De selectie voor rechters geanalyseerd

De selectieprocedure voor rechters vertoont gebreken. De kans is reëel dat de Rechtspraak daardoor uitstekende kandidaten afwijst of afschrikt.


De huidige selectieprocedure

Wie rechter in een rechtbank of gerechtshof wil worden moet een positief advies hebben van de Landelijke selectiecommissie rechters (LSR). Daarop volgt de benoeming als rechter in opleiding (rio) bij een rechtbank of (soms) een gerechtshof. De opleiding duurt, afhankelijk van de voorervaring, vijftien maanden tot vier jaren.

De selectie bij de LSR1 bestaat uit een ruim aantal opeenvolgende fasen, waaronder een briefselectie, een analytische test, een assessment en gesprekken met een delegatie uit de commissie. Als het resultaat in een van deze fasen negatief is, eindigt de selectieprocedure. Wie door de briefselectie is gekomen maar geen positief resultaat bij de analytische test haalt, valt dus af. Deze negatieve uitkomst heeft een gelding van drie jaren. Gedurende deze periode zit de toegang tot de Rechtspraak dus op slot. Degenen die al een gewaardeerde rechter- of raadsheer-plaatsvervanger waren, krijgen zelfs het klemmende advies hun ontslag uit deze functie te vragen. Als zij daartoe niet overgaan, worden zij in beginsel niet meer bij het rechterlijke werk ingeschakeld.
De analytische test bestaat uit drie onderdelen. Een te lage score bij het onderdeel ‘verbaal redeneervermogen’ of bij het onderdeel ‘abstractievermogen’ is ‘dodelijk’. Deze werkwijze geldt sinds eind 2013 en is toegelicht op de website van de LSR. De keuze voor dit systeem is ingegeven door de eerdere ervaring dat een relatief hoog percentage van de rio’s tijdens de opleiding afviel, vaak op grond van het oordeel van de opleiders dat het analytisch vermogen tekortschoot. Er is dus gezocht naar een selectiemethode die een zo groot mogelijk voorspellend vermogen heeft voor deze competentie, die voor een rechter zonder twijfel heel belangrijk is. De LSR-website vermeldt hierover onder meer dat de resultaten bij de twee zojuist genoemde onderdelen doorslaggevend zijn in het eindoordeel over de analytische test en dat dit te maken heeft met de voorspellende waarde van deze twee onderdelen voor het slagen van de opleiding voor rechter. Daarover heeft volgens de website ‘de Erasmus Universiteit’ geadviseerd ‘op basis van wetenschappelijk onderzoek’.

Aan elk van de twee hier bedoelde testonderdelen wordt dus een ‘absolute’ waarde toegekend. Een kandidaat met uitstekende referenties en goede werkervaring die voor een rechter heel relevant is, kan – zonder enig gesprek te hebben gehad – definitief (dat wil zeggen: voor drie jaren) sneuvelen op grond van één testresultaat. Toen ik kort geleden bij toeval (via via) op deze praktijk stuitte, was ik daarover verbaasd. Bij mijn weten kennen (test)psychologen niet een dergelijke absolute gelding toe aan de scores van hun tests. Geen enkele test meet volledig nauwkeurig en voorspelt feilloos. Elke psycholoog zal, evenals iedere andere beroepsbeoefenaar, de grenzen van zijn deskundigheid in acht moeten nemen. Zo bepaalt de Beroepscode voor psychologen 2015 van het Nederlands Instituut van Psychologen in artikel 97 dat uit elke rapportage van een psycholoog die lid van deze vereniging is, duidelijk moet blijken wat de beperkingen daarvan zijn. Niemand heeft aanspraak op absolute wijsheid of deskundigheid, met volmaakt betrouwbare tests en foutloze prognoses. Ik was dus benieuwd naar het onderzoek waarop het wetenschappelijke advies berust.

Het wetenschappelijk onderzoek

Ondanks herhaalde navraag bij de LSR heb ik het rapport met het wetenschappelijke onderzoek niet gekregen. Het was – zo moet ik tot mijn verrassing concluderen – dus een geheim rapport. Wel heeft degene die het onderzoek heeft geleid, de Rotterdamse hoogleraar M.Ph. Born, daarover iets geschreven in het tijdschrift Rechtstreeks (2012, nr. 4, p. 17-26). Uit haar beknopte artikel blijkt niet dat het onderzoek in het bijzonder of in belangrijke mate betrekking had op de selectie van rechters in Nederland. Bij mijn weten is er geen stelselmatig onderzoek gedaan dat laat zien hoe het degenen die een positief advies van de landelijke selectiecommissie hebben gekregen, later (in hun opleiding en mogelijk ook daarna) is vergaan. En al helemaal ken ik geen onderzoek naar degenen die de selectie niet hebben gehaald. Born vermeldt daarover ook niets. Met andere woorden: er lijken geen gegevens te zijn over de validiteit van de tests voor de opleidingsresultaten van rechters en hun latere functioneren. In haar artikel verwijst Born in dit opzicht vooral naar literatuuronderzoek uit de VS. Uit een omvangrijke meta-analyse blijkt volgens haar dat ‘algemene intelligentie de beste voorspeller is van toekomstig werksucces’. Dat neem ik graag aan, en er zal ook geen reden zijn om te veronderstellen dat dit niet zou gelden voor het (deels zeer cerebrale) beroep van rechter. Maar dit is een algemene, samenvattende uitspraak over de validiteit van intelligentietests. Ik lees hierin niet een claim voor een absolute gelding van de analytische tests zoals de LSR die in de praktijk toepast. Born is overigens veel voorzichtiger. Zo schrijft zij enerzijds dat uit ‘de statistische analyses van de selecties van rechters’ blijkt dat er ‘wellicht zelfs wel meer gewicht aan de intelligentietest gegeven zou kunnen worden’, maar anderzijds haalt zij literatuur aan die aantoont dat een selectiegesprek, mits goed gestructureerd, ‘soms in staat is om net zo voorspellend te meten als de intelligentietest’.

Al met al verwijst de tekst op de LSR-website naar een advies dat niet voor derden beschikbaar is en lijkt het beroep dat de LSR voor de inrichting en de waarde van de analytische test doet op wetenschappelijk onderzoek, inhoudelijk niet adequaat. Ik acht zowel het een als het ander ongepast en in strijd met de transparantie die de Rechtspraak behoort na te streven.

Wijs beleid van de selectiecommissie?

Het kan goed zijn – en ik ga daar ook van uit – dat de hier gebruikte analytische test op zichzelf bezien deugdelijk is en voldoet aan de eisen van het vak. Ik neem ook aan dat de tests in hun algemeenheid een grote voorspellende waarde hebben voor het rechtersambt, mogelijk zelfs beter dan enig ander selectie-instrument. Maar waar het mij om gaat is dat een vrijwel ‘blinde’ toepassing van het testresultaat, zonder een zelfs maar marginale check op de aanvaardbaarheid van dat resultaat in verhouding tot andere belangrijke gegevens, waarvan ook een voorspellende waarde kan uitgaan, hoogst ongelukkig is. De ‘mechanische’ werkwijze van de LSR is onbegrijpelijk. Het lijkt erop dat zij de in het verleden gemaakte keuze beschouwt als een vonnis, waarover de rechter nu eenmaal niet in discussie gaat. Het is echter een beleidsbeslissing die zo nodig per direct kan worden gewijzigd. En om toch een parallel met het rechterlijke oordeel te trekken: geen rechter behoort mechanisch te werk te gaan, door slechts om doelmatigheidsredenen en zonder inhoudelijke beoordeling ‘af te vinken’ of aan de eenmaal gestelde eisen is voldaan. Een goede rechter houdt rekening met alle omstandigheden van het geval. Er zou dus een controle moeten zijn voor bijvoorbeeld de gevallen waarin het negatieve resultaat van de analytische test (kort gezegd: ‘qua analytisch vermogen niet aan de maat voor het rechtersambt’) evident in tegenspraak is met andere gegevens, zoals die over studieresultaten, werkervaring of referenties van personen die tot oordelen bevoegd zijn en niet de neiging hebben ‘altijd’ positieve inlichtingen te geven. Dit geldt ook voor gevallen waarin de resultaten van de onderdelen van de test moeilijk of niet met elkaar te rijmen zijn. Het is niet lastig of tijdrovend om vast te stellen of zulke gevallen zich voordoen. In dergelijke situaties zou de LSR in elk geval ook gebruik kunnen maken van een gestructureerd interview. Volgens de door Born aangehaalde literatuur is dat immers een goede tweede qua voorspellende waarde.

Waarom houdt de LSR vast aan een ‘mechanische’ toepassing van het beleid?

Mij is intussen – geheel ongezocht – een handvol voorbeelden bekend van een opmerkelijke discrepantie tussen de resultaten van één testonderdeel en de ervaringen van bevoegde informanten over juist de aspecten die bij dit onderdeel worden gemeten. Alle mij bekende en soms zeer goed toegelichte pogingen om in deze gevallen een herbeoordeling te krijgen zijn gestrand. Kort en enigszins onaardig gezegd: in routineuze reacties verschuilt de LSR zich achter de nu eenmaal tot stand gekomen, op haar website bekendgemaakte regels en achter de deskundigheid van het door haar ingeschakelde adviesbureau. De LSR gebruikt ook nog andere argumenten voor haar vaste lijn. Zij stelt dat destijds goed is nagedacht over de gekozen werkwijze, dat het lastig is om van heel veel aanmeldingen te komen tot werkbare aantallen voor de vervolgstappen in de selectieprocedure, dat de nieuwe werkwijze tot dusver heel goede resultaten heeft opgeleverd (veel minder false positives) en dat het beter is nu te wachten op de evaluatie van de huidige selectieprocedure, waarmee inmiddels een begin is gemaakt. Geen van deze argumenten overtuigt mij. Ik neem zonder meer aan dat er destijds goed is nagedacht over de inrichting van het selectieproces, maar dat levert niet een garantie op foutloosheid op die vijf jaren (van begin 2013 tot eind 2018) geldig is. Het is uiteraard nodig om te ‘trechteren’ van veel naar weinig kandidaten, maar dit rechtvaardigt geen weeffouten in het proces, laat staan dat daarin een goede grond schuilt voor het achterwege laten van een ‘redelijkheidscheck’. Als het waar is dat sinds het begin van de nieuwe selectieprocedure veel minder rio’s afvallen, is dat natuurlijk heel verheugend. Of dit het geval is, weet ik op dit moment overigens niet. Bij mijn weten is er tot dusver geen gepubliceerde, stelselmatige analyse van het verloop van de opleidingen geweest, en zeker geen analyse met een vergelijking met de eerdere procedure. Er is geen nulmeting. Maar ook als het aantal afvallers sterk is verminderd, is dat niet zonder meer toe te schrijven aan de gewijzigde selectieprocedure. Omstreeks 2013 is immers ook de rio-opleiding ingrijpend veranderd. Eventuele verbeteringen in het eindresultaat van de nieuwe selectie en de nieuwe opleiding tezamen kunnen ook het gevolg zijn van alleen de gewijzigde opleiding. En bovendien is onbekend hoe het eindresultaat zou zijn geweest als (ook) enkele uitstekende maar nu afgewezen kandidaten tot de opleiding zouden zijn toegelaten. Ook het wachten op de evaluatie, waartoe kort geleden de opdracht is gegeven, vormt geen goede reden om af te zien van het herstellen van aan het licht gekomen, evidente gebreken. Daarbij komt dat het heel moeilijk zal zijn afgewezen kandidaten in de evaluatie te betrekken, als dat al in het voornemen ligt – wat mij niet bekend is.

Conclusie en ter afronding

De selectie van rechters is een belangrijk onderwerp. De LSR heeft dus een vitale taak. Het is ongelukkig dat zij zich bij de publieke voorlichting over de selectieprocedure beroept op een advies dat tot dusver geheim is gebleven, terwijl het bovendien zeer de vraag is of deze voorlichting overeenstemt met de resultaten van het onderzoek waarop dat advies steunt. Afgezien daarvan is de huidige, vrijwel in beton gegoten, praktijk, waarin de LSR ‘absolute’ gelding toekent aan twee onderdelen van de analytische test, zeer twijfelachtig. Goede argumenten daarvoor zijn er niet. Beleidsmatige redenen lijken zwaarder te wegen dan rechtsstatelijke aspecten, waarin rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. Deze praktijk is onrechtvaardig tegenover mogelijk uitstekende kandidaten die ten onrechte zijn afgewezen op grond van onvoldoende analytisch vermogen, en schadelijk voor de Rechtspraak zelf, die dringend behoefte heeft aan goede kandidaten. Bij dit laatste aspect is ook de uitstraling van de huidige praktijk van belang. Wie hoort dat kandidaten die hun sporen hebben verdiend juist ook in analytisch opzicht, worden afgewezen op een ‘gemeten’ tekort aan analytisch vermogen, zal misschien van een sollicitatie afzien. Zoiets spreekt zich door. Het vertrek van goed functionerende rechters- en raadsheren-plaatsvervangers valt te betreuren.

Kortom: er is alle reden voor aanpassing van het huidige beleid. Een kleine wijziging in het selectieproces door invoering van een ‘redelijkheidscheck’ zou al veel van de bezwaren tegen de huidige procedure wegnemen. Wachten op de resultaten van de voorgenomen evaluatie, waarschijnlijk later dit jaar of in 2019, is schadelijk en geheel onnodig.

 

Mr. H.F.M. Hofhuis is oud-rechter en thans onder meer voorzitter van het College van Beroep (het tuchtcollege in hoger beroep) van het Nederlands Instituut van Psychologen. Hij heeft deze bijdrage op persoonlijke titel geschreven. Deze Opinie is verschenen in NJB 2018/999, afl. 20, p. 1431 e.v.

 

  1. Zie hierover ook M.J.A.M. Ahsmann, Over meesters in de rechten en priesters van het recht (oratie UL), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2012, p. 145-149, en recent in haar preadvies voor de jaarvergadering 2018 van de Nederlandse Juristenvereniging: ‘Het nieuwe Opleidingshuis voor rechters: een fundamentele verbetering?’, in: Herijking van de juridische opleidingen (preadviezen NJV 2018), Deventer: Wolters Kluwer 2018, hoofdstuk 3, p. 135-138. 

Naam auteur: Hans Hofhuis
Geschreven op: 24 mei 2018

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

H.F.M. Hofhuis schreef op :
Naschrift van H.F.M. Hofhuis bij de reactie van de Raad voor de rechtspraak

Het is te waarderen dat de Raad heeft gereageerd op mijn Opinie van 24 mei jl. Volgens de Raad is geen enkele selectieprocedure feilloos. Dit standpunt stemt geheel overeen met het mijne. Mijn voorstel was en is daarom: bouw een "redelijkheidscheck" in om het mogelijke nadeel van de gebruikte analytische test zoveel mogelijk te ondervangen. Argumenten die hiertegen pleiten, lees ik in de reactie van de Raad niet. Het lijkt mij niet nodig om met de door mij voorgestelde verbetering te wachten op de resultaten van de in gang gezette evaluatie (en, zo voeg ik toe: op het nieuwe beleid dat nog weer later wordt vastgesteld). In de mogelijk vrij lange tussentijd bestaat nog steeds de (vermijdbare) kans dat aan het testresultaat ten onrechte een beslissende betekenis wordt toegekend. Dat is, zoals ik al schreef, schadelijk.

Het is goed dat rechters- en raadsheren-plaatsvervanger die de analytische test niet halen en daardoor in de selectie sneuvelen, niet in alle gevalle moeten vertrekken. Ik had overigens niet geschreven dat dit nu wel het geval is,. Mijn bezwaar blijft dat het vreemd is dat kandidaten die in de praktijk hebben laten zien goed te kunnen functioneren in een rechterlijke functie, enkel op grond van een bepaald testresultaat, en dus zonder enige nadere check, worden afgewezen.
De Raad voor de rechtspraak schreef op :
Geen enkele selectieprocedure is feilloos. De Raad voor de rechtspraak is zich er van bewust dat dit ook voor het selectie-instrumentarium geldt waarmee de rechters-in-opleiding worden geselecteerd. De kans bestaat dat uitstekende kandidaten de selectie niet zullen doorlopen (false negatives). Tevens bestaat het risico dat minder geschikte kandidaten er wel in slagen ver te komen in de procedure (false positives). Het uitgangspunt is om de kans daarop zo laag mogelijk te houden. Mede daarom is de selectieprocedure uitgebreid en zorgvuldig opgebouwd.

De Raad heeft bij de inwerkingtreding (2014) er voor gekozen om de procedure te evalueren. Die evaluatie vindt op het moment van schrijven plaats, en wordt uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen. Resultaten worden verwacht in de tweede helft van 2018. Kernvraag is of de selectieprocedure en de instrumenten die daarbij worden gebruikt een goede voorspellende waarde hebben voor het slagen in de opleiding tot rechter. De onderzoekers komen tot hun conclusies op basis van literatuuronderzoek, gerichte interviews, vragenlijsten en de beschikbare, geanonimiseerde data. Overigens wordt ook de rio-opleiding geëvalueerd door externe onderzoekers. Dat onderzoek is reeds gestart.

De voorspellende waarde van de analytische test is onderdeel van de evaluatie van de selectieprocedure. De Raad is, onder andere vanwege het betoog van Dhr. Hofhuis, zeer geïnteresseerd is in de uitkomsten van dit onderdeel. Omdat de evaluatie in volle gang is, wil de Raad niet op de zaken vooruitlopen. Met de onderzoeksuitkomsten in de hand is een goede dialoog mogelijk over het al dan niet verbeteren van de selectieprocedure.

Vooruitlopend op de onderzoeksresultaten wil de Raad benadrukken dat het geenszins zo is dat het niet slagen voor de analytische test per definitie tot gevolg heeft dat de sollicitatieprocedure voor de desbetreffende kandidaat eindigt. Indien de score van de kandidaat binnen bepaalde bandbreedtes afwijkt van de normscore, krijgt de kandidaat een herkansingsmogelijkheid. Indien de scores van de kandidaat na deze herkansing voldoen aan de norm wordt de kandidaat alsnog uitgenodigd voor de volgende stap in de procedure.

Tevens wil de Raad benadrukken dat rechter- of raadsheer-plaatsvervangers die solliciteren voor een vaste functie - maar tijdens de selectieprocedure afvallen - niet per definitie niet meer worden ingezet als plaatsvervanger. Het zou immers voor de Rechtspraak een gemis zijn als goede rechter-plaatsvervangers hun werk niet meer zouden kunnen voortzetten. Daarom hebben de gerechtsbestuurders in 2008 afgesproken dat de president van het gerecht een commissie - bestaande uit de portefeuillehouder van de Raad voor de rechtspraak, de voorzitter van de LSR, en de desbetreffende president zelf – kan vragen om te bezien of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot continuering van de inzet van de plaatsvervanger. Deze omstandigheden kunnen zijn dat de betrokkene uitdrukkelijk goed functioneert binnen een bepaald specialisme of goed functioneert als lid van een meervoudige kamer. De absolute voorwaarde hierbij is dat betrokkene vervolgens niet als unus of als voorzitter van een meervoudige kamer wordt ingezet.

Mensen willen kunnen vertrouwen op de rechter: op zijn deskundigheid, onafhankelijkheid, maatschappelijke oriëntatie, communicatieve vaardigheden en besluitvaardigheid. Met de evaluatie hopen we de selectieprocedure te laten aansluiten bij de huidige maatschappelijke ontwikkelingen, en daar waar mogelijk en nodig te verbeteren met behoud van het doel, namelijk het werven van kwalitatief goede kandidaten voor het rechterschap. Mochten de resultaten van de evaluatie daartoe aanleiding geven, dan zal besluitvorming daarover op zorgvuldige wijze plaatsvinden. De onderzoeksresultaten en de reactie van de Rechtspraak zullen te zijner tijd gepubliceerd worden.

H.F.M, Hofhuis schreef op :
Naschrift bij de reactie van Prof. Hofstee

MIsschien begrijp ik Hofstee verkeerd, maar het komt mij voor dat hij zich vergist. In mijn Opinie heb ik wel degelijk aandacht besteed aan het getrapte karakter van de selectieprocedure en een de noodzaak om te 'trechteren' van veel naar weinig kandidaten. Maar noch het een noch het ander rechtvaardigt een mechanische, 'luie', toepassing van de uitkomst van de analytische tekst. Qua doelmatigheid en kostenbesparing is het helemaal niet nodig om een redelijkheidstoets op die uitkomst achterweg te laten. Het gaat immers niet om alle kandidaten, maar alleen om degenen bij wie aan ten minste één van de volgende twee voorwaarden is voldaan: (1) een op het eerste gezicht opmerkelijke discrepantie tussen de scores bij de twee onderdelen van deze test en (2) een opmerkelijke discrepantie tussen de uitkomst van de briefselectie (aan de hand van de brief met cv en referenties) en die van de test. Dit betreft overzichtelijke aantallen, en het detecteren daarvan is niet tijdrovend. Het gaat hierbij overigens niet alleen om een vergelijkende selectie ('selecteer de besten'), maar ook om een horde die je moet nemen op straffe van uitsluiting voor drie jaren, zelfs voor rechters-plaatsvervangers die hebben laten zien in dit werk goed te kunnen functioneren. In zoverre heeft de uitkomst van de test de facto een absolute gelding. Dat lijkt mij verkeerd.
W.K.B. Hofstee schreef op :
Aan de betogen van Hofhuis en de reacties daarop ligt een misverstand ten grondslag. Het gaat hier namelijk om getrapte selectie, zoals gebruikelijk in situaties waarin het aantal aanmeldingen het aantal beschikbare plaatsen verre overtreft. In dat geval zou een optimale selectieprocedure, zonder horden en voor iedereen hetzelfde, disproportioneel veel kosten met zich meebrengen in verhouding tot de geringe verhoging van het juiste aantal beslissingen. Dat geldt des te meer naarmate het percentage potentieel geschikte kandidaten hoger ligt. De kunst wordt dus, de horden zo te rangschikken dat de minder arbeidsintensieve, dus goedkopere procedures zoals brievenselectie en psychologische tests, vooraan in de hordenrij staan.
De jurist zal opmerken dat dit economisch model geen recht doet aan de sollicitant, en inderdaad staat diens gezichtspunt hier buitenspel. Maar dat is primair het gevolg van de aantalsverhoudingen, waardoor veel potentieel geschikten zullen moeten worden afgewezen. Verder is er bij vergelijkende selectie reden geen sprake van diskwalificatie, zoals dat wel het geval zou zijn bij toelatingsprocedures zonder numerus clausus. Ook het tegengaan van herhaalde sollicitaties is niet meer dan een manier om te verhinderen dat gegadigden hun kansen vergroten ten koste van anderen.
Tot slot: men kan tegen de hier kort geschetste vorm van rationaliteit-vanuit-het-gezichtspunt-van-de-opdrachtgever politieke bezwaren hebben, maar die strekken zich dan veel breder uit dan tot de vergelijkende selectie.
Wim Hofstee is emeritus hoogleraar psychologie RUG.
Gert Keen schreef op :
Dat de rechtspraak een dreigend tekort aan rechters bevreest, is na lezing van dit stuk geen wonder.

Het gaat dus om rechter-plaatsvervangers die al goed functioneerden en daarna besloten de reguliere rechter-opleiding en de reguliere selectie daartoe te doorlopen, om uiteindelijk een reguliere rechtersplaats te bezetten. In selectietermen gaat het hier dus om zittende rechter-plaatsvervangers met een slechte score op een intreeselectietest. Dan is het een curieuze tournure om bij deze zittende rechter- plaatsvervangers aan te dringen op zelf-desavouering, zoals Hofhuis beschrijft. Wat kan hier toch achter zitten?

Selectie is in eerste plaats bedoeld om onzekerheid te reduceren over mensen die je nog niet hebt zien presteren. Voorspellende selectie-instrumenten, zoals Hofhuis en Born schrijven, hebben imperfecte relaties tot presteren. Beter wordt het op afzienbare termijn niet. Je moet het dus doen met wat de mensheid tot zover heeft ontworpen. Je reduceert met dat laatste dus selectierisico’s en neemt dus onterechte afwijzingen op de koop toe. Maar - en let nu op de bewust gekozen contradictoire, en cynische formulering die ik eerder gebruikte - er kan niets op tegen onverhoopt beschikbare positieve prestatiebewijzen uit de praktijk, niets. Dat weet iedereen. Wie daarnaast ook weet uit te leggen dat zijn instrumentarium nooit en te nimmer op kan tegen dergelijk positief praktijkbewijs, en wie ook uit weet te leggen dat voor mensen die al plaatsvervanger waren wellicht andere entree-eisen gesteld moeten worden, omdat de prestatie-risico’s kleiner zijn, raakt niet verstrikt in zijn eigen omnevelde uitvluchten bij gebrek aan argumenten. Dit is overigens klassieke selectiedynamiek, niet alleen aan de rechterlijke macht voorbehouden.

Hofhuis spreekt van “onnodige absolutie”; in selectietermen doelt hij op een zogenaamd conjunctief of compensatorisch beslismodel. Inderdaad blijkt nog wel eens, dat dergelijke vormen van aannamebeslissingen, positieve effecten hebben op de voorspellende kracht, al gaat het tegen de intuïties van velen in (“alles moet goed zijn”, namelijk). Je slaagt op school tenslotte ook niet alleen maar indien je op alle tentamens alle vragen goed had, altijd een tien dus, jaren lang, elke keer weer. De praktijkobservatie die Velling-Schootstra doet, houdt hiermee ook verband: blijkbaar weegt tegen die zo veelzeggende test best het een en ander op. En zo is het psychometrisch ook; de leken-observatie zit er dus niet naast.

Verder heeft het kennelijk gehanteerde “hordenloopmodel” een aantal hardnekkige nadelen: wie een vroege horde niet haalt, krijgt geen kans om te bewijzen wat hij waard geweest zou zijn voor de latere hordes, omdat hij/zij eruit ligt. Mensen die al zittend personeel zijn liggen er niet uit, dus hun die kans niet gunnen is beoordelingstechnisch ongegrond en in de arbeidsverhoudingen onnodig verkleuterend. Dit alles leidt ook nog eens tot onnodige afwijzingen. In een krappe markt is het laatste even erg als een onterechte aanname, vooral als het zo vermijdbaar is als in dit geval.

Als er inderdaad een geheim empirisch onderzoek is waarvan Hofhuis spreekt, dan dient dat in het belang van de maatschappij zo gauw mogelijk openbaar gemaakt te worden, of alsnog uitgevoerd te worden. Dan kunnen Hofhuis’ suggesties, maar ook de voorspellende kracht van de instrumenten in het algemeen empirisch tegen het licht gehouden worden. Een rechterstekort dat wil niemand. Ik heb in landen gewoond waar door een tekort aan rechters de doorlooptijd van de rechtspraak lang is. Het is de maatschappelijke dood in de pot. Wat kan nu een doorslaggevend argument voor geheimhouding zijn? Allerlei verklaringen gaan door mijn hoofd, niet altijd even flatteus, maar gissen doet missen. Anderzijds, wat moet je, en wat moeten de in mijn ogen onterecht gedesavoueerde kandidaten, bij gebrek aan feiten en antwoorden op hun terechte vragen? Je kan als selecteurs de schuttersputjes wel in vluchten, maar voorliggende casus is een klassiek geval van “operatie geslaagd patiënt dood”. Dat draagt niet bij aan het aanzien van betrokkenen en hun métier.

Dit alles neemt niet weg, dat je met andere instrumenten dan een intelligentietest vaak veel verder kan komen (wat Born ook beschrijft). Het vakgebied heeft namelijk bepaald niet stil gestaan. Voor de zorg bijvoorbeeld, werken we momenteel het volgende plan uit. Door in het verleden 300 oud-kandidaten tot 10 jaar te volgen, konden we een arbeidsproef valideren. Dat kostte veel doorlooptijd en daar moet iedereen nu van kunnen profiteren. Met inzet van daartoe opgeleide “silver workers” als uitvoerders-beoordelaars proberen we de proef goedkoper te maken. Zo kan iedereen iets terugdoen voor degene die als je geboren wordt naast je bed staat, en als je de wereld verlaat ook weer: de verpleegkundige. Helemaal van deze tijd. Zo zou de rechtspraak het ook kunnen doen.

Drie keer raden wie ze dan als eerste silver worker zouden moeten zien te strikken: Hofhuis.

Dr. Gert Keen, bedrijspsycholoog, www.sapm.info
Frits Jansen schreef op :
Het verbijstert mij dat mensen die reeds als rechter gewerkt hebben ontslagen kunnen worden als ze onvoldoende scoren bij een test. Nou ja, ze krijgen het dringende advies om zelf ontslag te nemen, maar zo wordt wel erg doorzichtig het beginsel doorbroken dat rechters voor het leven benoemd worden.

Dat is gevaarlijk. Populistische politici maken er bezwaar tegen dat de politieke voorkeuren van rechters geen afspiegeling vormen van de politieke voorkeuren van de gemiddelde burger. Er zouden te veel "D66" rechters" zijn. En dus zouden met gemanipuleerde testen te "linkse" rechters kunnen worden weggestuurd. Ook kunnen strafrechters worden weggestuurd die te licht straffen naar de smaak van populisten.
De conclusie is simpel: een eenmaal benoemde rechter mag nooit ontslagen worden (ca gevraagd worden de eer aan zichzelf te houden), behoudens bij ernstige incompetentie (bijv. bij vroegtijdige dementie) of wangedrag.

Dat Wilders erin slaagde de benoeming van een Raadsheer bij de Hoge Raad tegen te houden is eigenlijk verschrikkelijk. De hele Hoge Raad had ontslag moeten nemen. Nu moeten na dit incident benoemde Raadsheren constateren dat ze zijn goedgekeurd door Wilders, een akelig lor.
feikje vellinga-schootstra schreef op :
Van harte ondersteun ik het betoog van Hofhuis. Ook mij is opgevallen dat voortreffelijke juristen voor geruime tijd de weg naar een opleidingsfunctie in de rechterlijke macht wordt afgesneden na een tekortschieten in het eerste onderdeel van de selectieprocedure, de analytische test. Mijn ervaring, die door velen wordt gedeeld zo merk ik in gesprekken hierover, leert dat het voorkomt dat personen die in hun werk duidelijk blijk hebben gegeven van een royaal analytisch vermogen, niettemin meteen na de (onvoldoende gemaakte) analytische test worden afgeschreven. Vaak gaat het dan ook nog eens om juristen die zeer tot tevredenheid van de rechtbank functioneren als plaatsvervanger en die heel erg welkom zijn als rechter in opleiding. Het is bijna schofferend dat deze mensen dringend wordt geadviseerd ontslag uit hun plaatsvervangerschap te vragen na een onvoldoende resultaat op de analytische test. Door het gewicht dat zonder enige mogelijkheid van ‘tegenbewijs’ aan de analytische test wordt gehecht, wordt voor de betrokkene niet alleen voorlopig de toegang tot een opleidingsplaats geblokkeerd, maar ontzegt de rechterlijke macht zich ook de mogelijkheid om zeer talentvolle juristen op te leiden tot rechter. Bizar is het dat het ook voorkomt dat juristen met aanzienlijk minder kwaliteiten juist wel door de selectie komen.
Het is te hopen dat de beschouwing van Hofhuis leidt tot een brede discussie over de selectie van toekomstige rechters, een discussie binnen en buiten de rechterlijke macht.

Feikje Vellinga-Schootstra
Voormalig raadsheer in Hof Arnhem-Leeuwarden, emeritus hoogleraar straf(proces)recht RuG



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.