gezondheidsrecht in Groningen en NJB-expert.
Aart Hendriks schreef op :

Waarom krijgt die dokter geen lintje?

Velen zullen na lezing van deze uitspraak denken: wat bezielt het tuchtcollege in hemelsnaam? Waarom geven ze die dokter geen lintje?

Afgaande op de feiten was er alle reden voor de arts om niet te staan juichen bij het idee dat zijn patiënt weer zou gaan autorijden. Er is weinig voor nodig om in te zien dat de man een potentieel gevaar vormt voor zichzelf en andere verkeersdeelnemers. Als een dergelijke patiënt dan aangeeft weer achter het stuur te willen kruipen, kan je dat als arts niet negeren. Een arts heeft ook verantwoordelijkheden jegens de samenleving, aldus onder meer de Eed van Hippocrates en de Gedragsregels voor artsen.

Maar als behandelend arts heb je allereerst je verantwoordelijkheden jegens je patiënt. Die moet je op zijn voornemens en de daaraan verbonden gevaren aanspreken. Pas als zo’n gesprek niets oplevert en indien het dreigende gevaar niet anderszins kan worden afgewenteld – bijvoorbeeld door een gesprek te arrangeren met een familielid erbij – kan een arts overwegen zijn beroepsgeheim te doorbreken. De arts verkeert dan namelijk in een spagaat: enerzijds heeft hij een zwijgplicht, anderzijds de plicht gevaar voor leven en welzijn te voorkomen. Juridisch noemen we dat een conflict van plichten. In zo’n geval kan de arts besluiten zijn geheimhoudingsplicht te doorbreken met het oog op een groter goed, te weten de verkeersveiligheid.

Ook bij een conflict van plichten dient een arts echter zorgvuldig te werk te gaan. En dat was hier niet het geval. Volgens de uitspraak heeft de arts enkel medegedeeld dat hij het CBR zou informeren. Uit niets blijkt dat hij het gesprek is aangegaan of anderszins heeft getracht de man op andere gedachten te brengen.

Dan bij de tuchtrechter volhouden dat je de toestemming had van de patiënt om je beroepsgeheim te doorbreken, is onverstandig. Dat is niet alleen feitelijk onjuist, maar bovendien was niet aannemelijk dat was voldaan aan de voorwaarden voor doorbreking van het beroepsgeheim. Had de advocaat de arts hierop niet kunnen wijzen? Hoe het ook zij, de tuchtrechter kan dan weinig anders doen dan de klacht gegrond verklaren. Volgens de wet moet de tuchtrechter dan ook een maatregel opleggen. In de praktijk ziet de tuchtrechter daar soms vanaf, bijvoorbeeld als een maatregel niets toevoegt of bij bijzondere omstandigheden. En op dit punt kan ik het tuchtcollege niet volgen. Het tuchtcollege doet voorkomen dat het slechts een waarschuwing, de lichtste maatregel, oplegt gelet op het zelfinzicht van de arts en het feit dat hij door de patiënt bedreigd en bespuugd is. Daarmee suggereert het tuchtcollege dat de maatregel anders hoger was uitgevallen. Waarom laat de tuchtrechter nergens doorklinken dat artsen, mits aan strikte voorwaarden is voldaan, bij ernstig gevaar hun beroepsgeheim mogen doorbreken? Een gemiste kans, waarvan hopelijk geen chilling effect uitgaat op andere artsen. Want hoewel een arts het belang van de patiënt centraal moet blijven stellen, kunnen er zich omstandigheden voordoen waar doorbreking van het beroepsgeheim is aangewezen.

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.