De Uitspraak: ‘Is een nalatige cosmetisch arts die letsel veroorzaakt ook strafbaar?’

Is een cosmetisch arts ook strafbaar als hij nalatig is en fouten maakt bij borstvergrotingen?

De Zaak.

Bij tien vrouwen zijn na borstvergrotingen in een Haagse particuliere kliniek ernstige complicaties opgetreden, veroorzaakt door infecties. Het Openbaar Ministerie verdenkt de plastisch chirurg behalve van mishandeling ook van oplichting. De tien zaken zijn geselecteerd uit 32 aangiften, die na sluiting van de kliniek door de Inspectie Gezondheidszorg bij de politie zijn gedaan.

Waarop is de verdenking gebaseerd?

Het parket verwijt de arts zo onhygiënisch te hebben gewerkt dat de infecties bij de vrouwen een rechtstreeks gevolg waren van zijn handelwijze.

Was de chirurg competent?

De arts werkte 11 jaar als gynaecoloog. Sinds 2000 hield hij zich (elders) bezig met borstvergrotingen - hij behandelde ongeveer 1000 patiënten per jaar. In de Haagse kliniek verrichtte hij in het enige jaar van bestaan 300 borstvergrotingen, onder plaatselijke verdoving. De patiënten tekenden een ‘informed consent’ formulier.
Na de sluiting van de kliniek is de arts door het Tuchtcollege uit zijn beroep gezet. Dat dossier heeft de strafrechter niet. Het parket vindt ook dat hij zich ten onrechte uitgaf als volledig bevoegd plastisch chirurg en tekortschoot in de nazorg. De arts zegt dat hij bekwaam werd „door zelfstudie, het bijwonen van congressen en het meekijken bij collega’s”.

Is het letsel inderdaad het gevolg van de operaties?

Daar is de rechtbank wel van overtuigd; aard, omvang en aantal infecties hielden duidelijk verband met de operaties. De operatiekamer voldeed niet aan de professionele standaard ‘klasse 1’ die was voorgeschreven. Ook was hij niet zorgvuldig genoeg met het reinigen en desinfecteren van de operatieruimte, het meubilair en het gereedschap waarmee de prothese werd ingebracht. De rechtbank vond de arts nalatig.

Maar opereerde hij volgens de ‘regelen der kunst’?

Daarop is het antwoord ja. De arts is bij het opereren zèlf technisch niet tekort geschoten. Het grootste deel van het letsel bij de patiëntes is veroorzaakt door een bacteriële infectie, waarvan de herkomst overigens onduidelijk is.
Volgens een geraadpleegde deskundige speelde de bouwkundige toestand van de operatiekamer geen rol, net zo min als de ventilatie. De besmetting kon ook zijn ontstaan door een technisch mankement in een gebruikt apparaat. De arts schoot volgens de rechter wel tekort bij de nazorg, maar dan hooguit bij vier vrouwen. De overigen kwamen niet terug. Er kunnen hem wel verwijten worden gemaakt. Maar die zijn niet zo zwaar dat hij geen beroep mag doen op de ‘medische exceptie’. Dat is een juridisch excuus voor artsen die een ingreep doen waardoor pijn of letsel ontstaan. Mits die ingreep medisch noodzakelijk is, althans in het belang van de patiënt, die daarmee ook heeft ingestemd.
De rechter zegt dat de lat voor een sanctie in het strafrecht nu eenmaal hoger ligt dan in het civiele of het tuchtrecht. Ook een arts die vaker fouten maakt en in dezelfde context, mag zich beroepen op de medische exceptie.
Over de vraag of hij zich als plastisch chirurg mocht presenteren merkt de rechtbank op dat de vrouwen aangifte deden van een behandeling waar de arts desondanks bevoegd voor was. Namelijk als cosmetisch arts.


Lees hier de uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2014:13243)

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 19 november 2014

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Paul Mevis schreef op :

In deze zaak zijn door het OM aan de verdachte arts verwijten gemaakt die aan hem zijn ten laste gelegd als, zoals de rechtbank opmerkt, mishandeling, terwijl om redenen in de tenlastelegging feitelijk uiteen gezet, de verdachte geen beroep kan doen op de medische exceptie. Dat laatste maakt daarmee onderdeel uit van de te bewijzen beschuldiging.
Dat is in overeenstemming met recente jurisprudentie van de Hoge Raad waarin het misdrijf van mishandeling is omschreven als het toebrengen van lichamelijk letsel, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Voor een veroordeling voor mishandeling moet, net zoals voor andere misdrijven, daarom aan drie voorwaarden zijn voldaan. Er moet een voor het gevolg, bijvoorbeeld letsel, causale handeling zijn verricht die onder een delictsomschrijving valt, voor die handeling moet geen rechtvaardiging bestaan (hetgeen bijvoorbeeld bij noodweer wel het geval is), en de verdachte moet van dit handelen een verwijt kunnen worden gemaakt.

De medische exceptie hoort thuis in de categorie van die rechtvaardigingen. Normaliter steunt op deze exceptie de straffeloosheid van bijvoorbeeld een snijdende chirurg of een borende tandarts, die op zichzelf, door het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, handelingen verrichten die onder de betreffende delictsomschrijving vallen. De term ‘rechtvaardigingsgronden’ duidt al aan, dat een bepaalde eisen voldaan moet zijn, wil de strafbaarheid van bepaald gedrag daardoor worden weggenomen. Dat zijn objectieve eisen. Voor de medische exceptie zijn dat de eisen die de rechtbank zelf ook formuleert: de handeling van de arts is medisch geïndiceerd, gericht op een behandeldoel en volgens de regels van de kunst en met toestemming van de betrokkene uitgevoerd.

Er is geen reden ter zake in het strafrecht een hogere eis te stellen dan bijvoorbeeld in het civiele recht of in het tuchtrecht. Dat gebeurt op dat punt in de rechtspraak ook niet. Nu klinkt dat objectief en gemakkelijk te toetsen, maar zo simpel ligt het niet. Wat door de regels van de kunst wordt toegelaten, daarover valt soms, ook onder beroepsgenoten, te twisten. Wanneer mag een medische behandeling toch binnen die regels worden uitgevoerd, ook al zijn de omstandigheden niet optimaal? Waar voor de ene arts de grens ligt, hoeft dat voor de andere arts niet meteen ook het geval te zijn, zonder dat die laatste daarmee meteen strafbaar is. De rechtbank lijkt deze vraag onder ogen te zien, maar dan langs een andere weg. De arts heeft immers naar het oordeel van de rechtbank fouten gemaakt en dus niet volgens de regels van de kunst gehandeld. De rechtbank lijkt hem daar alleen geen verwijt van te willen maken. Dat woord ‘verwijtbaarheid’ valt in het vonnis heel vaak.

En inderdaad, voor een strafrechtelijke veroordeling is ‘schuld’, en dus een verwijt nodig; we hebben noch willen een risico-strafrecht. En op dat punt van dat verwijt zijn de eisen inderdaad in het strafrecht hoger dan in andere rechtsgebieden; het lichtste verwijt is niet genoeg. Maar dat punt raakt niet de invulling of reikwijdte van de medische exceptie als rechtvaardigingsgrond. Deze exceptie dekt medisch handelen dat aan de eisen voldoet, niet handelen dat daaraan niet voldoet, maar waarvan de gevolgen desondanks niet aan de arts te verwijten zijn. Daarmee is de vraag welk verwijt de arts in deze zaak nu precies kan worden gemaakt, alleen maar belangrijker geworden.

Paul Mevis is hoogleraar straf- en strafprocesrecht in Rotterdam en NJB-expert

Aart Hendriks schreef op :

Een uitspraak die meer dan cosmetische verfraaiing behoeft

De Haagse Rechtbank spreekt een voormalig arts vrij. Dit terwijl de verdachte door de tuchtrechter eerder was gewaarschuwd (2001), geschorst (2004) en – vanwege min of meer dezelfde klachten – doorgehaald in het artsenregister (2010). Hoe kan dat?

De rechtbank geeft eigenlijk zelf het antwoord: “de lat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid ligt hoger dan voor civielrechtelijke en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid.” Dat moge zo zijn, maar de strafrechter baseert de vrijspraak in hoge mate op een medisch inhoudelijk oordeel. En op dat gebied heeft de tuchtrechter bijzondere deskundigheid. Vreemd dat de rechtbank daaraan ongemotiveerd voorbij gaat. Maar ook anderszins kan de uitspraak van de rechtbank niet overtuigen.

Op onnavolgbare wijze meent de rechtbank dat de verdachte een beroep kan doen op de ‘medische exceptie’. Op grond hiervan is het artsen toegestaan bij patiënten handelingen te verrichten die normaliter vallen onder een strafrechtelijk verbod, als gericht tegen de lichamelijke integriteit of het leven. Terecht wijst de rechtbank erop dat aan een beroep op de medische exceptie eisen worden gesteld. De betreffende handeling moet medisch zijn geïndiceerd, volgens de regelen der kunst worden uitgevoerd en de patiënt moet op basis van voldoende informatie met de ingreep hebben ingestemd.

Ik durf te stellen dat in het geval van de zogeheten borstendokter aan geen van deze eisen was voldaan. Uit niets blijkt dat er een medische noodzaak was voor de borstvergrotende operaties. De ingreep was primair ingegeven door esthetische redenen. Dat de voormalig arts het niet zo nauw nam met de voor artsen geldende zorgvuldigheidsnormen was al genoegzaak aangetoond door de tuchtrechter. En ook de strafrechter erkent ronduit dat er van alles mis was, ook met de informatievoorziening. Daaruit volgt dat er geen sprake was van rechtsgeldige toestemming voor de ingreep. Maar ook al was dat wel zo, toestemming betekent nog geen behandelplicht. Sterker, volgens de Hoge Raad heeft een arts bij onverstandige risicovolle keuzes de plicht om patiënten ‘adequaat en herhaaldelijk te stimuleren hun zelfbeschikkingsrecht juist uit te oefenen’. Van dit alles was in de onderhavige zaak geen sprake.

Daarbij gaat de strafrechter er gemakshalve nog aan voorbij dat het maar zeer de vraag was of de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG), die het publiek moet beschermen tegen ondeskundig handelen, wel van toepassing was. De Wet BIG geldt bij individuele gezondheidszorg. Of cosmetische zorg onder het begrip gezondheidszorg valt, blijft punt van discussie. Bij de recente evaluatie van de Wet BIG is dit punt nogmaals aan de orde gesteld. Helaas heeft de Minister van VWS een jaar later nog niet op de evaluatie gereageerd. Indien de Wet BIG niet van toepassing is, kan de borstendokter morgen zonder restricties gewoon doorgaan met zijn omstreden behandelingen. Dat kan niet de bedoeling zijn, lijkt me.

Via de omweg van een onnavolgbare uitspraak komen we dus bij de noodzaak goede regels te maken over het verlenen van niet en minder noodzakelijke medische zorg. Jammer dat daarvoor een uitspraak nodig is, waarvan het hopen is dat het hof die in beroep meer dan cosmetisch verfraait. Maar de juridische problemen rondt esthetische behandelingen zijn nu wel geagendeerd. Dat is toch nog iets.

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden en NJB-expert

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.