De Uitspraak: Kan de baas een gestolen leaseauto verhalen op de werknemer?

Kan de werkgever de diefstal van een leaseauto door slordigheid van de berijder op hem verhalen?

De Zaak.

Een verzekeringsarts doet iets doms met zijn lease BMW, die hij tegen een eigen bijdrage ook privé mag gebruiken. Hij laat de autosleutel aan zijn sleutelbos in de voordeur zitten, terwijl hij even achter het huis met de hond bezig is. In die periode wordt de auto gestolen, dankzij de achtergelaten sleutel. De werkgever, een pensioenfonds, eist daarop ruim € 29.000 euro terug van de arts, de dagwaarde van de auto. Later wordt het bedrag verlaagd tot € 11.500 De auto is binnen een paar maanden teruggevonden en wordt door de leasemaatschappij, op verzoek van de werkgever verkocht, aan de hoogste bieder voor € 17.500.

Wat staat er in de verzekeringspolis en in de leaseregeling?

"De verzekering geeft geen vergoeding bij schade ontstaan door schuld, opzet of grove roekeloosheid", aldus de polis. En in de leaseregeling staat dat er niet wordt vergoed als er sprake was van "opzet, grove schuld, grove roekeloosheid of onzorgvuldig handelen van de verzekerde zelf". De verzekeraar en de werkgever vinden dat er sprake was van roekeloos en onzorgvuldig handelen door de arts.

Vindt de rechter ook dat de arts aansprakelijk is?

De zaak wordt door drie instanties behandeld – ze onderschrijven allemaal dat de arts wel een verwijt kan worden gemaakt. Maar geen ernstig verwijt. Van roekeloosheid of opzet, de wettelijke voorwaarden waaronder een verzekeraar niet aansprakelijk is, kan hier geen sprake zijn. In de polis die de werkgever afsloot is aansprakelijkheid uitgesloten bij grove schuld of onzorgvuldig handelen. De arts had geen andere keus dan de poliskeuze van zijn werkgever voor zijn auto te volgen.

Had de arts dan niet kunnen weten dat hij dus niet tegen eigen onzorgvuldig handelen was verzekerd?

Hierin komt de rechter de leaseautorijder royaal tegemoet. Het ligt voor de hand dat iemand met een leaseauto die ook privé zal gebruiken. Daarbij realiseert een bestuurder zich waarschijnlijk niet dat hij helemaal niet tegen zijn eigen domme fouten is verzekerd. Feitelijk heeft hij zich daar ook zelf niet voor kunnen verzekeren. Bij een eigen, particuliere auto denk je daarover zelf na. Bij een zakelijke auto niet. Er is een zo duidelijk verband tussen de arbeidsovereenkomst en de diefstal "dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is" als de werknemer zelf aansprakelijk zou zijn. Een werknemer hoeft ook niet te bedenken dat een nieuwe lease-auto niet all-risk verzekerd zou zijn. De werkgever mag daarom alleen bij roekeloosheid of opzet de werknemer aansprakelijk stellen. Een beperkte polis met meer risico voor de berijder geldt alleen als de arts daarvoor zelf bewust heeft kunnen kiezen. De Hoge Raad past de wettelijke maatstaf van ‘goed werkgeverschap’ toe en zegt dat alleen niet verzekerde schade "van meer dan geringe omvang" verhaal mag worden verhaald op een werknemer. Een werkgever mag zijn werknemer dus niet zomaar blootstellen aan grote schaderisico’s, die eenvoudig te ontlopen zouden zijn geweest met een andere poliskeuze.

Lees hier de volledige uitspraak (ECLI:NL:HR:2014:1629).


Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.


Bron afbeelding:
Håkan Dahlström


Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 23 september 2014

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Ronald Beltzer schreef op :

Arbeidsrechtelijke inkleuring van een privaatrechtelijke regel

Deze zaak is een prachtig voorbeeld van samengaan van arbeidsrecht en privaatrecht, zonder afbreuk te doen aan de doelen waar beide rechtsgebieden voor staan. Het privaatrecht gaat uit van de gelijkheid van partijen. Was de arts in kwestie niet in loondienst geweest, maar als zelfstandige aan de slag gegaan, dan had hij hoogst waarschijnlijk voor de schade moeten opdraaien. Hij had immers getekend voor afwijking van de wettelijke aansprakelijkheidsregels. Dan is het zijn risico als hij meer geïnteresseerd is in de kleur en het merk van de auto dan de kleine lettertjes waarin staat dat hij opdraait voor schade bij onzorgvuldig gedrag – de polis spreekt trouwens van het wat oubollige en nergens meer in de wet opgenomen “goed huisvader”.

Omdat de arts echter in loondienst was, komt het doel van het arbeidsrecht om de hoek kijken: ongelijkheidscompensatie en bescherming van de zwakkere partij. Dat doel uit zich in vele bepalingen, en hier is in het bijzonder art. 7:661 BW van belang, dat bepaalt dat de werknemer niet opdraait voor schade tenzij die het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Die toets is met opzet zwaar aangezet – de werkgever moet zo ongeveer een geestestoestand van de werknemer bewijzen. Het is dus niet de bedoeling dat de werknemer bij alles wat hij doet moet oppassen dat hij geen schade berokkent die hij zelf moet vergoeden. Kortom: onoplettendheid of zelfs een stommiteit komt nimmer voor rekening van de werknemer. Dan moet echter wel sprake zijn van “uitoefening van werkzaamheden”. Is daarvan geen sprake, zoals bij privé-gebruik van een overigens zakelijk verstrekte auto, dan geldt het ‘normale’ privaatrecht. Weg gelijkheidscompensatie, zou men dan denken, en dan geldt de oude rechtsregel van caveat emptor of, in modern Nederlands: wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.

Interessant aan deze zaak is nu dat de arbeidsovereenkomst doorwerkt in de privaatrechtelijke verhouding: die wordt als het ware arbeidsrechtelijk ingekleurd. Dat is iets wat we wel vaker hebben gezien. Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het ontbinden van een opdrachtovereenkomst wegens onvoorziene omstandigheden – privaatrecht – niet zwaarder behoeft te worden getoetst dan het ontbinden van een arbeidsovereenkomst (de bekende weg langs de kantonrechter, met bijbehorende ontslagvergoeding). De positie van de opdrachtnemer had wel wat weg van die van een werknemer. Ook een commissaris kreeg wel eens werknemers-ontslagvergoeding mee

Hoewel de advocaat van de werkgever een punt heeft als hij stelt dat het opzijzetten van een leaseregeling niet gemakkelijk moet kunnen – het moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn deze in stand te houden (art. 6:248 lid 2 BW), vermeldt hij niet dat een arbeidsrechtelijke inkleuring van deze regel meebrengt dat meer mogelijk is. Hierbij kunnen we aansluiten bij art. 7:611 BW – goed werkgever- en werknemerschap – , een bepaling die met opzet in de wet is opgenomen als een speciale kopie van art. 6:248 BW, om recht te doen aan de specifieke verhouding tussen werkgever en werknemer. En die komt hier nu juist prima uit de verf.

Prof. dr. Ronald M. Beltzer is hoogleraar Arbeid & Onderneming aan de Universiteit van Amsterdam, en NJB_expert.

Diederik Maat schreef op :

Redelijkheid en billijkheid; laatste strohalm of stevig houvast?

De werkgever heeft met betrekking tot een aan de werknemer verstrekte leaseauto een verzekering afgesloten die geen dekking biedt bij opzet, roekeloosheid en onzorgvuldig handelen door de werknemer. De werknemer heeft de autosleutels in de deur van een woonhuis laten hangen, de auto is gestolen, en vervolgens beschadigd teruggevonden. De leaseregeling tussen werkgever en werknemer bepaalt dat de werkgever in dat geval de schade op de werknemer kan verhalen.

Uitgangspunt is dat een overeenkomst de rechtsgevolgen heeft die tussen partijen zijn overeengekomen. Pacta sunt servanda, oftewel: afspraken moeten worden nagekomen, wordt dan vaak geroepen. Dit is in het algemeen ook juist, maar niet in alle gevallen.

De wetgever heeft immers uitdrukkelijk bepaald dat een tussen partijen op grond van een overeenkomst geldende bepaling niet van toepassing is wanneer dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet naar vaste jurisprudentie door rechters echter met grote terughoudendheid worden toegepast. Er moet sprake zijn van specifieke feiten en omstandigheden, die maken dat onverkorte toepassing van een contractuele afspraak in het licht van de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is. Anders gezegd, in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen de rechtsgevolgen van een overeenkomst tussen partijen worden beperkt of kan een bepaling buiten toepassing worden gelaten.

Om te kunnen bepalen wat dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet eerst worden vastgesteld wat de redelijkheid en billijkheid van contractanten eist. In de wet is vastgelegd dat daarbij onder andere rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen. In het arbeidsrecht is de verplichting zich als goed werkgever te gedragen zo’n algemeen erkend rechtsbeginsel.

Vaak wordt een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vanwege het uitzonderlijke karakter beschouwd als een laatste strohalm. De laatste halte voor een zekere veroordeling. Hoe anders is het beeld dat ontstaat bij lezing van dit arrest. De Hoge Raad overweegt dat de verplichting zich als goed werkgever te gedragen in dit specifieke geval in de weg staat aan het verhalen van de schade door de werkgever op de werknemer. De eis van goed werkgeverschap brengt volgens Hoge Raad mee dat een werkgever schade die niet is verzekerd, en van meer dan geringe omvang is, niet op de werknemer kan verhalen. Daarbij speelt een belangrijke rol dat in dit specifieke geval de schade wel zou zijn gedekt bij een gebruikelijke verzekering, die alleen geen dekking biedt bij opzet of roekeloosheid. De redelijkheid en billijkheid blijkt in dit geval niet slechts een laatste strohalm, maar een stevig houvast.

Overigens biedt het arrest de werkgever die opteert voor een beperkte dekking, en desondanks schades wil kunnen verhalen op zijn werknemers, ook houvast. Het arrest geeft een uiterst bruikbare beschrijving van de voorwaarden waaraan een leaseregeling moet voldoen om in dat geval een geslaagd beroep op de redelijkheid en billijkheid door de werknemer te voorkomen. En zo draagt deze rechtsfiguur niet voor het eerst bij aan de ontwikkeling van het contractenrecht in het algemeen, en het arbeidsrecht in het bijzonder.

Diederik Maat is advocaat en partner bij Maatwerk Advocaten te Groningen en gespecialiseerd in contractenrecht, en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.