De Uitspraak: Kun je geschrapt worden als arts omdat je probeerde je vrouw te vermoorden?

Ben je te handhaven als arts als je een straf uitzat wegens poging tot moord op je vrouw door brandstichting?

De Zaak.

De Inspectie Gezondheidszorg wil een arts laten schorsen en definitief schrappen uit het register. De man zat een straf van 15 jaar uit wegens opzettelijke brandstichting en poging tot moord op zijn gescheiden vrouw. De Inspectie vindt dat er in dit geval geen onderscheid gemaakt kan worden tussen privé en beroepsgedragingen, zoals in het medisch tuchtrecht gebruikelijk. Iemand van het leven proberen te beroven gaat zodanig recht in tegen beroepsnormen als respect voor het leven dat geen patiënt zo’n arts kan vertrouwen, meent de IGZ. Zo’n arts is ook niet veilig.

Hoe verliep de reclassering van de arts?

De arts heeft in de cel met toestemming van justitie zijn vak bijgehouden. Hij verdiepte zich in homeopathie en liep met toestemming van de reclassering vanuit de gevangenis stage in een huisartsenpraktijk. Via een penitentiair programma liep hij, met een elektronische enkelband stage in een verpleeghuis waar hij ook werd toegelaten tot de opleiding ouderengeneeskunde. Reclassering Nederland adviseerde daarover positief omdat er geen verband zou zijn tussen zijn delict en zijn werk.

De arts werd echter door het verpleeghuis ontslagen toen journalisten zijn verleden onthulden. De arts had dat verzwegen en het verpleeghuis informeerde er niet naar, noch eiste het een Verklaring omtrent het Gedrag. Ook een aanstelling als voetreflex therapeut bij een schoonheidsinstituut mislukte, na media aandacht. Deze maand werd de arts ook nog tot een maand cel en een taakstraf van 80 uur veroordeeld wegens mishandeling van zijn vriendin en haar moeder.

Waarover gaat het dispuut?

Mag de Inspectie ook klachten indienen bij het medisch tuchtcollege over privégedrag van artsen? De Inspectie verwijst naar het tuchtrecht voor advocaten en deurwaarders waarin dat onderscheid ook niet wordt gemaakt. De arts zegt echter dat de tuchtrechter privé gedrag alleen mag beoordelen als dat een ‘acute, werkelijke en ernstige bedreiging’ vormt voor een ‘fundamenteel belang van de samenleving’. Dat strenge criterium ontleent de arts aan een zaak tegen een collega die zich in Irak in een gevangenis aan marteling schuldig maakte en daarna in Nederland werd geschrapt als arts. Hij wijst er ook op dat zijn strafzaak al bijna was verjaard.

Hoe oordeelt de tuchtrechter?

Die vindt de moordpoging en het brandstichten door de arts ‘uiterst verwerpelijk’ maar geen zaak waar de Inspectie over kan klagen. Het gebeurde in de relationele sfeer en duidelijk niet ‘in de hoedanigheid van arts’. Toen de wet werd opgesteld is voor deze strenge inperking gekozen. De tuchtrechter hield zich er ook steeds aan. ‘Dit is nimmer op bezwaren gestuit’, aldus het college. Anders zou de deur voor iedereen open gaan om over privégedrag te klagen.

Blijft de man dus arts?

Dat hoeft niet. De inspectie kan bij het College van Medisch Toezicht een onderzoek vragen naar de psychische gesteldheid van de arts. De strafrechter had al een ernstige persoonlijkheidsstoornis en licht verminderde toerekeningsvatbaarheid vastgesteld. Een nieuw psychiatrisch onderzoek kan alsnog tot ongeschiktverklaring leiden.

De uitspraak (ECLI NL TGZRZWO 2013 51) is hier te vinden.

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Bron afbeelding: jasleen_kaur

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 23 december 2013

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
De in dit artikel aangehaalde tuchtrechtelijke uitspraak (ECLI NL TGZRZWO 2013 51) gaat m.i. niet over een arts die strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld.
Dit artikel gaat m.i. wel over de wens van de Inspectie Gezondheidszorg om een dergelijke (fictieve?) arts te schorsen en definitief te schrappen uit het BIG register.
Niettegenstaande de ter zaken doende tuchtrechtelijke uitspraak door mij niet gelezen kon worden, kan ik de reactie van Aart Hendriks op 23 december 2013 grotendeels bijtreden, vermits deze minder een beroep doet op de publieke emotionaliteit en meer refereert aan de internationale, Europese en onze nationale wetten.
a.zecha
Joep Hubben schreef op :

Tuchtrecht is dringend aan herziening toe

1. Deze beslissing legt enkele tekortkomingen bloot van het tuchtrecht in de gezondheidszorg: de tuchtnorm is dringend aan herziening toe en het College ven Medisch Toezicht functioneert niet. Beide tekortkomingen zijn uitvoerig aan de orde gesteld in het lijvige evaluatierapport over de wet BIG (het tuchtrecht is in die wet ondergebracht), waarvan ik mede-auteur ben en dat uitgerekend op de dag van deze beslissing van het tuchtcollege aan de Tweede Kamer is gestuurd. Klik hier voor de Tweede Evaluatie Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidzorg, Den Haag, ZonMw, november 2013.

2. De wet (art 47)kent twee tuchtnormen. De eerste betreft, kort gezegd, tekortschieten in de zorg van een medisch beroepsbeoefenaar ten opzichte van de patiënt en diens naasten. Daarnaast is er een tweede, meer algemene tuchtnorm die zich uitstrekt over enig ander handelen of nalaten (dan de eerste norm bedoelt) “in die hoedanigheid” (bedoeld wordt de hoedanigheid waarin iemand is geregistreerd en daarmee onder het tuchtrecht valt) “in strijd met het belang van een goede individuele gezondheidszorg”.

3. De tweede tuchtnorm is een atavisme. Dat is al vastgesteld in de eerste evaluatie van de Wet BIG die uit 2002 dateert. Omdat de wetgever met die kritiek niets heeft gedaan is dat opnieuw breed gemotiveerd in het zojuist verschenenen, lijvige rapport. Het gaat daarbij om twee tekortkomingen.

De norm beperkt zich tot “individuele gezondheidszorg”. Die formulering en de interpreatie daarvan geeft onvoldoende ruimte om de arts die in een organisatorische functie (bijvoorbeeld als bestuurder van een ziekenhuis) ernstig te kort schiet (bijvoorbeeld onvoldoende kwaliteitscontrole waardoor ernstige schade ontstaat) werkzaam is, met een klacht bij het tuchtcollege ter verantwoording te roepen. De redenering is dan dat de arts-bestuurder geen rechtstreeks individuele gezondheidszorg uitoefent. Het tuchtrecht raakt de aansluiting kwijt met de moderne ontwikkelingen in de gezondheidszorg – steeds meer samenwerking, ketenzorg etc. – indien degenen die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van de samenwerking en keten, indien daartoe goede aanleiding is, niet (ook) tuchtrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen.

De tweede beperking is dat het moet gaan om handelen in de hoedanigheid van beroepsbeoefenaar. Dat is het springende punt in de onderhavige beslissing van het tuchtcollege. Het college heeft het wel bij het rechte eind door te overwegen dat de arts niet in de hoedanigheid van arts aan twee drugsverslaafden opdracht gaf om het huis van zijn ex-vrouw in brand te steken en zij als gevolg daarvan ernstig is verminkt. Ook is aannemelijk dat de arts niet in zijn hoedanigheid als arts ernstig recidiveerde door ook zijn nieuwe vriendin en haar moeder zo ernstig te mishandelen dat dit tot een tweede strafrechtelijke veroordeling leidde. Maar moet de constatering dat deze feiten niet in de hoedanigheid van arts zijn gepleegd eraan in de weg staan dat na dergelijke delicten in een tuchtrechtelijke procedure kan worden getoetst of beperkingen in de beroepsuitoefening geboden zijn in het belang van de kwaliteit van de gezondheidszorg? Ik meen van niet. Het is toch alleszins redelijk en noodzakelijk om na te kunnen gaan of een arts die in zijn naaste omgeving personen ernstig mishandelt misschien de geschiktheid mist om bijvoorbeeld werkzaam te zijn in een instelling voor verstandelijk gehandicapten of geestelijk gestoorde bejaarden. Daarom is in het rapport dat nu bij de Tweede Kamer ligt, de dringende aanbeveling gedaan om in de tweede tuchtnorm m.n. de toevoeging “in die hoedanigheid” te schrappen. Een arts, en andere geregistreerde beroepsbeoefenaren, moeten tuchtrechtelijk getoetst kunnen in het geval sprake is van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk beroepsbeoefenaar niet betaamt. Niemand hoeft er lang over na te denken dat bij een arts die zich niet ontziet om, zij het als privepersoon, aan te zetten tot brandstichting met de bedoeling iemand om het leven te brengen en ook nog bij herhaling personen mishandelt, de tuchtrechter de mogelijkheid moet hebben serieus te onderzoeken of die arts nog wel in de patientenzorg werkzaam kan zijn. Anders is het tuchtrecht niet serieus. Hier is snelle reparatie door de wetgever nodig. Anders blijft de tuchtrechter in een volgende zaak weinig anders over dan weer tot niet-ontvankelijkheid te besluiten. Overigens is de beperking tot “hoedanigheid” ook niet opgenomen in het tuchtrecht voor advocaten en notarissen. Wij spreken dan over “ongedeeld tuchtrecht”.

Iets anders is nog dat het tuchtcollege verwijst naar de mogeljkheid om een klacht in te dienen bij het College van Medisch Toezicht. Dat College functioneert echter feitelijk niet, zoals ook in het evaluatierapport valt te lezen. In dat rapport bepleiten wij dat het College van Medisch Toezicht snel wordt geintegreerd in de tuchtcolleges. De minister van VWS heeft bij herhaling aangekondigd dat dit staat te gebeuren. Ook daarbij is haast geboden zodat het tuchtrecht de voor haar geloofwaardigheid broodnodige slagkracht kan uitstralen.

Joep Hubben is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Groningen en NJB-expert.

Aart Hendriks schreef op :

Tuchtcollege Zwolle oordeelt volkomen terecht

De Inspectie voor de Gezondheidszorg vindt het onwenselijk dat een persoon het beroep van arts uitoefent, terwijl hij eerder was veroordeeld wegens het in brand laten steken van zijn ex-partner. Wie is het daarmee oneens? Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ziet echter geen aanleiding de inschrijving als arts in het BIG-register door te halen. Hoe kan dat? En waarom is dat juridisch een loepzuivere beslissing?
De wetgever heeft bij de invoering van de Wet BIG (1997) bewust gekozen voor een systeem van tuchtrecht ter waarborging van de goede beroepsuitoefening. Dit sluit aan bij de doelen van de Wet BIG: het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en het beschermen van patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Hoe artsen en andere BIG-geregistreerden zich privé gedragen is daarom geen zaak voor de tuchtrechter. Dat is slechts anders indien hun privégedrag van invloed is op de beroepsuitoefening. Daarbij kan worden gedacht aan een alcoholverslaving of het aangaan van een seksuele relatie met een patiënt.
Onder de oude Medische Tuchtwet was dit anders. De tuchtrechter was toen ook bevoegd te oordelen over privégedragingen die het ‘vertrouwen in de stand der geneeskundigen’ ondermijnden. Dat liet ruimte om te oordelen over de vraag of iemand die zijn ex-partner in brand had laten steken wel het vak van arts kon uitoefenen. De beperktere focus van de Wet BIG verklaart echter waarom de tuchtrechter de Inspectie thans niet-ontvankelijk verklaart.
Los daarvan is er een andere reden waarom we niet te snel moeten overgaan tot een algeheel beroepsverbod voor ex-gedetineerden. Een persoon die zijn vrijheidsstraf uitzit, zoals de aangeklaagde arts, moet de mogelijkheid krijgen te resocialiseren. Door zo’n persoon te verbieden zijn vak uit te oefenen, wordt hij als het ware dubbel gestraft. Een beroepsverbod ligt alleen voor de hand indien er een aantoonbaar risico bestaat dat de betrokkene nogmaals hetzelfde delict begaat in het kader van de beroepsuitoefening. Daarvan was in deze situatie volgens Reclassering Nederland geen sprake.
Om diezelfde reden vind ik het bedenkelijk dat de minister beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wil verplichten in het bezit te zijn van een recente Verklaring Omtrent Gedrag. De voorspellende waarde van zo’n verklaring is bij mijn weten nooit aangetoond. Deze maatregel levert bovenal administratieve lasten op en draagt niet echt bij aan patiëntveiligheid.
Zorgelijk vind ik wel dat eerder bij de aangeklaagde arts een ernstige persoonlijkheidsstoornis was geconstateerd. Dat is een dringende reden om de inschrijving in het BIG-register kritisch tegen het licht te houden. Het tuchtcollege wijst de Inspectie er fijntjes op dat zij dan een procedure bij het College van medisch toezicht had moeten starten, dat speciaal voor dit soort zaken is ingesteld.
Pluim daarom voor het Tuchtcollege Zwolle dat het niet is gezwicht voor emoties, hoezeer ik ook begrijp dat mensen zich niet willen laten behandelen door een arts die zijn partner in brand heeft laten steken. En schrale troost voor de Inspectie: de taken van het College van medisch toezicht worden naar alle waarschijnlijkheid binnenkort ondergebracht bij de tuchtcolleges.

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.