De Uitspraak: Ben je strafbaar als je meerijdt met iemand die drugs gaat kopen?

Ben je strafbaar als je meerijdt met iemand die amfetamine gaat kopen?

De Zaak.

De politie houdt in 2011 in Heerlen een verdachte auto aan. Daarin zitten twee mannen voorin en een derde persoon achterin. De man op de achterbank blijkt een plastic zak met een kilo amfetamine onder zijn jas te hebben. De twee waren uit België gekomen. In Heerlen pikten ze nummer drie op. De chauffeur gaf deze man geld, waarna hij terugkeerde in de auto met de plastic zak met amfetamine. Was de bijrijder nu strafbaar als ‘medepleger’?

Wat zegt de chauffeur?

Ik heb de bijrijder ‘voor de helft’ uitgelegd wat ik in Heerlen wilde gaan doen. Ik wilde daar niet alleen naar toe. Ik gaf hem voor het meerijden 25 euro en beloofde hem tien gram amfetamine. Hij wist niet hoeveel speed ik zou gaan kopen.

Wat zegt de bijrijder?

Mij is verteld dat we ‘materiaal’ gingen kopen. Ik dacht dat het om wiet zou gaan. Ik ging mee voor de gezelligheid. Ik heb gezegd dat ik ‘geen gekke dingen’ wilde doen. Pas toen we al bijna in Heerlen waren hoorde ik dat hij amfetamine wilde kopen.

Van een beloning weet ik niets. Ik heb dat alleen maar toegegeven om hetzelfde verhaal te vertellen als de chauffeur.

Wat gelooft Justitie?

De bijrijder wist wel van het plan om amfetamine te gaan kopen. Met dat doel kwamen ze samen uit België. Dat de bijrijder niet wist hoeveel de chauffeur wilde kopen doet er niet toe. Zijn aanwezigheid in de auto duidt op een actieve rol. Hij heeft ook niet de kans benut om zich uit het plegen van het misdrijf terug te trekken. Als ‘medepleger’ moet hij (deels voorwaardelijk) zes maanden celstraf krijgen, met een proeftijd van 2 jaar.

Wat zegt de advocaat?

De bijrijder is als vriendendienst meegereden om wiet te kopen. Van amfetamine wist hij echt niks. Had hij het wel geweten dan was hij nooit meegereden. De bijrijder had op geen enkel moment de kans om zich te distantiëren. Hij hoorde pas vlak voor aankomst in Heerlen wat echt de bedoeling was.

Wanneer is er sprake van strafbaar meedoen?

De rechter eist voor medeplegen hard bewijs van „een bewuste en nauwe samenwerking”. Ofwel „willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging.” Medeplegen kan ook door stil te zitten, mits „de samenwerking intensief is”. Dat kan blijken uit „afspraken of taakverdelingen.”

Was dit intensieve samenwerking?

Nee. De rechter gelooft de bijrijder. Van nauwe en volledige samenwerking is geen sprake. Hij heeft geen enkele uitvoeringshandeling verricht. De bijrijder beschikte ook op geen enkel moment over de zak met speed. Alleen in de auto zitten, naast de chauffeur, is niet voldoende om er een ‘ondersteunende handeling’ in te zien. Dat hij zich niet distantieerde toen hij in de gaten kreeg dat het om een grote amfetamine aankoop ging, is niet genoeg om strafbaar te zijn. De bijrijder wordt vrijgesproken.


Lees de uitspraak (ECLI:NL:RBLIM:2013:5041) hier.

Deze Uitspraak is ook te lezen op Recht en Bestuur.


Bron afbeelding: maHidoodi

Folkert Jensma

Naam auteur: Folkert Jensma
Geschreven op: 1 oktober 2013

Juridisch redacteur, commentator en blogger bij NRC

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Onder een sensatiekop geeft Jensma blijk dat een journalist met een meester titel nog geen jurist is met enige kennis van zaken.

De bijrijder is zeker niet helemaal onschuldig maar zeker ook geen medepleger want dat vereist nauwe samenwerking
Nico Kwakman schreef op :

Voor medeplegen en medeplichtigheid is ‘dubbel opzet’ vereist: opzet op het delict zelf, maar ook opzet op de nauwe samenwerking (medeplegen) of het bieden van hulp (medeplichtigheid). In deze zaak draait het om het bewijs van het dubbele opzet.

Als de verklaringen van de verdachten en/of getuigen geen uitkomst bieden, kan het bewijs slechts worden ontleend aan concrete feiten en omstandigheden waaruit een ‘veruiterlijking’ van de intentie of van het voorwaardelijk opzet van de verdachte blijkt. Maar zelfs als daarvan geen sprake is, is het niet ondenkbaar dat ook ‘nalaten’ terwijl handelen was geboden, strafbaar medeplegen of medeplichtigheid oplevert. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene een specifieke zorgplicht had en daarom had moeten ingrijpen. Het niet ingrijpen kan dan medeplichtigheid door nalaten opleveren.

Bij het bewijs van het vereiste dubbele opzet (en van alle andere voorwaarden voor strafbaar medeplegen en/of medeplichtigheid) aanvaarden we in ons straf(proces)rechtelijk stelsel een bepaalde ‘onzekerheidsmarge’. Er is nooit honderd procent ‘wetenschappelijke’ zekerheid dat een verdachte het ten laste gelegde feit ook daadwerkelijk heeft gepleegd. Het is dus nooit helemaal uit te sluiten dat er sprake was van een ander scenario dan bewezen is verklaard. Dat is inherent aan ons straf(proces)recht: er is altijd een ‘sprongetje’ nodig van het beschikbare bewijsmateriaal naar de bewezenverklaring.

Het feit dat we een zekere onzekerheidsmarge in de bewijsvoering accepteren, brengt bepaalde risico’s met zich mee. Het gevaar bestaat dat die onzekerheidsmarge in de praktijk sluipenderwijs ‘normatief’ wordt opgerekt. Een bepaalde betrokkenheid bij een delict kan dan al op voorhand zo afkeurenswaardig worden geacht dat de voorwaarden voor strafbaarheid niet meer (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) worden vastgesteld, maar al snel worden aangenomen, toegerekend. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld.

Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn als het enkele feit dat iemand die toevallig in de buurt is, en ervan op de hoogte is (geraakt) dat er een strafbaar feit is of zal worden gepleegd, voldoende wordt geacht voor het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet op de nauwe en volledige samenwerking of de hulp bij het delict. Gelukkig heeft de strafrechter zich daartoe niet laten verleiden in deze zaak.

Om recht te doen aan de – door de samenleving ervaren – afkeurenswaardigheid van bepaalde gedragingen waarmee een dergelijk ‘normatief oprekken’ van de onzekerheidsmarge in de hand wordt gewerkt, zal de wetgever moeten ingrijpen. Door deze gedragingen (doen of nalaten), die nu nog geen strafbaar feit opleveren, strafbaar te stellen, voorkomt de wetgever dat de maatschappelijke weerstand daartegen een uitweg vindt in onaanvaardbare bewijsconstructies. Daartoe kunnen nieuwe strafbepalingen nodig zijn, maar ook het oprekken van bestaande strafrechtelijke voorzieningen is denkbaar. Zoals bijvoorbeeld: ‘deelplegen’ (een variant van medeplegen, waarvoor wel opzet op het delict wordt vereist, maar niet op de samenwerking); het uitbreiden van de strafbaarstelling van gevaarzetting; het uitbreiden van de strafbaarstelling van hulp aan daders van delicten (deelneming achteraf); het strafbaar stellen van het nalaten een ander trachten af te houden van het plegen van (of het nalaten melding te maken van) een delict waarvan men kennis draagt, enzovoort.

Maar wat daar ook van zij, de bewijsrechtelijke onzekerheidsmarge mag nooit ‘normatief worden opgerekt’ om het ontbreken van toereikende strafbepalingen bewijsrechtelijk te compenseren.

Nico Kwakman is medewerker en docent straf(proces)recht aan de Universiteit Groningen en NJB-expert.

Jacques Claessen schreef op :

Medeplegen: je moet er wel wat voor doen

‘Medeplegen’ wordt in de wetsgeschiedenis omschreven als ‘het opzettelijk tot het plegen van een strafbaar feit medewerken’. De rechtbank Limburg spreekt in onderhavige zaak van het ‘willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging’. Medeplegen impliceert opzet, zo blijkt uit beide definities. Degene die mee- of samenwerkt moet willen dat het delict plaatsvindt en hij moet dit delict gezamenlijk willen realiseren. De vraag luidt: hoe ver dient dit mede- of samenwerken te gaan om – juridisch gezien – van medeplegen te kunnen spreken? Volgens vaste jurisprudentie dient sprake te zijn van ‘een nauwe en/of volledige en bewuste samenwerking’; een beperkte vorm van mede- of samenwerking is dientengevolge onvoldoende en behoort veeleer tot de sfeer van medeplichtigheid. De vraag is vervolgens: wanneer kan het mede- of samenwerken als nauw en/of volledig en bewust worden bestempeld?

Voor medeplegen is in ieder geval niet vereist dat elke deelnemer zelfstandig de gehele delictsinhoud vervult; de aandelen van de deelnemers hoeven niet identiek of gelijkwaardig te zijn. Ook is het niet noodzakelijk dat elke deelnemer fysiek aanwezig is bij de uitvoering van het delict; deze afwezigheid kan worden gecompenseerd door een grote rol in de voorbereidende fase, waarin plannen worden gesmeed en uitgewerkt. Omgekeerd geldt dat een kleine of zelfs ontbrekende rol tijdens de voorbereiding kan worden ‘gedekt’ door een belangrijke bijdrage aan de verwezenlijking van het strafbare feit; deze bijdrage kan overigens ‘stilzwijgend’ tot stand komen tijdens de uitvoering. In de literatuur wordt om die reden wel gesproken van ‘communicerende vaten’ (Kelk 2013). Soms ligt meer nadruk op de nauwe en/of volledige samenwerking (de objectieve kant van het delict), soms op de bewuste samenwerking (de subjectieve zijde), máár altijd is een substantiële bijdrage van de deelnemer vereist om van medeplegen te kunnen spreken; anders zou het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid – het willens en wetens verrichten van ondersteunende gedragingen – verwateren en uiteindelijk verdwijnen.

Hoewel het bovenstaande waarschijnlijk plausibel klinkt, is de praktijk vaak weerbarstiger dan de theorie. Veel is afhankelijk van hoe de feiten en omstandigheden van het concrete geval zoals vervat in de bewijsmiddelen waarvan de rechter kennisneemt, door de rechter worden geïnterpreteerd en gewogen. In onderhavige zaak lijkt de rechter – om aan de beeldspraak van de communicerende vaten vast te houden – te hebben geoordeeld dat er te weinig water zit in beide vaten, zodat er ook niets te compenseren valt. Concreet: verdachte heeft noch enige uitvoeringshandeling verricht noch heeft hij in de planning een rol van betekenis gespeeld. Er waren van te voren geen duidelijke afspraken gemaakt betreffende de koop van amfetamine (harddrug). Sterker nog, verdachte lijkt in beginsel niets van een dergelijke koop te hebben afgeweten; hij ging uit van de koop van wiet (softdrug). De enkele aanwezigheid van verdachte in de auto is onvoldoende om medeplegen te kunnen bewijzen, aldus de rechtbank. Dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd, toen hij uiteindelijk te horen kreeg dat het om de koop van amfetamine ging, acht zij evenmin voldoende. Zij verwijst hierbij ter ondersteuning naar een arrest van de Hoge Raad (HR 22 december 2009, LJN BK3356).

Ons hoogste rechtscollege heeft in laatstgenoemde uitspraak geoordeeld dat in casu uit het louter aanwezig zijn bij, het zich niet-distantiëren van en het louter instemmen met een door groepsgenoten aangerichte vernieling met behulp van vuurwerk niet zonder meer kan volgen dat sprake is van medeplegen. In de zaak die bekend staat als de Rijswijkse stoeptegelmoord (HR 18 maart 2008, NJ 1008, 209) kwam de Hoge Raad in principe tot eenzelfde conclusie: ‘de omstandigheid dat de verdachte – ondanks de bij hem aanwezige wetenschap over hetgeen stond te gebeuren – zich niet heeft gedistantieerd van het gooien van een stoeptegel naar een op de snelweg rijdende auto, [is] in casu onvoldoende’ om medeplegen op te kunnen leveren. Iemand die passief aanwezig is bij een strafbaar feit, lijkt dientengevolge enkel als medepleger te kunnen worden aangemerkt, indien hij een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd in de voorbereidingsfase en/of wanneer zijn fysieke aanwezigheid op een of andere manier een belangrijke voorwaarde is geweest om het delict te laten plaatsvinden. In de drie tot nu toe besproken zaken is hiervan volgens de rechter geen sprake.

Dat ligt anders in de zaak waarin twee zussen een vrouw vermoorden, omdat deze een affaire zou hebben met de vriend van één van beiden (HR 22 november 2011, LJN BR2355). Hoewel één zus alle uitvoeringshandelingen verricht, wordt ook de andere zus – hierna: verdachte – veroordeeld wegens het medeplegen van moord. Belangrijk in dat verband lijkt te zijn dat verdachte vanaf het begin wist waarom haar zus naar het slachtoffer toewilde en dat zij het slachtoffer zou gaan slaan, dat verdachte is meegegaan naar de woning van het slachtoffer en daar de hele tijd is gebleven – ook toen haar zus de woning kortstondig had verlaten, dat verdachte erbij was toen het slachtoffer van haar zus een afscheidsbrief moest schrijven en vervolgens pillen en bleekwater moest innemen, dat verdachte hoorde dat het slachtoffer zei dat ze nog niet dood wilde en dat zij het slachtoffer daarna hoorde trappelen en rochelen, dat zij heeft gezien dat haar zus een touw rond de nek van het slachtoffer vasthield en dat het slachtoffer schuim op haar mond had staan en tenslotte dat verdachte erbij was toen haar zus ‘sporen’ uitwiste door een leeg colablikje en een asbak met sigarettenpeuken mee te nemen. Door verdachte is niets ondernomen om haar zus van haar voornemen af te houden of haar te weerhouden, ook heeft zij zich niet gedistantieerd. Op grond van deze gang van zaken komt de rechter tot het oordeel dat het opzet van verdachte en haar zus ‘doelbewust gericht is geweest op de uitvoering van het minst genomen gedurende de avond in de woning van [slachtoffer] ontstane voornemen om [slachtoffer] van het leven te beroven’. Daarnaast overweegt de rechter dat verdachte door haar voortdurende aanwezigheid in de woning ‘heeft bijgedragen aan de voor [slachtoffer] bedreigende situatie’.

Ook in een andere zaak waarin een aantal vrouwen een man vermoordt (HR 5 maart 2013, LJN BZ2942), blijkt dat wanneer ‘passieve aanwezigheid bij’ overgaat in het leveren van ‘een aanmoedigende bijdrage aan’ het delict, medeplegen wel bewezen kan worden. Eén van de vrouwen die in casu terechtstond, heeft zich noch gedistantieerd noch heeft zij de anderen weerhouden van het plegen van het delict. Haar aanmoedigende bijdrage – want daar draait het om – bestond uit het openzetten van de toegangsdeur van het trapportaal en van de woning van het slachtoffer, het ervoor zorgen dat het slachtoffer rustig ging slapen, het geven van een signaal aan de medeverdachten toen het slachtoffer sliep, het aanwezig zijn bij de moord en daarna bij de besprekingen over het doen verdwijnen van het lijk. Daarnaast was verdachte betrokken bij het beramen van het plan. In deze zaak is derhalve – meer dan in de zaak van de twee moorddadige zusjes – sprake van méér dan passieve aanwezigheid. Er is voldaan aan de hierboven genoemde ‘bijkomende voorwaarden’; de vrouw heeft immers een aanzienlijke bijdrage geleverd tijdens de voorbereidingsfase en haar aanwezigheid is een belangrijke factor geweest om het delict te laten plaatsvinden.

Tenslotte dient de geruchtmakende Eindhovense ‘kopschopperszaak’ van begin dit jaar te worden genoemd. Terwijl verscheidene populistische media de ‘Acht van Eindhoven’ allemaal schuldig achtten aan poging tot doodslag, heeft de rechtbank in deze zaak heel wat genuanceerder geoordeeld. ‘Slechts’ twee jongens zijn veroordeeld wegens het medeplegen van poging tot doodslag: de ene jongen had meerdere keren tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt en daarmee de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer op de koop toegenomen (Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4796) en de andere was de geweldpleging begonnen, had zelf ook geweldshandelingen verricht – zij het niet tegen het hoof van het slachtoffer – en had zich niet gedistantieerd toen eerstgenoemde jongen wel tegen het hoofd van het slachtoffer begon te schoppen (Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4797). Tussen beide hoofdverdachten bestond een bewuste en nauwe samenwerking, aldus de rechter. Een derde jongen is veroordeeld voor openlijke geweldpleging: hij had het slachtoffer tegen hoofd en arm geslagen, maar dit geweld zou niet tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden en daarenboven had hij zich gedistantieerd op het moment dat het ‘explosieve en excessieve geweld’ van de twee hoofdverdachten losbarstte (Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4795). Een vierde jongen die door het Openbaar Ministerie werd vervolgd, is vrijgesproken, aangezien hij zelf geen geweldshandelingen had verricht en voorts geen significante bijdrage had geleverd aan het geweld; zo blijkt uit niets dat hij de anderen heeft aangemoedigd (Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:9794). Vermeldenswaardig is dat er in casu geen gezamenlijk plan of voornemen bestond om geweld jegens het slachtoffer te gaan gebruiken. Deze zaak laat goed zien hoe de rechter per individu beziet wat diens rol in het geheel is geweest en hoe deze vervolgens juridisch wordt vertaald.

Geconcludeerd kan worden dat medeplegen ‘aan de onderzijde’ een grijs gebied kent. Het betreft dan doorgaans personen die weet hebben van een strafbaar feit, die bij de verwezenlijking daarvan aanwezig zijn en blijven maar die zelf geen uitvoeringshandelingen verrichten. De dunne scheidingslijn loopt in de hierboven besproken jurisprudentie welbeschouwd tussen de Rijkswijkse stoeptegelmoord en de twee moorddadige zusjes. Uit de jurisprudentie mag in ieder geval de conclusie worden getrokken dat het te ver gaat om te zeggen ‘je bent erbij, dus je bent erbij’ – zo volgt ook duidelijk uit de Eindhovense ‘kopschopperszaak’. Dat is maar goed ook, want anders zou ons strafrecht verworden tot een risicostrafrecht. Voor medeplegen is een substantiële bijdrage vereist, waarvan de ondergrens in het voorgaande aan de hand van verscheidene rechterlijke uitspraken is geschetst. Wanneer slechts sprake is van een beperkte bijdrage, kan medeplichtigheid mogelijk uitkomst bieden. Voor de Limburgse zaak die hier centraal staat, geldt dit overigens niet, nu de verdachte evenmin ondersteunende handelingen heeft verricht. We dienen te aanvaarden dat sommige gedragingen – de niet al te snuggere gedragingen zoals die in de Limburgse zaak incluis – buiten het strafrecht blijven.

Jacques Claessen is docent straf(proces)recht aan de Universiteit Maastricht en NJB-expert.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.