De Uitspraak: Kun je de schade van je gesloten café verhalen op de barvrouw die er drugs dealde?

Kun je de schade van je gesloten café verhalen op de barvrouw en een klant die er drugs dealden?

De Zaak.

In 2009 valt de politie een café in Medemblik binnen en arresteert de barvrouw en twee aanwezigen. De barvrouw verkocht onder de toonbank aan klanten pakketjes coke van 0.8 gram. Van de twee bezoekers was de één leverancier en de ander (ook) verkoper. De vraagprijs was € 50, waarvan de verkopers € 20 als winst mochten houden. In het café werden 21 pakjes coke aangetroffen. Het drietal wordt strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld. De gemeente trekt de horeca-vergunning in en sluit het café op grond van de Opiumwet voor 12 maanden. Over een onderzoek ten bate van een nieuwe vergunning doet de gemeente drie maanden, zodat het café pas na 15 maanden heropent.

Wat wil de eigenaar?

Hij eist bij de kantonrechter ongeveer € 95.000 schadevergoeding. Een bedrag dat zowel de drugsverkoper als zijn barvrouw hem moeten betalen. Hij onderbouwt dat met omzetcijfers uit de jaren voor 2009. De kantonrechter wijst dat toe. De schade is volgens de rechter een direct gevolg van het onrechtmatig handelen door de twee cokeverkopers. De caféhouder draagt geen schuld aan de sluiting. Er is ook geen reden de hoogte van het schadebedrag te matigen. De barvrouw en de klant gaan in beroep.

Wat voeren de cokeverkopers aan?

De sluiting van het café kan echt niet helemaal op hun conto worden geschreven. Het stond immers plaatselijk bekend als een drugscafé. Er zijn ook vaker incidenten geweest, waarbij het om coke ging. De eigenaar had dus kunnen weten dat er drugs om gingen in het café. Hij had ook maatregelen kunnen nemen om dat te voorkomen, maar liet dat na. Het is dus niet fair om de volledige schade voor hun rekening te laten komen.

Hoe oordeelt het Gerechtshof?

Die gaat mee in het verweer van de cokeverkopers. Uit het intrekkingsbesluit van de gemeente en het politierapport blijkt dat er in het café inderdaad vaker is gehandeld in coke. Er waren dus meer oorzaken voor de sluiting dan alleen de arrestatie van het tweetal. Zij kunnen financieel dus niet volledig aansprakelijk gehouden worden. Anderzijds wist het tweetal ook dat Medemblik een scherp antidrugsbeleid voert. Maar zij hoefden nu ook weer niet te voorzien dat hun verkoop tot een jaar sluiting zou leiden. 'In redelijkheid' kan het tweetal een half jaar sluiting worden aangerekend; daarom moet hun aansprakelijkheid worden beperkt voor ieder tot zes van de vijftien maanden sluiting. Ze moeten daarom ieder € 36.898,51 betalen aan de café-eigenaar.


Lees hier de uitspraak (ECLI:NL:GHAMS:2014:4240).

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 1 december 2014

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Sjef van Swaaij schreef op :

Een plek waar gedeald werd...

Dat de eigenaar van het café volgens het hof geen recht heeft op volledige schadevergoeding, vergt enige toelichting.

Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden, zo bepaalt artikel 6:162 van ons Burgerlijk Wetboek. Uitgangspunt is hiermee dat alle schade die er zonder de onrechtmatige daad niet zou zijn geweest vergoed moet worden.

Soms kan dat wringen. Een schilder loopt door een fout van zijn collega een lichte verwonding op aan zijn hand waarvan (bijna) iedereen geneest, maar moet daarvoor zekerheidshalve even naar de huisarts. Onderweg overkomt hem een verkeersongeval. Dit maakt een operatie noodzakelijk. Bij deze operatie treedt een zeldzame complicatie op waardoor de schilder blijvend invalide wordt. Moet die collega zijn inkomensschade vergoeden? Wèl wat betreft dit artikel 6:162, want zonder die fout hoefde hij niet naar de huisarts. Maar het speciaal voor verplichtingen tot betaling van schadevergoeding geschreven artikel 6:98 BW beperkt de consequenties van voornoemd uitgangspunt dat alle schade vergoed moet worden die er zonder de onrechtmatige daad niet zou zijn. Het bepaalt dat slechts voor vergoeding in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. In de wet staat niet wanneer aan deze maatstaf voldaan is. In abstracto valt dat ook moeilijk te zeggen. De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten.

Afgelopen weekend stond in het Nederlands Juristenblad een stuk van de Maastrichtse hoogleraar Burgerlijk recht T. Hartlief, die daarin kort en bondig laat zien dat ons hoogste gerecht, de Hoge Raad der Nederlanden, en de rechtswetenschap verzuimd hebben om de problematiek opnieuw te doordenken: een invloedrijke publicatie van de Groningse hoogleraar wijlen C.J.H. Brunner met daarin zes op jurisprudentieanalyse gebaseerde ‘vuistregels’ dateert al weer van bijna 35 jaar geleden en de tijd heeft niet stilgestaan. Hartlief lanceert een op ook latere, waaronder recente, rechtspraak gebaseerd beslisschema dat ongetwijfeld zijn nut voor de praktijk zal bewijzen. Is het gevolg normaal, typisch, in de lijn der verwachtingen liggend? Zo ja, dan vindt volgens dit schema toerekening plaats. Zo neen, dan is toerekening weliswaar niet uitgesloten, maar is er iets nodig wat haar, ondanks het abnormale gevolg, rechtvaardigt. De rechtvaardiging kan bijvoorbeeld zijn dat de onrechtmatige daad bestaat in het schenden van een norm die er nu juist is ter verhoging van de veiligheid (zoals de verkeersregel dat je niet door rood mag rijden) of dat het gaat om een bijzondere schadesoort, zoals schade veroorzaakt door lichamelijk letsel of het gegeven dat de schade opzettelijk is veroorzaakt dan wel dat de veroorzaker een ernstig verwijt valt te maken. Zonder zo’n rechtvaardiging vindt in dit schema geen toerekening plaats bij een abnormaal gevolg. Weliswaar is discussie mogelijk omtrent de vraag of een gevolg abnormaal is en of iets een rechtvaardiging oplevert, maar gezien de helderheid ervan, zal dit schema advocaten en rechters verder brengen, want meer houvast geven.

Terug naar de ongelukkige schilder. Blijvende invaliditeit als gevolg van voornoemde lichte verwonding aan zijn hand is een abnormaal gevolg, zodat de collega de schade door invaliditeit niet hoeft te vergoeden, tenzij er een rechtvaardiging is. Had de collega geen opzet en overtrad hij geen veiligheidsnorm, dan ligt toerekening niet voor de hand, ook al gaat het hier om letselschade.

Hoe zit het nu met ’s hofs oordeel dat de café-eigenaar slechts recht heeft vergoeding van 6/15 van zijn schade? Het hof baseert dit resultaat op voornoemd artikel 6:98. Alleen indien het een abnormaal gevolg zou zijn dat het café vijftien maanden lang dicht was, maar dat is het niet, zou ’s hofs beslissing in voornoemd schema passen. Zelfs als het een abnormaal gevolg is, dan zal de barvrouw samen met de coke verkopende bezoeker wat betreft dit wetsartikel toch de volledige schade moeten vergoeden in dit schema als er een rechtvaardiging is voor toerekening. Welnu, hen kan een ernstig verwijt gemaakt worden. Daarmee dringt zich sterk de vraag op of de door het hof gekozen weg de juiste is. Een andere weg ligt wellicht meer voor de hand: art. 6:101 BW. Dit betreft de eigen schuld van het slachtoffer en kent een hoofdregel die ertoe strekt dat de schadevergoedingsplicht verminderd wordt als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (veroorzaakte deze omstandigheid 40% van zijn schade, dan krijgt hij slechts 60% ervan vergoed). Volgens het hof was in deze zaak niet aangevoerd of gebleken dat sprake is van een omstandigheid die aan de caféeigenaar kan worden toegerekend. Het stelde echter vast dat het café plaatselijk bekend stond als plek waar gedeald werd. Weliswaar wist de eigenaar dit mogelijk niet, maar volgt daar uit dat van zo’n aan de eigenaar toe te rekenen omstandigheid ‘dus’ geen sprake zou zijn geweest? Ook als de eigenaar die wetenschap niet had en dit niet te wijten is aan zijn schuld, is toerekening toch mogelijk als de zogeheten verkeersopvatting dat meebrengt. Omdat ik het dossier niet ken, kan ik echter niet beoordelen of het hof (ook) op dit specifieke punt een steek heeft laten vallen.

Sjef van Swaaij is advocaat (civiele cassatie) in Nijmegen en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.